2008/25 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
R. Koelewijn en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad
 
Bij brief van 8 maart 2008 met vier bijlagen en brief van 14 maart 2008 met twee bijlagen heeft X te Den Haag (hierna: klager) een klacht ingediend tegen R. Koelewijn en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (hierna: verweerders). Hierop hebben verweerders geantwoord in een brief van 21 april 2008 met één bijlage. Ten slotte heeft klager zijn klacht nader toegelicht in een e-mail van 5 mei 2008.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 mei 2008, waar partijen niet zijn verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 2 juni 2007 is in NRC Handelsblad in de rubriek ‘Het oordeel’ een artikel van de hand van Koelewijn verschenen onder de kop “Een broer die leeft om te procederen”.
Het artikel is ingeleid als volgt:
Wie staat er voor de rechter en waarom? Vandaag een man die zijn eigen broer stalkt, ondanks een contactverbod. Maar hij kan niet zonder zijn broer.”
 
De eerste alinea van het artikel luidt vervolgens:
Een man wacht in de wachtruimte van het paleis van justitie in Den Haag. Hij is tegen de zeventig, en ziet er een beetje sjofel uit. De uitdrukking op zijn gezicht is die van de clown die werd ontslagen omdat de kinderen bang van hem werden. Even voor elf uur komt een ander man binnen, een vijftiger, in een licht zomerpak. De zeventiger verliest hem geen moment uit het oog, sluipt dichterbij tot hij een onzichtbare grens heeft overschreden. Dan sist de ander: “Sodemieter op” en draait hem de rug toe.
 
Klager is de in het artikel bedoelde oudste broer. Tegen de inhoud van dit artikel is klager eerder opgekomen en de Raad heeft hierover uitspraak gedaan op 14 september 2007, RvdJ 2007/52.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager komt opnieuw op tegen de publicatie van het artikel van de hand van Koelewijn verschenen op 2 juni 2007. Hij stelt dat het artikel feitelijke onjuistheden bevat en maakt bezwaar tegen een beschrijving van zijn voorkomen in het stuk die volgens hem een beschuldiging van pedofilie zou inhouden. Klager betoogt voorts dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, nu hem is gebleken dat de in het artikel geuite beschuldigingen aan zijn adres niet afkomstig zijn van de advocaat van zijn broer. Hij maakt bezwaar tegen de weigering van verweerders om te onthullen op welke wijze zij tot hun beschuldigingen aan zijn adres zijn gekomen.
 
Verweerders stellen dat de berichtgeving door Koelewijn is gebaseerd op een openbare rechtszitting. Haar beschrijving van klager is een persoonlijke waarneming, gedaan vanaf de perstribune. Hiermee is de vraag van klager over de wijze waarop Koelewijn aan haar beschuldigingen is gekomen beantwoord, aldus verweerders. Zij voeren aan dat zij klager bij brief van 28 februari 2008 dan ook hebben laten weten dat de beschrijving geen betrekking heeft op geraadpleegde bronnen, maar gestoeld is op persoonlijke waarneming. Verweerders wijzen er voorts op dat de beschuldiging dat klager zedendelinquent dan wel pedofiel zou zijn door Koelewijn niet is gedaan en geen grond vindt in het artikel van Koelewijn.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat klager geen antwoord heeft gekregen op zijn vraag op welke wijze verweerders tot hun beschuldigingen aan zijn adres zijn gekomen. De Raad stelt vast dat klager een goed en duidelijk antwoord heeft gekregen. Bovendien kunnen verweerders klager niet beter informeren dan dat zij hun berichtgeving hebben gebaseerd op de rechtsgang, de openbare uitspraken die daar zijn gedaan en de persoonlijke waarneming van Koelewijn vanaf de perstribune.
 
De Raad komt dan ook tot de conclusie dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 4 juni 2008 door mr. A. Herstel, mw. F.W. Dresselhuys, mr. T.E. Klein, mw. drs. M.G.N. Mathot, mw. E.H.C. Salomons, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mw. mr. L. Bultman-den Haan, plaatsvervangend secretaris.