2008/40 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Connexxion Taxi Services B.V.
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Hart van Nederland’ (SBS)
 
Bij brief van 28 mei 2008 met een bijlage heeft Th. Vegter, directeur Connexxion Taxi Services en Tours, namens Connexxion Taxi Services B.V. te IJsselmuiden (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘Hart van Nederland’ (SBS) (hierna: verweerder). Hierop heeft mevrouw M. Herens, Bedrijfsjurist SBS Broadcasting B.V., geantwoord in een brief van 2 juli 2008 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 juli 2008, waar klager is vertegenwoordigd door E. Hartman, manager Communicatie en Public Relations. Aan de zijde van verweerder zijn voornoemde Herens en M. van der Maas, eindredacteur, verschenen.
 
Vanwege de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.
 
DE FEITEN
 
Op 18 mei 2008 is in een uitzending van ‘Hart van Nederland’ (SBS) aandacht besteed aan een klacht van een cliënt van het Aanvullend Openbaar Vervoer Amsterdam met betrekking tot de handelwijze van een chauffeur van klager. In het item wordt ingegaan op de busrit van 28 april 2008 die heeft geleid tot het indienen van de klacht. De dochters van de cliënt vertellen hun versie van het verhaal over de busrit en dat de cliënt na deze rit is gaan dwalen en ten val is gekomen.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt op 16 mei 2008 te zijn benaderd door de redactie van verweerder met het verzoek voor de camera te reageren op een klacht van een cliënt, waarover de redactie een item wilde maken voor de uitzending van die avond. Hij stelt te hebben aangegeven de klacht hoog op te nemen en direct te zijn gestart met een onderzoek naar de klacht. Klager voert aan dat hij de chauffeur en medepassagiers van de cliënt als getuigen van de situatie wilde horen en hij op dat moment niet in staat was een feitelijke reactie te geven. Hij stelt dat verweerder zelf heeft voorgesteld het item te verplaatsen naar de uitzending van maandag 19 mei 2008, waarbij de afspraak is gemaakt dat de woordvoerder van klager op die maandag om 14.00 uur in de studio in Amsterdam aanwezig zou zijn om voor de camera te reageren. Geheel tegen deze afspraak in is het item reeds op zondagavond 18 mei 2008 uitgezonden, aldus klager. Hij stelt dat het item op feitelijke onjuistheden is gebaseerd en dat hem de kans is ontnomen hier voortijdig op te reageren. Klager stelt dat het onderzoek op zaterdag was afgerond en hij zondagavond inhoudelijk had kunnen reageren wanneer verweerder contact opgenomen zou hebben. Klager betoogt dat de handelwijze van verweerder niet past bij goede journalistiek en bijzonder laakbaar is, temeer daar klager door deze negatieve publiciteit ernstige imagoschade heeft opgelopen.
 
Verweerder stelt dat op 16 mei 2008 contact is opgenomen met klager met het verzoek om een reactie op een klacht van een passagier die bij klager was ingediend. Hij stelt dat klager op dat moment niet voor de camera wilde reageren. Verweerder ontkent te hebben voorgesteld het item te verplaatsen naar maandag 19 mei 2008. Klager heeft aangegeven dat diens woordvoerder die dag in Amsterdam beschikbaar zou zijn voor een inhoudelijke reactie, aldus verweerder. Hij voert aan dat een toezegging niet kan zijn gedaan, aangezien dergelijke reacties nooit in de studio worden gevraagd maar ter plekke worden gefilmd. Verweerder betoogt voorts dat de ervaring met eerdere contacten met klager is dat hij nooit voor de camera wil reageren. Na een telefonische toezegging dat klager eventueel voor de camera inhoudelijk zal reageren, volgt een schriftelijke reactie die inhoudelijk niets toevoegt aan de eerste reactie, aldus verweerder. Hij stelt dat, gelet op deze ervaringen, op korte termijn een serieus aanvullend weerwoord niet kon worden verwacht terwijl het item op dat moment nieuwswaardig was. Verweerder voert aan dat het item oorspronkelijk was gepland voor de uitzending van maandag, maar is opgenomen in de uitzending van zondag 18 mei 2008 nu daarin “een gat viel”. Verweerder stelt vrij te zijn om de context van het verhaal te kiezen en dat het niet nodig was het onderzoek af te wachten. Verweerder stelt dat in het item de reactie van klager – “we gaan de zaak onderzoeken” – is vermeld. Van feitelijk onjuiste berichtgeving is geen sprake, aldus verweerder. Voorts geeft verweerder aan dat niet is gebleken dat de belangen van klager nodeloos zijn geschaad door de berichtgeving.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht betreft de wijze waarop verweerder wederhoor heeft toegepast.
 
Naar het oordeel van de Raad dient de journalist bij het publiceren van beschuldigingen te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. De journalist past, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie, te reageren op de aantijgingen (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek).
 
Ten aanzien van de toepassing van wederhoor heeft verweerder gesteld dat op 16 mei 2008 telefonisch contact is opgenomen met klager bij welke gelegenheid deze heeft aangegeven niet voor de camera te willen reageren en het voorval te zullen onderzoeken. Verweerder heeft zich op eerdere ervaringen met klager beroepen om verder af te zien van wederhoor. Of met klager een afspraak is gemaakt voor maandag 19 mei 2008 om 14.00 uur is gelet op de ontkenning van de zijde van verweerder ter zake niet als vaststaand aan te nemen. Hierdoor is de Raad niet in staat zich op dit punt uit te spreken. Ter zitting van de Raad is vast komen te staan dat klager in eerdere contacten met verweerder wel degelijk een inhoudelijke reactie heeft gegeven. Deze reactie heeft klager weliswaar niet altijd voor de camera gegeven, maar verweerder heeft weersproken dat dat van belang was. Derhalve valt niet in te zien waarom verweerder voor de uitzending van 18 mei 2008 niet nogmaals contact heeft gezocht met klager om aan te geven dat het item die avond zou worden uitgezonden en om te vragen om een inhoudelijke reactie. Van zwaarwegende redenen van algemeen belang die dat kunnen rechtvaardigen, is de Raad niet gebleken.
 
De Raad komt dan ook tot de slotsom dat verweerder, door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld, grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Hart van Nederland’ (SBS) en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 14 augustus 2008 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. F.W. Dresselhuys, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. drs. M.G.N. Mathot, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L. Bultman-den Haan, plaatsvervangend secretaris.