2008/41 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
B. van Hout
 
tegen
 
P. Vugts en de hoofdredacteur van Het Parool
 
Bij brief van 5 juni 2008 met één bijlage heeft B. van Hout te Zandvoort (hierna: klager) een klacht ingediend tegen P. Vugts en de hoofdredacteur van Het Parool (hierna: verweerders). Hierop hebben B. van Beukering, hoofdredacteur van Het Parool, en P. Vugts geantwoord in een brief van 1 juli 2008 met drie bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 juli 2008. Klager is daar verschenen, vergezeld van zijn dochter, R. van Hout. Verweerders zijn daar niet verschenen.
 
Vanwege de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, heeft klager desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.
 
DE FEITEN
 
Op 22 maart 2008 is op de voorpagina van Het Parool een artikel verschenen onder de kop ”Aanslag Brown: Bosniër verdacht”, waarvan de intro luidt:
”Justitie heeft na ruim acht jaar een man in beeld die wordt verdacht van betrokkenheid bij de mislukte moordaanslag op 9 december 1999 op ex-hasjhandelaar Steve Brown in Amsterdam. Het is de 45-jarige Bosniër Izudin S.”
 
Op pagina 2 wordt het artikel vervolgd onder de kop ”’Was het dan toch dat iele mannetje?’” en de ondertitel ”Steve Brown verrast dat politie verdachte op het oog heeft”.
In het artikel staat onder meer het volgende vermeld:
”Steve Brown had in de jaren voor de aanslag om bescherming gevraagd aan de toenmalige minister van Justitie Winnie Sorgdrager, omdat hij vreesde voor een moordpoging. Hij had als kroongetuige cruciale verklaringen afgelegd in de dubbele moordzaak tegen ex-rechercheur Martin Hoogland, die mede op grond van die verklaringen is veroordeeld voor de liquidaties van maffiabaas Klaas Bruinsma en drugshandelaar Tony Hijzelendoorn.
Steve Brown vermoedt dat Martin Hoogland achter de aanslag zat en hij beschuldigt de misdaadjournalist Bas van Hout ervan met Hoogland te hebben samengewerkt.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager komt op tegen het citaat: ”Steve Brown vermoedt dat Martin Hoogland achter de aanslag zat en hij beschuldigt de misdaadjournalist Bas van Hout ervan met Hoogland te hebben samengewerkt.” Hij stelt dat deze aantijging absoluut onwaar, ongefundeerd en malicieus is. Klager geeft aan op deze zin vaak te zijn aangesproken en dat dit zeer schadelijk is voor zijn reputatie. Hij stelt dat hij door verweerders niet om een weerwoord is gevraagd. Dit terwijl Vugts in het bezit is van zijn persoonlijke gegevens en telefoonnummer, aldus klager. Dat voor verweerders vaststond dat de beschuldiging ontkend zou worden, betekent niet dat wederhoor overbodig is, aldus klager. Voorts stelt klager dat hij Het Parool/Bart Middelburg reeds in 2000 door middel van een aangetekende brief in kennis heeft gesteld van een uitspraak van de Haagse rechtbank waarin Steve Brown (hierna: Brown) is verboden uitlatingen te publiceren en/of te openbaren of hun medewerking daaraan te verlenen die de strekking hebben dat klager betrokken zou zijn bij criminele activiteiten althans bij criminele organisaties, zulks op straffe van een dwangsom. Klager geeft aan de aantijgingen reeds te hebben aangevochten en gewonnen, maar dat zowel Brown als verweerders lak hebben aan de uitspraak van de rechtbank. Voorts voert klager aan dat de opvatting dat hij en Brown verwikkeld zijn in een vete een misvatting is, daar Brown in een eenzijdige vete is verwikkeld met een aanzienlijk deel van de journalistieke, juridische en criminele wereld. Hij stelt dat het wikkel op de door hem geschreven biografie over Brown een idee van Brown zelf was en verwijst daartoe naar beeldmateriaal dat is te vinden op internet. Klager betoogt dat in het artikel van 22 maart 2008 ten onrechte wordt gesuggereerd dat Martin Hoogland (hierna: Hoogland) en klager (vermoedelijk) achter de aanslag op het leven van Brown van 9 december 1999 zitten. Dat de onjuiste beschuldigingen die worden genoemd in de rechtbank- uitspraak uit februari 1999 waarnaar klager – zoals verweerders nu stellen – verwijst niets te maken hebben met de aanslag op Brown op 9 december 1999, blijkt juist niet uit het artikel, aldus klager. Hij voert aan dat in het artikel ten onrechte geen nuances zijn vermeld. Klager stelt op geen enkele manier door Het Parool tegemoet te zijn gekomen.
 
Verweerders stellen geen kwaad te zien in het bedoelde artikel. Dat Brown vermoedt dat Hoogland achter de aanslag zat en hij klager ervan beschuldigt met Hoogland te hebben samengewerkt, is een droge en feitelijk juiste constatering, aldus verweerders. Zij stellen dat Brown deze bewering al jaren openlijk en met grote regelmaat doet en dat klager de feitelijke juistheid van de mededeling dat Brown hem beschuldigt niet weerspreekt. Het gaat hier om de visie van Brown en niet om een vaststaand feit, aldus verweerders. Verweerders voeren aan dat de gewraakte constatering niet als nieuws is gebracht, maar slechts als voetnoot onder aan het artikel over Bosniër Izudin S., die justitie van betrokkenheid verdenkt bij de aanslag op Brown op 9 december 1999. Verweerders stellen dat evident is dat klager de beschuldiging verwerpt en dat zij geen reden zagen hem daarover nog ten overvloede aan het woord te laten. Klager en Brown zijn al sinds medio jaren negentig verwikkeld in een vete, aldus verweerders. Zij stellen dat de kiem voor deze vete lag in het conflict dat ontstond in de voorbereiding van een biografie van Brown die klager zou schrijven. Brown verbood op een laat moment de publicatie, waarna beiden een boek over Browns leven uitbrachten. Om het boek van klager zat een wikkel met onder meer de tekst ‘Beloning Fl. 500.000,- (dood of levend) voor Veronica-presentator & harddrugsdealer Steve Brown’, die Brown na de aanslag op zijn leven als ‘uitlokking tot moord beschouwt’, aldus verweerders. Zij betogen tot slot dat de rechtbankuitspraak uit februari 1999 waarnaar klager verwijst niets te maken heeft met de aanslag op Brown op 9 december 1999, bijna tien maanden na het vonnis.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht luidt dat voorafgaand aan de publicatie van het artikel op 22 maart 2008 ten onrechte geen wederhoor heeft plaatsgevonden.
 
De Raad stelt voorop dat een journalist bij het publiceren van beschuldigingen dient te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek)
 
Het artikel bevat een beschuldiging aan het adres van klager die hem ernstig diskwalificeert. Hoewel de beschuldiging afkomstig is van een door verweerders aangehaalde bron, is het weergeven van die beschuldiging de verantwoordelijkheid van verweerders. Het gaat hier om een ernstige beschuldiging waarnaar verweerders eigen onderzoek hadden moeten instellen mede gezien de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 februari 1999. Derhalve valt niet in te zien waarom verweerders geen contact hebben gezocht met klager zelf. Van zwaarwegende redenen van algemeen belang die dat kunnen rechtvaardigen, is de Raad niet gebleken.
 
Door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld, heeft verweerder derhalve de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk toelaatbaar is. 
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 14 augustus 2008 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. F.W. Dresselhuys, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. drs. M.G.N. Mathot, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L. Bultman-den Haan, plaatsvervangend secretaris.