2008/4 niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van de Regiobode
 
Bij brief van 23 oktober 2007 met 16 bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Regiobode (hierna: verweerder). Hierop heeft de secretaris van de Raad klager bij brief van 2 november 2007 verzocht gemotiveerd aan te geven waarom hij zich niet binnen de termijn van zes maanden na de publicatie tot de Raad heeft gewend. Klager heeft daarop geantwoord in een schrijven van 9 november 2007. Vervolgens heeft de secretaris van de Raad klager bericht dat de Raad zich eerst zal uitspreken over de ontvankelijkheid van klager. Verweerder is in de gelegenheid gesteld ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager te reageren, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
 
Ter zitting van 7 december 2007 heeft de Raad de ontvankelijkheid van klager beoordeeld buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Op 8 februari 2006 is in de Regiobode onder de kop “Smeerburg?” een ingezonden brief gepubliceerd afkomstig van “Gedupeerde inwoners van Molengaarde (namen en adressen bij redactie bekend)”. Vervolgens is op 15 februari 2006 in de Regiobode een artikel gepubliceerd onder de kop “Veenbrand Molengaarde laait op”. Daarin wordt vermeld dat de hiervoor bedoelde ingezonden brief is geschreven door klager.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager stelt dat verweerder in het artikel van 15 februari 2006 ten onrechte zijn naam heeft vermeld. Bovendien is onzorgvuldig met de belangen van hem en zijn familie omgesprongen en is zijn reactie op het artikel ten onrechte niet gepubliceerd.
Wat betreft zijn ontvankelijkheid stelt klager dat hij al meer dan 23 jaar last heeft van wijkterreur. Die langjarige terreur en zijn gevecht daartegen hebben geresulteerd in zware hartproblemen, waardoor hij niet eerder in staat was om actie te ondernemen.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID
 
Artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek luidt:
  1. Een klaagschrift moet worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden.
  2. Een klaagschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn door het secretariaat van de Raad voor de Journalistiek is ontvangen.  
  3. Indien een klaagschrift niet tijdig is ingediend, is de klager in zijn klacht niet-ontvankelijk.
  4. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend klaagschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de klager in verzuim is geweest.  
Vaststaat dat de klacht niet binnen zes maanden na de gewraakte publicatie bij de Raad is binnengekomen.

Naar het oordeel van de Raad kunnen de door klager aangevoerde omstandigheden niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat uit de door klager overlegde stukken blijkt dat hij zich direct na de publicatie van 15 februari 2006 tot verweerder heeft gewend en zijn bezwaren heeft kenbaar gemaakt. Blijkens de stukken hebben partijen vervolgens herhaaldelijk contact gehad per e-mail, fax en telefoon. Verweerder heeft klager in een e-mailbericht van 22 februari 2006 geadviseerd zich tot de Raad te wenden, waarop klager in een e-mailbericht van 23 februari 2006 aan verweerder heeft meegedeeld: “Komt u uw toezeggingen niet na dan zien we elkaar binnenkort voor de rechter”. Klager heeft voorts onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het hem redelijkerwijs niet kan worden tegengeworpen dat hij de klacht niet binnen de termijn heeft ingediend c.q. namens hem heeft laten indienen. Klager moet dan ook in zijn klacht niet-ontvankelijk worden verklaard. (vgl. onder meer: RvdJ 2006/53)
 
BESLISSING
 
Klager is in zijn klacht niet-ontvankelijk.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Regiobode te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 25 januari 2008 door mr. A. Herstel, voorzitter, drs. B.J. Brouwers, drs. G.T.M. Driehuis en mw. drs. M.G.N. Mathot, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.
 
Raadslid mr. J. Olde Kalter heeft aan de behandeling van en beraadslaging over deze zaak deelgenomen, maar is helaas vóór de vaststelling van de uitspraak overleden.