2008/47 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
S. van de Werd
 
tegen
 
C. Buys, H. Kema en de hoofdredacteur van NOVA
 
Bij brief van 15 juni 2008 met drie bijlagen heeft S. van de Werd te Amsterdam (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen C. Buys, H. Kema en de hoofdredacteur van NOVA (hierna: verweerders). Bij e-mailbericht van 14 augustus 2008 heeft klaagster nog een bijlage overgelegd. Verweerders hebben niet op de klacht gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 augustus 2008. Klaagster is daar verschenen, vergezeld door T. Dekker, voorzitter van de Stichting Vissenbescherming, en diens echtgenote. Verweerders zijn niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 8 april 2008 is in het televisieprogramma NOVA een reportage uitgezonden met de titel “Bedrijven zwichten voor dierenactivisme”. De reportage wordt door de presentator Twan Huys ingeleid als volgt:
“Dierenrechtenactivisten intimideren winkels en bedrijven. Ze eisen dat kleding- fabrikanten geen bont meer verkopen, voedselproducenten geen legbatterijeneieren gebruiken en zijn tegen vlees van biggen die onverdoofd gecastreerd zijn. Eerder zwichtte een enkel bedrijf openlijk na gewelddadige acties, maar nu blijkt de aankondiging van actie al voldoende om bedrijven overstag te laten gaan. Ze zijn domweg bang. De reportage is van Hans Kema en Camelea Buys.”
 
De reportage bevat onder meer beelden van verschillende soorten acties, waaronder beelden van een anti-bont demonstratie van Bite Back voor een kledingwinkel. Daarbij komt klaagster, die aan deze demonstratie deelnam, een aantal keren (kort) in beeld.
 
HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER
 
Klaagster stelt dat de uitzending stigmatiserend is, nu daarin alle vormen van dierenactivisme ten onrechte als intimiderend en bedreigend worden neergezet. Door haar tijdens een vreedzame actie herkenbaar in beeld te brengen, wordt zij voorts ten onrechte in verband gebracht met intimidatie en bedreigingen, zo stelt klaagster. Klaagster wijst er verder op dat zij en haar collega’s bij de actie van Bite Back niet wisten dat er opnames van hun actie gemaakt zouden worden. Toen zij een cameraploeg zag, heeft zij dan ook eerst gevraagd in welk kader werd gefilmd. De journaliste, Buys, heeft haar toen verteld dat ze een item zou maken over de verschillende manieren van actie voeren en de effectiviteit daarvan, zo stelt klaagster. Volgens klaagster gaat de uitzending evenwel over hoe dierenactivisten bedrijven intimideren. Door daarbij ook beelden van de actie van Bite Back te laten zien, waarbij enkel foldertjes voor een winkel worden uitgedeeld, wordt ook een dergelijke actie als intimiderend voorgesteld. Dit beeld wordt volgens klaagster nog versterkt door in de uitzending een manager van een particulier researchbureau telkens onherkenbaar in beeld te brengen en zijn suggestieve opmerkingen over dierenactivisme als waarheid neer te zetten. Ten onrechte is geen wederhoor verleend aan dierenactivisten, aldus klaagster. Volgens haar is het interview met de heer Romijn van Bite Back daarvoor onvoldoende, omdat hij niet op de hoogte was van de teneur van de uitzending en vragen beantwoordde die in de uitzending een hele andere lading hebben gekregen. Bovendien had Buys ook de mogelijkheid om met klaagster contact op te nemen, nu zij haar naam en telefoonnummer had gegeven aan Buys. In dit kader wijst klaagster er ook op dat verweerders al een aantal maanden eerder contact hebben gehad met de heer Dekker van de Stichting Vissenbescherming. Dekker heeft toen verschillende voorbeelden aangehaald van vreedzame acties. Verweerders beschikten dan ook over voldoende mogelijkheden om ook deze vreedzame voorbeelden in de uitzending naar voren te brengen. Maar verweerders hebben dit in de uitzending totaal genegeerd.
Klaagster stelt dat zij is benadeeld door haar op deze stigmatiserende wijze in de uitzending in beeld te brengen. Zij benadrukt dat zij beslist niet had meegewerkt indien de ware motieven van verweerders bij haar bekend waren geweest. Daarbij wijst zij erop dat zij, als woordvoerster van onder meer het Comité Dierennoodhulp, niet alleen geregeld in de media aan het woord is, maar ook contacten heeft met gemeentelijke instanties over dierenwelzijn. Volgens klaagster is de uitzending schadelijk voor deze werkzaamheden. Door de uitzending kan zij immers door voormelde contacten in verband worden gebracht met intimidatie en gewelddadige wijze van actie voeren. Klaagster acht de wijze waarop zij en het dierenactivisme in beeld zijn gebracht dan ook onzorgvuldig.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
  1. klaagster is door verweerders onjuist ingelicht over het onderwerp van de uitzending;
  2. klaagster is, door haar in beeld te brengen, ten onrechte in verband gebracht met intimiderende en gewelddadige manieren van actie voeren;
  3. verweerders hebben ten onrechte nagelaten wederhoor toe te passen.
 
Uitgangspunt bij de beoordeling hiervan is dat klaagster stelt dat zij door de uitzending persoonlijk in haar belangen is geschaad. Niet gesteld of gebleken is dat zij deze klacht heeft ingediend als vertegenwoordigster van een of meer bepaalde (dierenrecht)organisaties.
 
Ad 1.
De Raad stelt voorop dat een journalist met open vizier te werk behoort te gaan en derhalve ook betrokkenen behoort in te lichten over de reden van opnames of interview. De journalist behoeft echter geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad (zie punten 1.3. en 2.1.1. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek).
Niet is in geschil dat verweerders klaagster inlichtingen over de uitzending hebben verstrekt alvorens de opnames te maken en te gebruiken in de reportage. Klaagster stelt evenwel dat zij daarbij onjuist is ingelicht, nu aan haar is meegedeeld dat de uitzending betrekking zou hebben op de verschillende manieren van actie voeren en de effectiviteit daarvan, terwijl volgens haar de uitzending ging over intimiderende manieren van actie voeren. De Raad deelt het standpunt van klaagster niet. De gewraakte uitzending heeft wel degelijk betrekking op de effectiviteit van actie voeren, nu in de uitzending naar voren wordt gebracht wat de motieven van bedrijven kunnen zijn om in te gaan op de eisen van dierenactivisten. Volgens de uitzending kunnen die motieven niet alleen voortkomen uit inzicht in de redelijkheid van die eisen, maar kunnen ze ook gebaseerd zijn op angst voor imago-schade of angst voor gewelddadige acties. In de uitzending worden ook voorbeelden van vreedzame acties getoond, en aan bod komt dat ook dergelijke acties effectief (kunnen) zijn vanwege de zojuist bedoelde motieven van bedrijven om aan de verzoeken van de actievoerders tegemoet te komen. Van onjuist inlichten over het onderwerp van de uitzending is geen sprake geweest.
 
Ad 2. en 3.
De Raad stelt vast dat klaagster ongeveer vijf keer (kort) in beeld is geweest in de reportage. De beelden zijn evenwel zodanig vluchtig, en de rol van klaagster daarin is zodanig beperkt, dat de Raad niet aannemelijk acht dat klaagster voor een ieder herkenbaar in beeld is. Voor zover de kijker haar wel herkent, is zij bovendien slechts te zien tijdens het uitdelen van folders voor een kledingwinkel. Onder deze omstandigheden acht de Raad het dan ook niet aannemelijk dat zij door de uitzending in haar werkzaamheden zal worden belemmerd en geassocieerd zal worden met intimiderende manieren van actie voeren. Gelet op haar beperkte rol in de uitzending, behoefden verweerders haar voorts geen gelegenheid voor wederhoor te geven. Daarbij neemt de Raad bovendien in aanmerking dat de organisator van de actie waarbij klaagster in beeld is gebracht wel uitgebreid is geïnterviewd. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat in de reportage van 8 april 2008 grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 2 oktober 2008 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. B.J. Brouwers, mr. B. Geersing, drs. P. Olsthoorn en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.