2008/26 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
mr. R.J.J.M. Witlox
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Zembla’ (VARA/NPS)
 
Bij brief van 14 maart 2008 met zeven bijlagen heeft mr. R.J.J.M. Witlox te Vught (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘Zembla’ (hierna: verweerder). Klager heeft nog twee bijlagen overgelegd bij brief van 22 april 2008. Hierop heeft mw. mr. B. den Ouden, bedrijfsjurist van de VARA, namens verweerder geantwoord in een schrijven van 2 mei 2008 met vier bijlagen. Voorts heeft verweerder reeds op 29 april 2008 een dvd-opname van de gewraakte uitzending overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 mei 2008, alwaar klager – vergezeld door zijn echtgenote – is verschenen. Van de zijde van verweerder zijn K. Driehuis, eindredacteur van ‘Zembla’ en voornoemde mr. Den Ouden verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de dvd-opname van de gewraakte uitzending bekeken. Klager en Den Ouden hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities.
 
DE FEITEN
 
Op 11 november 2007 is een aflevering van het televisieprogramma ‘Zembla’ uitgezonden onder de titel “List en letselschade”, waarin aandacht is besteed aan misstanden in de letselschadebranche, in het bijzonder het behandelen van zaken op no cure/no pay-basis. In de uitzending wordt aandacht besteed aan de dagelijkse praktijk van klager en komt een conflict tussen klager en een ex-cliënte, mw. Dijkhorst, aan de orde. Klager heeft deze ex-cliënte voor de rechter gedaagd. In de VARA-gids is een week vóór de uitzending een vooraankondiging gepubliceerd. Over de rechtszaak tussen klager en zijn ex-cliënte is op de website van ‘Zembla’ een artikel verschenen onder de kop: “’Mr. Claim’ verliest rechtszaak”.
De intro van het artikel luidt:
Angelique Dijkhorst uit de ZEMBLA-aflevering ‘List en letselschade’ heeft de rechtszaak gewonnen die mr. Witlox, alias ‘Mr. Claim’, tegen haar had aangespannen. Witlox begon de zaak toen Dijkhorst, die hem had ingehuurd als letselschade advocaat, een andere advocaat inschakelde omdat ze niet tevreden was over Witlox.
 
Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
Percentage
In ‘List en letselschade’ van 11 november 2007, laat ZEMBLA zien dat slachtoffers van ongelukken vaak onterecht veel geld kwijt zijn aan een letselschade advocaat door de ‘no cure no pay’ contracten. De klant betaalt dan een percentage van de schadevergoeding die het letselschadebureau voor hen binnenhaalt.
Dat lijkt heel veilig voor de slachtoffers, omdat het hen in ieder geval geen geld kost wanneer er geen schadevergoeding komt. Het letselschadebureau vertelt er echter niet bij dat als de aansprakelijkheid wordt erkend, de kosten van de letselschade advocaat al door de verzekering van de veroorzaker van het ongeluk worden betaald. Bij ‘no cure no pay’ betaalt het slachtoffer dus eigenlijk dubbel.
Geen geld
Na twee jaar strijd over een schadevergoeding had Dijkhorst nog geen geld. Daarom schakelde ze letselschade advocaat Maya Spetter in. Die had binnen twee weken 50 procent meer schadevergoeding geregeld dan Witlox na twee jaar pas had losgekregen. Mr. Claim sleepte haar daarop voor de rechter en wilde 11.000 euro van Dijkhorst, als vergoeding van zijn kosten. Met de huidige uitspraak heeft de rechter bepaald dat Dijkhorst dit bedrag niet aan Witlox hoeft te betalen.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager maakt bezwaar tegen de manier waarop de uitzending van 11 november 2007 tot stand is gekomen. Hij betoogt dat hij onder valse voorwendsels is gevraagd mee te werken. De makers van Zembla hebben hem vooraf doelbewust niet geïnformeerd over hun intenties, namelijk het in kaart brengen van misstanden in de letselschadepraktijk, zoals dubbel declareren, en de titel welke zij aan dit programma wilden meegeven. Zou hij daarmee wel bekend zijn gemaakt dan zou hij niet aan het programma hebben meegewerkt, aldus klager. Klager stelt dat hij is gevraagd mee te werken aan een uitzending over letselschade door middel van een interview en een bezoek aan een cliënt, zodat een totaalbeeld zou ontstaan van een dag uit het leven van een letselschade-expert. Vooruitlopend op de opnames is een vragenlijst toegezonden. Op de opnamedag heeft klager gevraagd naar de titel van de uitzending en werd hem gezegd dat daarover nog niet was nagedacht. Klager voert aan dat de bewuste uitzending in de vooraankondiging bleek te zijn voorzien van de titel ‘List en letselschade’ en voorzien van commentaar over de vele misstanden in de letselschadepraktijk, met name dubbel declareren, terwijl dat in de contacten met hem niet aan de orde was geweest. Voorts brengt klager naar voren dat in de opnames dusdanig is geknipt dat er een onevenwichtig en feitelijk onjuist beeld is ontstaan. Als voorbeeld noemt klager de zaak Dijkhorst. Volgens klager is zijn ex-cliënte naar een andere belangenbehartiger overgestapt en heeft zij hem met onbetaalde rekeningen laten zitten, terwijl in de uitzending de onjuiste suggestie wordt gewekt dat het hier gaat om dubbel declareren. Daarbij wordt bovendien ten onrechte een bedrag van € 11.000,-- genoemd, aldus klager. Hij stelt verder dat hij ten onrechte wordt geafficheerd als geldwolf die zich niets gelegen laat liggen aan de belangen van zijn cliënten. Naar aanleiding van de uitzending heeft klager vier haatmails ontvangen. Klager betoogt verder dat de kijker op het verkeerde been is gezet doordat een onjuist beeld van de hele beroepsgroep wordt gecreëerd, welke daardoor imagoschade oploopt. Tot slot stelt klager dat verweerder op internet onjuist heeft bericht over de rechtszaak inzake klager en zijn ex-cliënte, mw. Dijkhorst. Hij brengt daartoe naar voren dat hij al drie jaar geen advocaat meer was, dat de opvolgend advocaat niet binnen twee weken 50 procent meer schadevergoeding heeft geregeld en dat Dijkhorst evenmin is gedagvaard tot terugbetaling van € 11.000,--. Klager stelt dat uit niets blijkt dat hij klanten onterecht veel geld heeft afgetroggeld, terwijl uit het vonnis blijkt dat de kosten van de belangenbehartiger niet door de verzekeraar worden betaald, zodat de stelling dat het slachtoffer bij no cure/no pay dubbel zou betalen onjuist is. Verweerder heeft met zijn handelswijze in strijd gehandeld met journalistieke integriteit, neutraliteit, objectiviteit, zorgvuldigheid en waarheidsvinding, aldus klager. Hierdoor heeft hij reputatieschade opgelopen. Klager concludeert dat verweerder met de uitzending van het programma ‘List en letselschade’ grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Verweerder stelt dat de betrokken medewerkers van ‘Zembla’ richting klager volstrekt duidelijk zijn geweest in hun beweegredenen voor het maken van de uitzending. Zo hebben zij op voorhand schriftelijk aangegeven over welke onderwerpen zij klager wilden spreken en die onderwerpen zijn ook op die manier met hem besproken, aldus verweerder. Verweerder betoogt verder dat het feit dat de uitzending inhoudelijk meer om het lijf zou hebben dan een verslag van een dag in het leven van een letselschadespecialist – gelet op de bij klager bekende gespreksonderwerpen en het karakter van het programma – voor de hand lag. Verweerder heeft nooit de suggestie gewekt dat het een voor klager positief verhaal zou worden. Hij betoogt dat de wederhoor grondig is geweest en voor zover nodig in de uitzending is verwerkt. Klager wekt de indruk alsof Zembla méér aspecten van letselschadebehandeling had moeten behandelen dan zij in haar uitzending gedaan heeft, aldus verweerder. Verweerder benadrukt dat de Zembla-redactie de journalistieke vrijheid heeft om bepaalde onderwerpen wel en andere niet te behandelen. Het maken van keuzes mag uiteraard niet leiden tot een onevenwichtig en feitelijk onjuist beeld. Hiervan is in de gewraakte uitzending absoluut geen sprake. Verweerder voert aan dat klager geen onrecht wordt aangedaan door de “setting” waarin hij is gefilmd; klager is neergezet zoals hij is en zichzelf in de markt zet, zodat het tonen van zijn weelde paste in de context van de uitzending. Ten aanzien van de vooraankondiging in het VARA TV magazine stelt verweerder dat het om een slecht geformuleerd stukje ging dat de inhoud van de uitzending niet dekte.
Met betrekking tot de door klager aangevoerde feitelijke onjuistheden wijst verweerder er op dat klager van Dijkhorst buiten rechte ruim 11.000 euro vorderde en de aanduiding advocaat een kennelijke verschrijving was die inmiddels is rechtgezet. De berichtgeving over de hoogte van Dijkhorsts schadevergoeding is volledig terecht, aldus verweerder. Verweerder stelt dat, voor zover het al gaat om onjuistheden, het niet gaat om zodanig onjuiste berichtgeving dat hij hiermee ten opzichte van klager journalistiek klachtwaardig zou hebben gehandeld.
Verweerder concludeert dat het in de Zembla uitzending geschetste beeld een correcte, evenwichtige en waarheidsgetrouwe weergave is van de (onverkwikkelijke) praktijken op het gebied van letselschade. Het behoort tot zijn journalistieke taak om dit op verantwoorde wijze onder de aandacht van het publiek te brengen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
  1. verweerder heeft vooraf geen open kaart gespeeld met betrekking tot de richting van het programma en heeft klager onder valse voorwendsels gevraagd mee te werken aan de uitzending;
  2. klager is in het programma ten onrechte afgeschilderd als een geldwolf die zich niet bekommert om de belangen van zijn cliënten;
  3. de uitzending alsmede de berichtgeving op internet over de rechtszaak tussen klager en een ex-cliënte bevatten feitelijke onjuistheden. 
Ad 1.
De journalist die iemand wil interviewen dient diegene te laten weten met welk doel hij informatie vergaart. De te interviewen persoon moet voldoende geïnformeerd kunnen beslissen of hij aan een publicatie wil meewerken. Van onzorgvuldige journalistiek is sprake wanneer een citaat van de geïnterviewde wordt gebruikt in een andere context dan hij mocht verwachten op grond van hetgeen hem door de interviewer is meegedeeld. De geïnterviewde moet opnieuw worden gevraagd of hij ermee instemt dat zijn uitlatingen worden gepubliceerd indien de aard of inhoud van een publicatie in de loop van het redactionele proces zozeer wordt gewijzigd dat niet meer wordt voldaan aan wat hij redelijkerwijs mocht verwachten (zie punten 2.7.1. en 2.7.2. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek).
 
Voorop moet worden gesteld dat het aan de journalist en zijn redactie is om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. Voorafgaand aan de opnames heeft verweerder aan klager een aantal vragen toegestuurd waaruit hem naar het oordeel van de Raad de invalshoek van de uitzending kon blijken, mede gelet op het karakter van het programma ‘Zembla’. Tijdens de opnames is klager geïnterviewd waarbij is voortgeborduurd op voornoemde vragen. De Raad is van oordeel dat van misleiding geen sprake is. Klager heeft verweerder volledig de vrije hand gegeven en hem gedurende meerdere uren laten filmen in onder meer zijn huis en auto. Wellicht zijn in de uitzending niet alle onderwerpen aan de orde gekomen die verwacht konden worden, maar het was een lang interview en verweerder diende logischerwijs een keuze te maken uit alle opnames. In lijn met eerdere uitspraken overweegt de Raad dat een journalist vrij is in zijn selectie van nieuws. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerder in zoverre niet onzorgvuldig gehandeld.
 
Ad 2.
In de uitzending van Zembla heeft verweerder een beeld geschetst van de dagelijkse praktijk van klager en daarmee een portret van klager. De Raad stelt voorop dat een journalist bij het maken van een dergelijk portret niet neutraal te werk hoeft te gaan. Hij heeft echter een eigen verantwoordelijkheid de door hem verkregen gegevens te wegen en te toetsen, teneinde ervoor zorg te dragen dat het geschetste beeld geen onrecht doet aan de geportretteerde. Naarmate dat beeld negatiever is, bestaat meer aanleiding voor bijzondere zorgvuldigheid ten aanzien van de juistheid en evenwichtigheid van de vermelde feiten (vgl. onder meer: Koffeman tegen Geelen, Stoker, Van Zijl en de Volkskrant, RvdJ2006/45; Mat tegen Zeeman en NRC Handelsblad, RvdJ 2002/45). De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder de hiervoor bedoelde zorgvuldigheid onvoldoende in acht heeft genomen. Klager is ruimschoots de mogelijkheid geboden zijn visie te geven op de letselschadepraktijk en zijn eigen rol hierin. Ook dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.
 
Ad 3.
De onjuistheden waarnaar klager heeft verwezen in de uitzending ‘List en letselschade’ alsmede in het artikel “‘Mr. Claim’ verliest rechtszaak”  hebben met name betrekking op het conflict tussen klager en zijn ex-cliënte, Dijkhorst. De aanduiding van klager als letselschade-advocaat in het artikel op internet is feitelijk onjuist. Klager is immers geen advocaat meer. Een en ander is inmiddels door verweerder rechtgezet. Verder wijst klager op onjuistheden met betrekking tot de hoogte van klagers vordering op Dijkhorst alsmede de stelling dat de opvolgend advocaat binnen twee weken 50 procent meer schadevergoeding had geregeld dan klager.
Aan klager kan worden toegegeven dat hij zijn ex-cliënte, mw. Dijkhorst, heeft gedagvaard voor een bedrag van € 5.000,--. De Raad wijst er evenwel op dat het totaal aan declaraties blijkens de door klager overgelegde dagvaarding rond de € 11.000,-- lag en dat klager zijn vordering gematigd heeft teneinde binnen de competentie van de Kantonrechter te blijven. Ten aanzien van de hoogte van de schadevergoeding van Dijkhorst heeft de Raad niet kunnen vaststellen of deze daadwerkelijk 50 procent hoger was dan het resultaat dat klager voor Dijkhorst wist te bereiken. De standpunten van de partijen ter zake staan lijnrecht tegenover elkaar en er is voorts geen materiaal voorhanden op grond waarvan de Raad kan bepalen welk standpunt juist is.
 
Voor zover al gesproken dient te worden van onjuistheden, zijn deze naar het oordeel van de Raad niet van dien aard dat het oordeel is gerechtvaardigd dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Van andere onjuistheden, die zouden kunnen leiden tot gegrondheid van de klacht, is geen sprake.
 
Eén en ander leidt tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Zembla’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 4 juni 2008 door mr. A. Herstel, mw. F.W. Dresselhuys, mr. T.E. Klein, mw. drs. M.G.N. Mathot, mw. E.H.C. Salomons, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mw. mr. L. Bultman-den Haan, plaatsvervangend secretaris.