2008/37 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
M. Benak en de hoofdredacteur van RTV Drenthe
 
Bij brief van 16 mei 2008 heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen M. Benak en de hoofdredacteur van RTV Drenthe (hierna: verweerders). Vervolgens heeft klager in een brief van 27 mei 2008 zijn klacht aangevuld. P.M. Gort, hoofd nieuwsredactie, heeft namens verweerders op de klacht geantwoord in een brief van 10 juni 2008 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 juni 2008 waar klager in het bijzijn van zijn broer, Y, is verschenen. Van de zijde van verweerders zijn voornoemde Gort, M. Benak, programmamaakster, en A. Ophof, eindredacteur, verschenen. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een dvd-opname van de gewraakte uitzending bekeken, alsmede een opname van het ruwe materiaal.
 
DE FEITEN
 
Op 6 mei 2008 is in een uitzending van het televisieprogramma ‘Drents Diep’ aandacht besteed aan de onopgeloste moord op Andrea Luten in 1993. Mevrouw M. Benak interviewt daarin onder meer oud-politieman L. Veen en officier van Justitie mr. H. Supèr.
In zijn interview zegt Veen onder meer: “Het is nog steeds jammer dat de dader niet gestraft is, want naar mijn idee is de zaak wel opgelost en er is alleen niet kunnen bewijzen en zodoende is er niet tot een veroordeling gekomen.”
Verder wordt door Veen, in reactie op het feit dat Justitie niet tegen de vrijspraak van klager in beroep is gegaan, het volgende opgemerkt: “Dan had dus een hoger rechtscollege die had dat dan nog eens een keer kunnen bekijken en dat had misschien alle getuigen wel de nodige aandacht gekregen die ze verdiend hebben.”
Benak vraagt vervolgens: “Vindt u dat Justitie het er bij heeft laten zitten dan?”
Waarop Veen antwoordt: “Ja.”
 
Het interview met Supèr bevat onder meer de volgende passage:
Supèr: “Begrijp dat die dat zegt, want zo leek het destijds voor meer mensen binnen de politieorganisatie, leek het er op dat (X) de dader zou moeten zijn. Wat daarna gebeurd is, is dat er bij DNA met de stand van zaken toen het spoor nog niet heel helder was, laat ik het zo zeggen, maar dat daarna hernieuwd DNA-onderzoek heeft uitgewezen dat het compleet DNA-beeld aangeeft dat we een DNA-daderspoor hebben. En dat kan ik nu wel zeggen, dat daderspoor pleit (X) vrij.”
Benak: “Maar hoe zeker is het nu dat het DNA afkomstig is van de dader?”
Supèr: “Ja, ik noemde al een daderspoor. Je kunt nooit met 100% zekerheid zeggen van DNA, dus dat is de dader. Het is een daderspoor, het is een spoor. Als we degene te pakken krijgen die dat DNA heeft achtergelaten dan zal die met een heel goed verhaal moeten komen, die heeft heel wat uit te leggen. Maar alleen op basis van DNA kan ik nu niet zeggen, dus dat is ‘m.”
 
Tot slot bevat het interview met Veen nog de volgende passage:
Veen: “Het is beëindigd, het is afgelopen. Je kunt niks meer. Je kunt niet meer een nieuw onderzoek instellen. Als dat zo zou zijn, dan zou ik het vandaag nog een keer aan het werk willen. Maar er is niet meer te onderzoeken.”
Benak: “Je weet het al.”
Veen: “Ja ik weet het al. Ja.”
Benak: “Maar dat wou je nog es graag van hemzelf horen.”
Veen: “Ik zou best es graag met hem willen praten, ja. Hij is van harte welkom bij mij. Krijgt hij nog een gebakje bij de koffie ook.”
 
Het ruwe materiaal van deze interviews is daarna op de website van RTV Drenthe geplaatst. Daarin is voorts te horen dat Benak tegen Veen zegt: “Wie weet krijgt de dader (intitialen X) wroeging.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt voorop dat zijn klacht is gericht tegen de integrale publicatie van de interviews met de heren Veen en Supèr op de website van verweerders. Volgens hem zijn deze namelijk tendentieus van aard en bovendien uitgezonden zonder gedegen gelegenheid te bieden tot wederhoor.
Klager wijst er op dat Benak hem medio april 2008 heeft benaderd om mee te werken aan een uitzending over de onopgeloste moord op Andrea Luten. Volgens klager is aan hem medegedeeld dat de insteek van de reportage zou zijn in hoeverre een 15 jaar oude moordzaak nog leeft in het dorp Ruinen. Klager vond zichzelf niet de aangewezen persoon om daarover iets te melden, aangezien hij sinds de rechtszaak niet meer in Ruinen woonachtig is. Bovendien, zo stelt klager, zou meewerken aan de uitzending afbreuk doen aan het rustige leven dat hij inmiddels weer leidt.
Tot klagers grote verbazing had de uitzending evenwel een andere insteek, nu in het interview met Veen zijns inziens een reeks van beschuldigingen en verdachtmakingen werd geuit. Volgens klager hadden verweerders na deze beschuldigingen in het interview contact met hem op moeten nemen. Het spreekt namelijk voor zich dat hij op die beschuldigingen wél graag een reactie had willen geven. Door dit achterwege te laten, hebben verweerders geen juiste toepassing gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor, aldus klager. Volgens hem konden verweerders in dit kader niet volstaan met de reactie van Supèr op een aantal uitlatingen van Veen. Daartoe wijst klager erop dat Supèr enkel naar voren brengt dat het DNA-spoor wat hem betreft een daderspoor is en de eigenaar van dat DNA heel wat uit te leggen heeft. Anders dan verweerders menen kan van een volledige weerlegging van de beschuldigingen niet gesproken worden, te meer omdat Supèr niet bij het onderzoek betrokken was. Daarbij komt dat klager persoonlijk door Veen openlijk wordt beschuldigd. Dat verweerders zich daarvan bewust waren, blijkt uit de vraag in het interview of Veen niet bang is dat klager juridische stappen zal ondernemen. Klager acht het onjuist dat hem door verweerders niet om een reactie is gevraagd.
Voorts stelt klager dat verweerders zich schuldig hebben gemaakt aan lasterlijke en smadelijke aantijgingen. Volgens klager gaat Benak mee met de beschuldigingen van Veen. Zij zegt in het interview zelfs letterlijk: “Wie weet krijgt de dader (initialen X) wroeging”. Maar ook uit andere uitlatingen tijdens het interview blijkt volgens klager dat Benak Veen bij voorbaat al gelijk geeft.
Klager acht verder van belang dat Veen verschillende leugens heeft geuit in het interview, maar dat dit op geen enkel moment door Benak aan de orde is gesteld. Daarbij wijst klager er op dat Benak destijds met de rechtszaak van klager bezig is geweest en dus kon weten dat de verklaringen van Veen niet altijd juist waren. Benak laat evenwel na Veen daarmee te confronteren. Ook overigens wordt aan Veen geen enkele kritische vraag gesteld, hetgeen in sterk contrast staat met het interview met Supèr, wiens uitlatingen wèl door Benak kritisch worden benaderd. Ook de vraag aan caféhouder Luning, waar het volgens hem in de rechtszaak mis is gegaan, acht klager tendentieus. Volgens klager wordt daarbij ten onrechte de indruk gewekt dat het feit dat de rechtszaak is uitgemond in een vrijspraak, betekent dat er iets is misgegaan.
Klager concludeert dat de interviews niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen.
 
Verweerders stellen dat zij rond 10 mei 2008 een uitzending wilden maken over de onopgeloste moord op Andrea Luten omdat het die dag 15 jaar na dato was. Klager is ten behoeve van dat programma als één van de eersten benaderd. Reden hiervoor was dat hij als enige verdachte in deze zaak voor de rechter is gebracht en uiteindelijk is vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Volgens verweerders is klager er daarbij op gewezen dat direct-betrokkenen benaderd zouden worden en dat ook gekeken zou worden in hoeverre bewoners van Ruinen zich nog bezighouden met de moord. Dat de insteek alleen zou zijn in hoeverre de moordzaak nog leeft in het dorp, is volgens verweerders niet juist. Zou dat namelijk wel het geval zijn geweest, dan zou klager niet zijn benaderd aangezien hij niet meer woonachtig is in Ruinen. Verweerders brengen naar voren dat het idee was om vijftien jaar na dato aandacht te besteden aan de moord, maar dat het nog niet duidelijk was op welke wijze de reportage zou worden vormgegeven. Nadat klager had gemeld dat hij niet wenste mee te werken is de vorm van de reportage dan ook nader bekeken. Vervolgens zijn verschillende andere betrokkenen benaderd en uiteindelijk kwamen verweerders uit bij Veen. Na het interview met Veen is een afspraak gemaakt met Supèr, die het verhaal van Veen weerlegde. Zou dat niet het geval zijn geweest, dan was opnieuw contact met klager opgenomen. Daar is nu niet voor gekozen, omdat klager zo uitdrukkelijk te kennen had gegeven dat hij niet wenste mee te werken. Bovendien was Justitie volgens Veen de instantie die wat te verwijten viel. Volgens verweerders konden beide heren dan ook uitstekend tegenover elkaar worden gezet, waarbij Justitie nadrukkelijk stelde dat klager niet de dader kan zijn.
Verweerders brengen naar voren dat delen van de interviews met Veen, Supèr en caféhouder Luning verwerkt zijn in de reportage die op 6 mei 2008 is uitgezonden. Het ruwe materiaal van de interviews met Veen en Supèr is voorts op internet gezet, omdat de complete verhalen van deze heren mogelijk nog meer inzicht konden geven in de achtergrond van hun beweringen. Met de zin “Wie weet krijgt de dader (initialen X) wroeging.”, die alleen in het ruwe materiaal is te horen, grijpt Benak terug op een eerdere uitspraak van Veen aan het begin van het interview. Daarin stelt de oud-politieman dat de zaak wat hem betreft niet onopgelost is en dat de dader wat hem betreft nog altijd (X) is. Het stellen van de vraag was derhalve bedoeld om de cirkel rond te maken, aldus verweerders.
Tot slot stellen verweerders dat het hun bevreemdt dat klager hen wel aanklaagt voor de beweringen van de oud-politieman, maar Veen zelf ongemoeid laat en in een artikel in het Dagblad van het Noorden zelfs laat weten dat de uitlatingen van Veen wat hem betreft vallen onder de vrijheid van meningsuiting.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
  1. verweerders hebben ten onrechte nagelaten om hoor en wederhoor toe te passen;
  2. de op de website van verweerders gepubliceerde interviews zijn tendentieus en lasterlijk.
De Raad stelt voorop dat een journalist waarheidsgetrouw behoort te berichten. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht (zie punt 1.1. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek). Bovendien maakt de journalist in de berichtgeving een duidelijk onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen, en vermijdt de journalist tendentieuze berichtgeving en (de schijn van) belangenverstrengeling (zie punten 1.4. en 1.5. van de Leidraad).
Verder dient de journalist bij het publiceren van beschuldigingen te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. De journalist past, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie, te reageren op de aantijgingen (zie punt 2.3.1. van de Leidraad).
 
Ad 1.
De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat voorafgaand aan de totstandkoming van de reportage door verweerders contact is opgenomen met klager en hem is gevraagd mee te werken aan de reportage. Daargelaten de vraag wat precies door verweerders is vermeld over de insteek van de reportage, hebben zij ter zitting naar voren gebracht dat die ten tijde van het contact met klager nog niet duidelijk was. Eerst na contact met verschillende betrokkenen en het interview met Veen kreeg de reportage vaste vorm.
Naar het oordeel van de Raad had het interview met Veen voor verweerders aanleiding moeten zijn om wederom contact met klager op te nemen, omdat daarin ernstige beschuldigingen jegens hem worden geuit. Nu verweerders dat hebben nagelaten, kan niet worden geconcludeerd dat zij op juiste wijze wederhoor bij klager hebben toegepast.
Anders dan verweerders menen kan de reactie van Supèr niet dienen als wederhoor met betrekking tot de geuite beschuldigingen, reeds omdat die beschuldigingen niet Supèr maar klager persoonlijk betreffen.
 
Ad 2.
De Raad stelt voorop dat de omstandigheid dat het op internet gepubliceerde materiaal niet gemonteerd of anderzijds bewerkt is, niet meebrengt dat bij plaatsing daarvan geen journalistieke afweging hoeft plaats te vinden. Door publicatie van het ruwe materiaal op internet hebben verweerders de gehele inhoud van het interview voor hun rekening genomen.
Naar het oordeel van de Raad biedt het interview met Veen – mede door de uitlatingen van Benak – de kijker weinig tot geen ruimte voor een ander oordeel dan dat de door Veen aan het adres van klager geuite beschuldigingen wel een kern van waarheid moeten bevatten. Echter, niet is gebleken dat voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders met de publicatie van dit interview op hun website dan ook journalistiek onzorgvuldig jegens klager gehandeld.
Dat in het interview met Supèr het effect van de beschuldigingen wordt gerelativeerd, kan daaraan niet afdoen, te meer nu dat interview niet gekoppeld was aan het interview met Veen en de kijker derhalve niet noodzakelijkerwijs beide interviews diende te bekijken.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders aldus grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van RTV Drenthe en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op hun website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 11 augustus 2008 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, drs. C.M. Buijs, mw. A.C. Diamand, en mw. mr. H.M.A. van Meurs, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.