2008/29 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
C. Mennen pr en de parochies H. Geest en Maria Onbevlekt Ontvangen
 
tegen
 
W. Arts en de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad
 
Bij brief van 14 april 2008 met een bijlage heeft C. Mennen pr, mede namens de parochies H. Geest en Maria Onbevlekt Ontvangen, te Oss (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen W. Arts en de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (hierna: verweerders). Hierop hebben verweerders gereageerd bij brieven van 28 en 29 april 2008.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 mei 2008. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 11 april 2008 is in het Brabants Dagblad een artikel van de hand van Arts verschenen onder de kop “Verdriet over ‘respectloze’ uitvaart” met de subkop “Pastoor Mennen uit Oss doet klacht van familie af als ‘onzin’.” In het artikel wordt bericht over een door Mennen geleide uitvaartdienst. Dat zou volgens familie van de overledene zonder betrokkenheid en respect zijn gebeurd. In het artikel is Mennen aan het woord gelaten als volgt:
“Pastoor Mennen reageert fel. Hij vindt het op de allereerste plaats geen manier van doen dat de familie geen contact met hem heeft opgenomen, maar de krant heeft benaderd. Verder vindt hij de klacht ‘onzin’. ,,Ik was inderdaad een minuut of vijf te laat, dat vond ik zelf ook heel vervelend. Ik kon mijn auto bijna nergens kwijt en de parkeermeter was stuk. Ik heb er niets over gezegd, want dat kan op zo’n moment niet, vind ik.”
Met de kritiek dat hij de mis heeft afgeraffeld ‘kan ik niets’, zegt de Osse pastoor. ,,Ik heb niets afgeraffeld, ik doe het altijd op deze manier. Een levensloop schetsen doe ik nooit, ik ben geen uitvaartonderneming. Ik beperk me tot algemene dingen. Iemand van de familie heeft zelf nog iets gezegd, dus dan hoef ik dat toch niet te doen?”
,,Ik krijg nauwelijks klachten”, voegt pastoor Mennen er nog aan toe. En verder wil hij er eigenlijk niets meer over kwijt. De familie opbellen om er nog over te praten, dat doet hij niet. ,,Ze kunnen mij bellen als ze klachten hebben. Maar als ze dit soort commentaar hebben, dan kunnen ze beter uit de kerk blijven.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat Mennen voorafgaand aan de publicatie is benaderd door Arts over het feit dat de krant een klachtbrief had ontvangen omtrent een uitvaart. Mennen heeft toen gezegd dat hij verbaasd was over de klacht en dat volgens hem met de bewuste uitvaart niets was misgegaan. Verder heeft Mennen aan Arts laten weten dat hij het normaal vindt dat de krant geen publicaties doet over onduidelijke klachten zonder dat er contact is geweest tussen de klagende familie en de betreffende pastoor.
Mennen was zeer onaangenaam verrast toen hij het gewraakte artikel in de krant zag staan. En ook mensen die bij de uitvaart waren betrokken namens de parochie waren zeer verontwaardigd vanwege het onware verhaal en de handelwijze van de redacteur.
Klagers wijzen erop dat de hele uitvaartdienst, die integraal was opgenomen, op hun website is geplaatst, zodat iedereen kan oordelen of de dienst een onwaardige viering was.
Ten slotte stelt Mennen dat hij een publieke kerkelijke functie heeft en zich door deze wijze van journalistiek in zijn goede naam voelt aangetast. Dat laatste geldt ook voor de klagende parochies.
 
Verweerders onderschrijven niet dat zij pas tot publicatie hadden mogen overgaan nadat er contact zou zijn geweest tussen de betrokken familie en Mennen.
Nadat de redactie via een e-mail door de familie was benaderd heeft Arts een nader gesprek gehad met de familie. Daarna heeft hij, zoals te doen gebruikelijk, de andere partij benaderd. Arts heeft zich daarbij duidelijk en met open vizier voorgesteld als journalist van het Brabants Dagblad. De eerste reactie van Mennen was dat het verhaal niet in de krant mocht. Arts heeft Mennen toen uitgelegd dat het verhaal wel in de krant zou komen, omdat hij de klachten te ernstig vond om publicatie achterwege te laten. Een reden voor de publicatie was ook dat er eerder klachten en publicaties zijn geweest naar aanleiding van door Mennen geleide diensten.
Vervolgens is Mennen ruim in de gelegenheid gesteld zijn kijk op de zaak te geven, hetgeen in de publicatie is betrokken. Volgens verweerders kan de publicatie dan ook niet als een verrassing zijn gekomen.
Verweerders concluderen dat zij zorgvuldig hebben gehandeld. Zij hebben hoor en wederhoor toegepast, en voldoende ruimte gegeven aan de reactie van Mennen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. De journalist behoeft geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. Voorts dient de journalist in de berichtgeving een duidelijk onderscheid te maken tussen feiten, beweringen en meningen. (zie punten 1.2., 1.3. en 1.4. van de Leidraad van de Raad)
 
Verder overweegt de Raad dat voor mensen met publieke c.q. min of meer openbare functies, zoals de functie van klager, een zekere mate van blootstelling aan ongewilde publiciteit onvermijdelijk is. (zie punt 2.4.2. van de Leidraad)
 
Naar het oordeel van de Raad is voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk dat in het artikel de visie van de betrokken familie is weergegeven. Dat de uitvaartdienst ‘respectloos’ zou zijn verlopen, is niet als feit gepresenteerd maar geheel voor rekening van de familie gelaten. In de kop van het artikel is die kwalificatie ook tussen aanhalingstekens geplaatst.
 
Bovendien is Mennen in de gelegenheid gesteld zijn visie op de kwestie te geven. Uit zijn reactie blijkt duidelijk dat hij de aantijgingen aan zijn adres weerspreekt. Niet gezegd kan worden dat voor de reactie van Mennen in het artikel slechts een zodanige plaats is ingeruimd dat geen behoorlijke toepassing is gegeven aan het recht op wederhoor, terwijl gesteld noch gebleken is dat de weergave van zijn reactie feitelijke onjuistheden bevat.
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door over klagers te berichten op de wijze als zij hebben gedaan.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 14 juli 2008 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, mw. A.C. Diamand, drs. G.T.M. Driehuis, drs. L.W. Verhagen en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.