2008/27 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
W. van der Leij-Kuhn
 
tegen
 
P. Arnoldussen (Het Parool)
 
Bij brief van 2 februari 2008 met vijf bijlagen heeft W. van der Leij-Kuhn te Zwolle (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen P. Arnoldussen. Vervolgens heeft op 31 maart 2008 tussen partijen een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden onder leiding van bemiddelaar mr. A. Herstel, voorzitter van de Raad voor de Journalistiek. In zijn bemiddelingsverslag van dezelfde datum heeft de bemiddelaar aan partijen meegedeeld dat de bemiddeling als niet geslaagd moet worden aangemerkt. Daarna heeft Arnoldussen bij brief van 24 april 2008 formeel op de klacht gereageerd. Ten slotte heeft klaagster bij e-mail van 28 april 2008 nog een bijlage overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 mei 2008. Klaagster is daar verschenen, vergezeld door J. van der Meulen-Kuhn. Verweerder was eveneens aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 13 februari 1999 is in Het Parool een artikel van de hand van Arnoldussen verschenen met de kop “De zwarte bladzijden van Kapitein Rob”. In dit artikel is destijds onthuld dat de tekenaar van de Kapitein Rob-strip, Pieter Kuhn (de vader van klaagster) tijdens de tweede wereldoorlog naast veel illegaal werk – zoals het op ruime schaal vervaardigen van valse identiteitsbewijzen en het onderdak verschaffen aan ondergedoken landgenoten – als ontwerper van boekomslagen zijn medewerking had verleend aan één van de meest beruchte nazi-uitgeverijen, te weten Westland. In dit artikel wordt door Arnoldussen geen twijfel uitgesproken over het verzetsverleden van Kuhn, doch daarin worden wel veronderstellingen geuit met betrekking tot de mogelijke drijfveren voor de opmerkelijke combinatie van activiteiten.
 
Vervolgens is op 26 november 2007 in Het Parool een artikel, eveneens van de hand van Arnoldussen, verschenen met de kop “Oorlogsverleden van een kapitein”. De intro van dit artikel luidt:
“Deze week verschijnt de film van kapitein Rob. Geestelijk vader Pieter Kuhn had in het verzet gezeten. Maar wat deed hij nou precies bij die foute uitgeverij Westland?”
In de publicatie heeft Arnoldussen naar eigen zeggen de lezer deelgenoot gemaakt van iets dat al geruime tijd aan hem ‘knaagde’, namelijk dat hij zich in 1999 niet nader had gedocumenteerd aan de hand van een eventueel dossier in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). Hij stelt dat hij er gelet op het fraaie oorlogsverleden van Kuhn niet van uit was gegaan, dat er bij het CABR een dossier over Kuhn voorhanden was. Arnoldussen heeft vervolgens melding gemaakt van het destijds afgenomen verhoor van Kuhn en geconstateerd dat daarin essentiële vragen niet gesteld c.q. beantwoord zijn. Verder is in het artikel vermeld dat de toenmalige hoofdagent van politie na het verhoor op nader onderzoek is uitgegaan en bevestigd heeft gekregen dat Kuhn papieren vervalste zonder daarvoor geld te vragen. Het slot van het artikel luidt:
“Conclusie: Kuhn zat in het verzet. En daarnaast maakte hij, ter bescherming en om den brode, weerzinwekkende tekeningen. Geen mens is alleen goed of fout, en Kuhn al helemaal niet.”
 
De klacht betreft de publicatie van 26 november 2007.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat de teneur van het artikel suggestief en insinuerend is, alsof haar vader niet alleen verzetswerk heeft verricht maar ook omslagontwerpen voor nazi-boeken bij Uitgeverij Westland heeft gemaakt te eigen bate en dat bewust heeft verzwegen.
Volgens klaagster is de interpretatie van verweerder van het verhoor van haar vader dermate negatief dat het geen ruimte laat voor een positieve(re) conclusie, namelijk dat haar vader het werk voor Westland in overleg met het verzet had aangenomen.
Klaagster meent dat de motivatie van verweerder om de zaken als goed journalist in een artikel te verwerken alleen maar aanvaardbaar is, als hij bij voorbaat geen vooropgezette mening daarover zou hebben maar de feiten zorgvuldig tegen elkaar had afgewogen.
Ter zitting voegt klaagster hier nog aan toe, dat haar vader in diskrediet is gebracht zonder dat wederhoor is toegepast.
 
Verweerder stelt dat uit het proces-verbaal van het verhoor blijkt dat klaagsters vader heeft toegegeven dat hij zijn werk bij de nazi-uitgeverij te eigen bate heeft verricht. Overigens acht verweerder het zijn vrijheid om die conclusie te trekken. Hij heeft de lezer van zijn gedachtengang op de hoogte gesteld. Van een suggestief of insinuerend stuk is geen sprake, aldus verweerder.
Hij meent voorts dat hij wel degelijk ruimte heeft gelaten voor de gedachte dat Kuhn zijn Westland-werk deed in overleg met het verzet. In het artikel is immers duidelijk vermeld dat Kuhn dat zelf tijdens het verhoor heeft verklaard. Dat hij daar zijn twijfels bij heeft en heeft duidelijk gemaakt waarom, staat hem vrij.
Ten slotte wijst verweerder erop dat hij het dossier bij het CABR alsnog is gaan raadplegen. Daaruit blijkt juist dat er van een ‘bij voorbaat opgezette mening’ geen sprake was.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
De Raad stelt voorop dat een journalist vrij is in zijn selectie van nieuws en geen toestemming voor of instemming met een publicatie behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 
Naar het oordeel van de Raad bevat het gewraakte artikel, behalve enkele nieuwsfeiten, voor een groot deel opiniërende elementen. Het staat een journalist vrij over een bepaald feit zijn mening te verkondigen, mits duidelijk is dat het om zijn persoonlijke opvatting gaat  (zie punt 1.4. van de Leidraad van de Raad). Hoewel het artikel wellicht niet uitdrukkelijk als column is gepresenteerd, is voor de lezer voldoende duidelijk dat de publicatie met name de persoonlijke mening van verweerder behelst. Dat neemt niet weg dat een journalist met de wijze waarop hij uiting geeft aan zijn persoonlijke mening grenzen kan overschrijden. Daarvan is hier echter geen sprake. In het artikel komen geen kwalificaties of vergelijkingen voor die journalistiek ontoelaatbaar zijn. Dat klaagster het artikel als suggestief en insinuerend ervaart, is daarvoor onvoldoende.
 
Aangezien voorts niet is gebleken dat het artikel relevante onjuistheden bevat, bestaat geen grond voor het oordeel dat met het artikel van 26 november 2007 grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
(vgl. onder meer: RvdJ 2005/19 en RvdJ 2004/75)
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting te (laten) publiceren in Het Parool.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 14 juli 2008 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, mw. A.C. Diamand, drs. G.T.M. Driehuis, drs. L.W. Verhagen en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.