2008/38 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
R.C. van Waning
 
tegen
 
de hoofdredacteur van de Volkskrant
 
Bij brief van 23 mei met een bijlage heeft R.C. van Waning te Amstelveen (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Volkskrant (hierna: verweerder). Hierop heeft J. ’t Hart, adjunct-hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 20 juni 2008.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 juni 2008 in aanwezigheid van klager, die zijn klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerder is daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 6 februari 2008 is op de website van de Volkskrant een artikel verschenen onder de kop “Oude taferelen in het nieuwe Afrika”. In de daarbij geboden ruimte voor reactie op het artikel heeft klager de volgende reactie geplaatst:
“Wie dit Commentaar leest, denkt natuurlijk dat een krant die zich zó fel afzet tegen het maatschappijontwrichtende tribalisme er zelf alles aan doet om deze hardnekkige splijtzwam ook in de eigen gelederen en kolommen te bestrijden. Het tegendeel blijkt vaak het geval. Er is juist geen ‘onafhankelijke’ krant die zo veel tribale binding en belangenbehartiging stopt in haar columns en recensies en zelfs in haar verslaggeving en commentaar. Afgelopen zondag zou VK-columnist en ‑commentator (die combinatie deugt niet) en Israël-lobbyist Paul Brill tijdens een VK-Forum in De Balie de socioloog en publicist Abram de Swaan ondervragen over het toenemende ‘anti-Israël enthousiasme’. Het moet gezegd dat Martin Sommer hierover echter met geen woord repte in zijn verslag. Het kan natuurlijk zijn dat de interne strijd tegen sektarische bedreiging van journalistieke onafhankelijkheid zijn vruchten begint af te werpen. Dat goede nieuws mag van mij best in de krant. U laat uw zich als ‘onafhankelijk’ afficherende krant misbruiken voor belangenbehartiging en zelfs pure agitprop.”
Deze reactie is verwijderd van de website.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat zijn reactie ten onrechte tot twee keer toe is verwijderd van de website van verweerder. Daarbij wijst hij er op dat dit steeds zonder waarschuwing is gebeurd en zelfs zonder hem de mogelijkheid te hebben geboden zijn tekst aan te passen. Hierover heeft hij ook een klacht ingediend bij de ombudsman van de Volkskrant. In zijn klaagschrift geeft klager weer tot welke correspondentie deze klacht heeft geleid. Zo wordt in het klaagschrift vermeld dat uit onderzoek door de ombudsman is gebleken dat zijn reactie is verwijderd omdat klager daarin Brill een lobbyist heeft genoemd.
Klager betoogt verder dat het ongrondwettelijk en in strijd met het universele recht op vrijheid van meningsuiting is om iemands mening te censureren louter op basis van onwelgevalligheid. Bij het uiten van zijn mening hoeft een burger alleen rekening te houden met zijn verantwoordelijkheid voor de wet, aldus klager. Volgens hem is verweerder ten onrechte van mening dat de universele mensen- en burgerrechten voor de website van de Volkskrant niet van kracht zijn en dat verweerder kan bepalen wat daar wel en niet mag worden geschreven. De ruimte die een krant op haar website biedt aan het publiek voor reacties op haar commentaar, columns en artikelen is een publiek forum waarop iedereen zijn of haar mening in volle vrijheid kan en mag uiten, aldus klager.   
De door verweerder geformuleerde spelregels komen er volgens klager op neer dat vooraf toestemming van verweerder vereist is voor het plaatsen van reacties op een artikel. Het maakt in de praktijk immers geen verschil of men niet de gelegenheid krijgt om een bepaalde mening te uiten, of dat men achteraf tot de ontdekking komt dat zijn of haar reactie of andere bijdrage is weggehaald, zo stelt klager.
Wat de spelregels betreft, merkt klager voorts op dat het een allegaartje is van rechtsregels, fatsoensregels en niet nader benoemde belangen van de Volkskrant en haar medewerkers. Om er zeker van te zijn of voldaan wordt aan de spelregel dat bijdragen niet ‘de belangen van de Volkskrant en/of haar medewerkers (onevenredig) schaden’, kan men volgens klager dan ook maar beter vooraf toestemming vragen. Zo wijst klager erop dat het geheel ter beoordeling van de dienstdoende medewerker is in hoeverre die zich onevenredig geschaad acht. Volgens klager regeert de willekeur op het weblog van de Volkskrant.
Klager benadrukt dat een persoon die zeurt, domme opmerkingen maakt, beledigt of onredelijk is, zichzelf diskwalificeert. Deze bijdragen moet men dan ook gewoon laten staan. Ze bemoeilijken hooguit de lopende discussie, aldus klager. Het verwijderen van reacties van critici leidt evenwel tot een niet representatief beeld van de reacties. Het kan niet zo zijn dat de journalistiek het alleenrecht heeft op kritiek, aldus klager. 
Verder wijst klager op verschillende eerdere keren dat reacties van zijn hand zijn verwijderd, telkenmale zonder waarschuwing en zonder opgaaf van redenen. Wat de reden van verwijdering betreft, merkt klager op dat hij mogelijk Brill heeft beledigd door hem een lobbyist te noemen. Hij wijst erop dat in de Spelregels van de Volkskrant niet staat vermeld dat beledigen niet mag. Bovendien kan de betiteling ‘lobbyist’ ook niet echt beledigend worden genoemd. Het lijkt er volgens klager dus op dat verweerder vindt dat met die betiteling de belangen van Brill (onevenredig) zijn geschonden. In dat verband wijst klager erop dat Brill in de eerste plaats een opiniemaker is. Volgens klager is Brill, gezien de duidelijke teneur van zijn publicaties, voortdurend doelbewust bezig om met zijn visie de meningen van zijn lezers te beïnvloeden, voornamelijk ten gunste van Israël en ten kwade van Iran. Dit heeft niets meer te maken met onafhankelijke journalistiek maar wel met het behartigen van specifieke belangen, met lobbyisme dus, aldus klager. Met zijn vrije meningsuiting wilde hij dan ook opkomen voor een ongebonden, onafhankelijke en betrouwbare journalistiek.
Klager stelt dat Brill PR voor Israël verzorgt en dat hij daarmee moeite heeft omdat Brill zodoende de belangen behartigt van een land dat nog steeds bezig is land af te pakken van oorspronkelijke bewoners van Palestina. Om die reden ook volgt klager heel kritisch verslaggeving waarin naar zijn mening onrechtmatigheden van Israël worden gemaskeerd   met verhalen over Israëls angsten. Klager benadrukt dat iedereen de belangen van Israël mag behartigen, maar niet onder het mom van journalistieke integriteit en betrouwbaarheid. Volgens klager zijn er grenzen, ook aan de journalistiek. Het moet dan ook kunnen dat klager het journalistieke lobbyisme van Brill aan de kaak stelt. Klager stelt dat zijn recht op vrije meningsuiting van een hoger belang is dan de wens en onbeperkte mogelijkheid van sommige medewerkers van de Volkskrant om hun eigen agenda te volgen.
Klager brengt verder naar voren dat ook dit recht op vrije meningsuiting grenzen kent, onder meer in het schaden van de goede naam van een ander. Dit zou misschien het geval zijn geweest, indien Brill niet direct volop de gelegenheid had gehad om de aantijging in hetzelfde forum te weerspreken. Klager acht daarbij onder meer van belang dat hij zijn mening niet in een krant of ander massamedium heeft geuit, maar op de site van de Volkskrant zelf. Volgens klager was de betiteling ‘lobbyist’ niet onrechtmatig en had de complete tekst van de reactie dan ook niet zomaar verwijderd mogen worden. Censureren is een democratische doodzonde, zeker als een krant het doet, aldus klager.
Daarnaast wijst klager erop dat achtergrond, bindingen en te grote betrokkenheid ook in de journalistiek kunnen leiden tot belangenverstrengeling. Volgens klager heeft politiek activisme vanuit een persoonlijke achtergrond altijd een rol gespeeld in de journalistiek. Met name bij het kiezen van een journalistieke positie en koers inzake het Midden-Oosten komt de persoonlijke betrokkenheid van journalisten sterk tot uiting. Gezien de grote invloed die de media hebben op de publieke opinievorming en politieke besluitvorming kan journalistieke belangenverstrengeling in politiek en maatschappelijk opzicht ernstige consequenties hebben. Toch weet de lezer bijna niets over onder meer achtergronden, bindingen en belangen van verslaggevers, zo stelt klager. Volgens hem doet de krant afstand van haar journalistieke onafhankelijkheid als zij zich op het vlak van de opinievorming té sterk gaat verbinden aan één belang. Dit kan zo geleidelijk gebeuren, dat niemand het door heeft. Als klokkenluider wil klager daarvoor waarschuwen.
Voorts wijst klager erop dat journalistieke onafhankelijkheid en integriteit voortdurend onder druk staan van groeperingen die bereik en invloed van een landelijk dagblad graag willen aanwenden voor de behartiging van hun belangen en doeleinden. Afgevraagd kan dan ook worden of de opstelling en signatuur van de Volkskrant nog wel zo onafhankelijk zijn als wordt gepretendeerd. Als het gaat om checks and balances blijft evenwel de journalistiek telkens buiten schot. Volgens klager volgt de journalistiek heel kritisch alle vormen van macht, maar is zelf dermate allergisch voor kritiek dat geen middel wordt geschuwd om maar verschoond te blijven van die narigheid. Kennelijk moet de journalistiek nog wennen aan de mondige en geëmancipeerde burger, aldus klager. Vaak blijkt dat het kritiseren van een journalist veel erger wordt gevonden dan het beledigen van een Kamerlid of minister. Zodra een politicus of bestuurder onverhoeds enig kritiek levert op de journalistiek, is het land te klein en is de democratie acuut in gevaar. Volgens klager betekent kritiek op een journalist evenwel nog geen belemmering van de persvrijheid.
Ten slotte stelt klager dat de verontwaardiging over inbreuken op persvrijheid schril afsteekt bij de kille vanzelfsprekendheid waarmee media kritische burgers de mond snoeren. Persvrijheid is echter een afgeleide van het universele recht op vrije meningsuiting en niet andersom, aldus klager.
 
Verweerder stelt dat hij verantwoordelijk is voor zijn papieren krant, maar ook voor de online krant, zijn internetsites en alle andere producten. Weliswaar wordt in de journalistieke producten volop bijgedragen aan het maatschappelijk debat, maar volgens verweerder behoren die producten daarmee niet tot het publieke domein. De opgelegde beperkingen liggen niet in de sfeer van het beperken van het recht van vrije meningsuiting, maar in de sfeer van fatsoen en goede omgangsvormen. Bijdragen waarin bijvoorbeeld wordt gescholden en/of beledigd, worden dan ook niet toegestaan. Volgens verweerder mag hij reacties van derden weigeren of inkorten. Daarbij wijst verweerder erop dat de tekst ‘de redactie behoudt zich het recht voor artikelen en brieven te redigeren en in te korten’ al sinds mensenheugenis op de opiniepagina staat vermeld. Volgens verweerder is het ondoenlijk om alle lezers een gemotiveerde beslissing te sturen. Alleen achteraf wordt gecontroleerd of de bijdragen vallen binnen de door de Volkskrant opgestelde regels.
Verweerder is van mening dat de verwijdering van de reactie van klager was toegestaan, gezien het kwetsende en beledigende karakter van klagers bijdrage. Verweerder wijst erop dat de Volkskrant kwaliteit en integriteit hoog in het vaandel heeft staan. Verweerder acht het dan ook beledigend als de integriteit van een journalist in twijfel wordt getrokken door hem een lobbyist te noemen. Verweerder benadrukt dat klager te allen tijde de mening van Brill inhoudelijk mag bestrijden, ook op de website. Evenwel heeft verweerder in het relaas van klager geen enkel feit kunnen ontdekken waarin het bewijs wordt geleverd dat Brill lid is van de pressiegroep Israël, laat staan dat verweerder deze ‘mening’ ziet als een zinvolle bijdrage aan het debat. Verweerder constateert dan ook dat klager er op uit is om de goede naam van Brill te bezoedelen.
Verweerder wijst er voorts op dat klager een bekende is van de Volkskrant en geregeld bijdragen stuurt. Dit is zijn goed recht en dikwijls zijn die bijdragen geplaatst. Evenwel moet het verweerder van het hart dat niet alle bijdragen van klager van hoge kwaliteit zijn. Dit zou klager moeten accepteren, hij kan niet van verweerder verwachten dat de redactie steeds gemotiveerd weigert een bijdrage te plaatsen en ook nog de mogelijkheid biedt dat klager daartegen bezwaar maakt. De discussies met klager kosten de redactie al handenvol werk, aldus verweerder. Zou wel een motivering of mogelijkheid van bezwaar vereist zijn, dan betekent dit volgens verweerder feitelijk de opheffing van de brievenrubriek en dan zouden de mogelijkheden om op de website te reageren moeten worden afgesloten. Volgens verweerder kan dit niet de bedoeling zijn van klager.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht heeft betrekking op het zonder waarschuwing verwijderen van de reactie van klager van de op de website van verweerder geboden ruimte voor redactioneel commentaar. Het oordeel van de Raad zal zich daartoe beperken en zich niet uitstrekken over de door klager naar voren gebrachte andere, meer algemene, vragen met betrekking tot het journalistiek handelen van verweerder.
 
De Raad stelt voorop dat de redactie verantwoordelijk is voor de inhoud van ingezonden brieven en van reacties die worden geplaatst op de website van het betrokken medium. Het verdient daarbij de voorkeur dat de redactie de voorwaarden voor de selectie en plaatsing van reacties publiceert. Het staat de redactie echter vrij om ingezonden brieven en andere reacties niet te plaatsen, tenzij plaatsing is geboden vanwege bijzondere omstandigheden. (zie punten 5.1. en 5.2. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek)
 
Zowel het artikel als klagers commentaar daarop zijn gepubliceerd op de website van verweerder. Net zoals het geval is bij de papieren krant is de redactie te allen tijde verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op de inhoud van dit digitale publiciteitsmedium.  
Van een publiek domein, waar verweerder geen spelregels voor zou kunnen opstellen, is naar het oordeel van de Raad geen sprake.
 
Gezien het voorgaande is de Raad van oordeel dat de geplaatste reactie vergelijkbaar is met een ingezonden brief. Zoals het de redactie vrij staat een ingezonden brief niet te plaatsen in haar papieren krant, kan zij tevens een op de website verschenen lezersreactie verwijderen. Dat in dit geval toetsing pas achteraf, na plaatsing, plaatsvindt, acht de Raad passend gezien de aard van het medium internet. Van de redactie kan immers niet worden verwacht dat zij alle reacties vooraf controleert. (zie punt 5.4. van de Leidraad)
 
Ten behoeve van het plaatsen van reacties heeft verweerder een aantal spelregels geformuleerd. Deze spelregels formuleren grenzen waarbinnen de reacties in elk geval dienen te blijven en zijn niet limitatief van aard. Er kunnen – gelet op de verantwoordelijkheid van de redactie voor de inhoud – dan ook andere redenen zijn op basis waarvan zij kan besluiten tot verwijdering van een reactie.
Gelet op de vrijheid van de redactie om reacties al dan niet te plaatsen, dient de Raad het beleid van een redactie ter zake marginaal te toetsen. (vgl. onder meer: RvdJ 2006/67)
Het is dan ook niet aan de Raad om te oordelen of het betitelen van een journalist als ‘lobbyist’ dusdanig schadelijk is voor diens belangen dan wel voor die journalist zo beledigend is, dat verwijdering van klagers reactie daarmee gerechtvaardigd is.
De Raad moet beoordelen of de redactie tot het besluit mocht komen om de reactie van klager van de website te verwijderen. Dat een ander besluit ook mogelijk zou zijn geweest – en wellicht meer passend, zie de uitlatingen van de aan de Volkskrant verbonden ombudsman – is daarbij niet van belang.
 
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 11 augustus 2008 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, drs. C.M. Buijs, mw. A.C. Diamand en mw. mr. H.M.A. van Meurs, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.