2008/43 onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
R.P. Ostrowski
 
tegen
 
S. Brown
 
Bij brief van 11 juni 2008 met twee bijlagen heeft mevrouw mr. M.C. van Megen, advocaat-gemachtigde te Amsterdam, namens R.P. Ostrowski (hierna: klager) een klacht ingediend tegen S. Brown (hierna: verweerder). De secretaris van de Raad heeft partijen bij brief van 16 juni 2008 meegedeeld dat de Raad eerst zal beoordelen of hij bevoegd is over de klacht te oordelen. Hierop heeft verweerder geantwoord in een brief van 21 juni 2008 met twee bijlagen. Klager heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 25 juni 2008.
 
De bevoegdheid van de Raad is beoordeeld ter zitting van de Raad van 18 juli 2008 buiten aanwezigheid van partijen. Vanwege de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, is de zaak behandeld door de voorzitter en de resterende leden.
 
DE FEITEN
 
Op 8 mei 2008 is door Uitgeverij Elmar een boek van de hand van verweerder uitgegeven onder de titel “Steve Brown in Gangsta’s Paradise” (hierna: het boek). Met het boek is bedoeld een beeld te schetsen van de hedendaagse criminele wereld.
 
Op de achterflap van het boek staat “Steve Brown begint waar andere misdaadjournalisten ophouden...”
De eerste alinea van de inleiding luidt als volgt:
“Gangsta’s Paradise begint waar de Nederlandse misdaadjournalisten hun verhalen stoppen. Immers niet één Nederlandse misdaadjournalist heeft buiten Nederland ooit toegang gehad tot Gangsta’s Paradise. Sterker nog: zelfs weinig Nederlandse gangsters hebben ooit een teen in Gangsta’s Paradise gezet.”
 
De publicatie bevat onder meer de volgende passages:
“Ronny, als volslagen crack head, wist dat dit de laatste judas pay-day was van de heren De Vries en Van Hout en dacht er met twee kilootjes vandoor te kunnen gaan.”
en
“In nauwe samenwerking met voormalig Caransa-ontvoerder Ronny (‘wie me een tientje geeft pijp ik’) Ostrowski, enkele maffiosi en, op de achtergrond, de groep ernstige delicten onder leiding van de heer Woelders.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat de publicatie een non-fictie boek betreft waarbij – zoals de kaft van het boek suggereert – verweerder op basis van ervaringsgegevens een feitelijke weergave geeft van criminaliteit in verschillende hoeken van de wereld. Klager stelt zich op het standpunt dat verweerder in strijd met de journalistieke ethiek heeft gehandeld door de wijze waarop verweerder zich over klager heeft uitgelaten in het boek. Hij voert aan dat de uitlatingen onnodig grievend en tendentieus zijn en geen enkele toegevoegde waarde kennen. Verweerder maakt een ontoelaatbare inbreuk op zijn privacy, aldus klager. Hij betoogt dat de grenzen van zorgvuldige journalistiek zijn overschreden door de publicatie van het boek.
Klager acht de Raad bevoegd over zijn klacht te oordelen, omdat verweerder zich in het boek als (misdaad)journalist presenteert. Hij wijst hiertoe op de eerdere uitspraak van de Raad inzake X tegen de hoofdredacteur van Geenstijl.nl (RvdJ 2007/37), nu daarin werd geoordeeld dat, los van de journalistieke kwaliteit van het medium, de wijze waarop de schrijver zich presenteert een rol kan spelen in de beoordeling omtrent de bevoegdheid van de Raad. Daarnaast stelt klager rechtstreeks belanghebbende te zijn.
 
Verweerder stelt zichzelf te beschouwen als wetenschapsjournalist op het gebied van de maffiajournalistiek. In dit verband wijst hij op zijn voltooide opleiding Voortgezette Agogisch beroepsopleiding aan de Hogeschool van Amsterdam en een door hem behaalde propedeuse Recht. Tevens wijst hij op eerder gepubliceerde boeken en artikelen van zijn hand en de publicatie van zijn weblog. Daar komt nog bij dat personen zoals P.R. de Vries zonder enig nader onderzoek zijn erkend als journalist, aldus verweerder. Verder stelt verweerder dat hij zich heeft aangemeld bij de secretaris voor wetenschapsjournalisten, die hij bij uitstek deskundig acht te oordelen of hij een wetenschapsjournalist is in dit geval. Verweerder stelt dat de Raad dient vast te stellen dat hij een wetenschapsjournalist/publicist is inzake “De Figuur de Maffiajournalist”.
 
BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID VAN DE RAAD
 
Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan:    een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep. Voorts wordt onder een journalistieke gedraging verstaan een handelen of nalaten in het kader van journalistieke werkzaamheden van iemand die geen journalist zijnde, regelmatig en tegen betaling meewerkt aan de redactionele inhoud van de in het volgende lid genoemde publiciteitsmedia.
 
Ingevolge het tweede lid moet onder journalist worden verstaan: degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van publiciteitsmedia, waaronder:
-         een dagblad, nieuwsblad, huis-aan-huisblad of tijdschrift voor zover de inhoud daarvan bestaat uit nieuws, foto’s en andere illustraties, verslagen of artikelen;
-         een persbureau, voor zover de productie daarvan bestaat uit nieuws, foto’s en andere illustraties, verslagen of artikelen bestemd voor dagbladen, nieuwsbladen, huis-aan-huisbladen, tijdschriften, radio, televisie, film, teletext of viewdata;
-         programma’s die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard;
-         films, beeld-, geluids- en ampexbanden, voor zover deze nieuws verschaffen, een documentair karakter dragen of dienstbaar zijn aan rubrieken van informatieve aard;
en/of
-         internet, teletext of viewdata, voor zover de inhoud daarvan bestaat uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard.
 
Ingevolge het derde lid worden, zonder anderen daarmee uit te sluiten, in elk geval als journalisten in de zin van het voorgaande lid beschouwd: gewone leden van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, de Buitenlandse Persvereniging en het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren.
 
In artikel 4, vierde lid, van de Statuten is voorts het volgende bepaald: Voor de toepassing van deze statuten en de reglementen worden voorts als journalist beschouwd bij de in lid 2 genoemde publiciteitsmedia werkzame eigenaren-hoofdredacteuren en eigenaren-redacteuren en – indien het publiciteitsmedium wordt uitgegeven casu quo wordt verzorgd door een rechtspersoon – directeuren-hoofdredacteuren of directeuren-redacteuren.
 
Naar het oordeel van de Raad zijn er noch in de Statuten noch in het verweerschrift voldoende aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat verweerder is aan te merken als een journalist in de zin van artikel 4 van de Statuten. Van een boek dat verweerder heeft geschreven in de uitoefening van zijn beroep als journalist is dus geen sprake.
 
Nu niet aannemelijk is geworden dat het hier gaat om gedragingen van een journalist acht de Raad zich onbevoegd de klacht te beoordelen. (vergelijk[1] X en Y tegen de hoofdredacteur van www.regiohoogeveen.nl, RvdJ 2007/68 en M. Kat tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad, RvdJ 2006/77)
 
BESLISSING
 
De Raad is niet bevoegd over de klacht te oordelen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 14 augustus 2008 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. F.W. Dresselhuys, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. drs. M.G.N. Mathot, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L. Bultman-den Haan, plaatsvervangend secretaris.

[1] In het eerste voorbeeld was geen sprake van een journalistieke gedraging, in het tweede voorbeeld ging het niet om journalisten.