2008/35 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
drs. ing. A.W.J.J. de Jongh (Stichting Otterstation Nederland)
 
tegen
 
B. Nijmeijer (HP/De Tijd)
 
Bij brief van 25 april 2008 met één bijlage heeft drs. ing. A.W.J.J. de Jongh te Leeuwarden, directeur van Stichting Otterstation Nederland (hierna: klager) een klacht ingediend tegen B. Nijmeijer, freelance journalist voor HP/De Tijd (hierna: verweerder). Verweerder heeft niet op de klacht gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 juni 2008 in aanwezigheid van klager. Verweerder is daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 25 april 2008 is in HP/De Tijd een artikel van de hand van Nijmeijer verschenen onder de kop “Otter spotten”. In het artikel wordt onder meer aandacht besteed aan een herintroductieprogramma, waarbij de otter opnieuw in Nederland is uitgezet. Het artikel bevat de volgende passage:
“In de jaren negentig werden plannen gemaakt om de otter in Nederland te herintroduceren. Het vergde jaren van voorbereiding voordat in 2002 de eerste otter zijn eerste, voorzichtige stapjes op de drassige Nederlandse bodem zette.
Er waren allerlei organisaties bij het otterproject betrokken. Een belangrijke was de Stichting Otterstation Nederland, die ten behoeve van het otterproject otters moest vangen in Letland en Wit-Rusland, een operatie waarbij otters door een verkeerd verdovingsmiddel gewond raakten of zelfs overleden in te kleine kooien. Er gingen beschuldigingen over en weer, en in 2006 beëindigde het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de samenwerking met de Stichting Otterstation Nederland. Sindsdien verspreidt directeur Addy de Jongh van de stichting informatie die de ondeugdelijkheid van het otterproject moet aantonen.
Het gaat niet goed maar juist slecht met de Nederlandse otter, volgens De Jongh, die zich, nu hij er niet meer bij betrokken is, opstelt als ‘kritisch volger’ van het otterproject. De Jongh zegt veel minder spraints te vinden dan Staatsbosbeheer. Het laatste persbericht van de Stichting Otterstation Nederland bracht het tot de opening van de Steenwijker Courant: “Staatsbosbeheer vernietigt otternest.” Ook opvallend was het bericht over ‘de bijtende otter van Nijetrijne’, over hoe een Fries jongetje door een otter in zijn been was gebeten.”
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager stelt zich persoonlijk ernstig geschaad te voelen door het artikel. Daarnaast berokkenen de uitlatingen in het artikel ook de stichting schade, aldus klager. Volgens klager bevat het artikel verschillende onjuistheden. Voorafgaand aan de publicatie van het artikel heeft daarover contact plaatsgevonden met verweerder. Verweerder heeft klager gebeld voor informatie en toen is afgesproken dat klager het concept vóór publicatie mocht inzien. Klager zag bij het doorlezen van het concept een aantal onjuistheden en heeft hierover zowel telefonisch als per e-mail contact opgenomen met verweerder. Ondanks een toezegging van verweerder dat het artikel zou worden aangepast, bleek dit bij publicatie nauwelijks het geval te zijn. Het artikel bevat dan ook nog steeds de eerder gesignaleerde onjuistheden.
Klager licht toe dat de stichting reeds sinds de jaren negentig bij het herintroductieprogramma is betrokken. De stichting heeft ten behoeve van dit programma otters gevangen in Letland en Wit-Rusland en vervolgens vervoerd naar Nederland. De opvang van de otters in Nederland en het daadwerkelijke uitzetten van de otters gebeurde door de organisatie Alterra. Volgens klager wordt in het artikel ten onrechte de indruk gewekt dat door toedoen van de stichting otters zijn overleden door het verblijf in te kleine kooien en gewond zijn geraakt door het gebruik van een verkeerd verdovingsmiddel. Klager legt uit dat bij het vangen van de otters de stichting een verdovingsmiddel heeft gebruikt dat door een dierenarts van Alterra was voorgeschreven. Het was een middel dat bij otters in gevangenschap goed werkte. Eerst bij het vangen van de otters bleek het middel dodelijk te zijn bij wilde otters. Zodra dit bleek, is de stichting met het middel gestopt. Ook heeft de stichting niet van te kleine kooien gebruik gemaakt. Aan verweerder is duidelijk gemaakt dat eerst bij de opvang in Nederland een aantal otters door Alterra in te kleine kooien is geplaatst. Een foto daarvan is ook aan verweerder toegezonden. Daarnaast heeft volgens klager niet het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de samenwerking met de stichting verbroken, maar Staatsbosbeheer. In het artikel wordt bovendien ten onrechte de indruk gewekt dat klager zich sinds de beëindiging van deze samenwerking uit rancune kritisch opstelt ten opzichte van het herintroductieprogramma. Klager licht toe dat hij al jaren kritisch was over het programma, ook toen de stichting nog bij de herintroductie van otters betrokken was. Volgens klager is juist daarom de samenwerking verbroken. Van een kritische houding jegens het introductieprogramma uit rancuneuze overwegingen, zoals in het artikel wordt gesuggereerd, is dan ook in het geheel geen sprake, aldus klager.
Ten slotte wijst klager erop dat in het artikel ten onrechte wordt gesuggereerd dat de stichting betrokken was bij het nieuws over de ‘bijtende otter’. Klager stelt dat het geen persbericht van de stichting is geweest. Wel merkt klager op dat deze gebeurtenis ook weer een gevolg was van het feit dat tamme otters waren uitgezet. Deze tamme otters zijn niet op de juiste manier uitgezet en waren daar ook niet geschikt voor, aldus klager.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht spitst zich toe op de volgende twee onderdelen:
  1. in het artikel wordt ten onrechte de indruk gewekt dat door toedoen van de stichting otters zijn overleden;
  2. in het artikel wordt ten onrechte de indruk gewekt dat klager eerst na beëindiging van de samenwerking zich, uit rancune, kritisch naar het programma is gaan opstellen.
 
De Raad stelt voorop dat het, gelet op de door klager overgelegde informatie, aannemelijk is geworden dat verweerder voorafgaand aan de publicatie in het bezit was van de door klager in zijn klacht en ter zitting naar voren gebrachte informatie.
 
Ad 1.
Naar het oordeel van de Raad is de passage van het artikel waarin klager en de Stichting Otterstation Nederland worden genoemd, dusdanig geformuleerd dat de suggestie wordt gewekt dat de stichting verantwoordelijk moet worden gehouden voor het overlijden en het gewond raken van de otters. Daartoe wijst de Raad erop dat in de bewuste passage alleen de stichting als betrokken organisatie wordt genoemd en bijvoorbeeld niet de verschillende rollen in het herintroductieprogramma worden geschetst.
Bovendien wordt het beëindigen van de samenwerking in verband gebracht met ‘de beschuldigingen over en weer’. Naar het oordeel van de Raad wekt dit bij de lezer de indruk dat de samenwerking in verband met die beschuldigingen is beëindigd, terwijl dit niet is komen vast te staan.
 
Ad 2.
Voorts wordt volgens het oordeel van de Raad de indruk gewekt dat klager zich eerst na beëindiging van de samenwerking kritisch is gaan uitlaten over het programma. Daarbij wijst de Raad met name op het gebruik van het woord ‘sindsdien’. Naar het oordeel van de Raad heeft klager evenwel voldoende aannemelijk gemaakt dat deze kritische houding niet is ontstaan nadat de samenwerking met de stichting werd beëindigd, maar dat klager reeds ten tijde van zijn betrokkenheid bij het programma kritische kanttekeningen bij de wijze van herintroduceren heeft gezet.
 
De Raad is van oordeel dat het artikel – mede gelet op het bovenstaande – onjuistheden bevat met betrekking tot de betrokkenheid van de stichting bij het overlijden en gewond raken van otters en de kritische houding van klager. Deze onjuistheden hadden voorkomen kunnen worden door het artikel aan te passen naar aanleiding van de opmerkingen van klager bij het conceptartikel, zoals ook was afgesproken. Verweerder heeft dat zonder goede grond nagelaten. Hiermee heeft verweerder grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke zorgvuldigheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in HP/De Tijd te (laten) publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 21 juli 2008 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. B.J. Brouwers, T.R. Harkema, mr. A.H. Schmeink en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.
 
 
 
 
Voorzitter                                                        Secretaris