2008/24 ongegrond

inzake de klacht van
 
F.R. van der Vliet
 
tegen
 
de hoofdredacteur van NRC Handelsblad
 
Bij brief van 3 februari 2008 met twee bijlagen heeft mr. F.R. van der Vliet te Den Haag (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het NRC Handelsblad (hierna: verweerder). Vervolgens heeft enige correspondentie plaatsgevonden tussen klager en de secretaris van de Raad betreffende de klachtprocedure. Bij brief van 18 februari 2008 heeft de secretaris aan klager bericht dat zijn klacht zou worden behandeld ter zitting van de Raad van 14 maart 2008. In een brief van 2 maart 2008 heeft klager laten weten dat de secretaris op een aantal punten, onder meer met betrekking tot de vastgestelde zittingsdatum, naar zijn mening in strijd heeft gehandeld met het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek; klager heeft verzocht om een uitspraak van de voorzitter van de Raad ter zake. S. de Jong, plaatsvervangend hoofdredacteur, heeft namens verweerder inhoudelijk op de klacht gereageerd in een brief van 6 maart 2008, waarbij hij tevens te kennen heeft gegeven geen gebruik te zullen maken van de uitnodiging de zitting bij te wonen. Bij brief van 7 maart 2008 heeft de secretaris, in overleg met de voorzitter van de Raad, mr. A. Herstel, nogmaals aan klager bericht dat zijn klacht zou worden behandeld op de zitting van 14 maart 2008, waarbij de Raad was samengesteld als volgt:
-          mr. C.A. Streefkerk;
-          drs. G.T.M. Driehuis;
-          prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman;
-          mw. drs. J.X . Nabibaks;
-          mr. A.H. Schmeink.
Bij brief van 12 maart 2008 heeft klager een verzoek om wraking van die voltallige kamer van de Raad ingediend. Ter zitting van 14 maart 2008 heeft klager desgevraagd meegedeeld zijn wrakingsverzoek te willen handhaven. Dit wrakingsverzoek is vervolgens behandeld ter zitting van de Raad van 28 maart 2008, waar klager is verschenen. Onmiddellijk bij aanvang van de zitting heeft klager een verzoek om wraking van de voorzitter van de Raad tevens voorzitter van de kamer van de Raad van 28 maart 2008, mr. A. Herstel, ingediend. Beide wrakingsverzoeken zijn door de Raad afgewezen, waarbij de klacht werd terugverwezen naar de Raad in de samenstelling van de zitting van 14 maart 2008 (zie RvdJ 2008/18). Deze kamer van de Raad heeft de klacht beoordeeld op basis van de schriftelijke stukken, nadat klager de gelegenheid was gegeven zijn klacht hetzij op een nieuwe zitting hetzij schriftelijk nader toe te lichten, maar klager bij brief van 4 mei 2008 te kennen had gegeven niet meer ter zitting te zullen komen.
 
DE FEITEN
 
Op 11 november 2007 heeft klager een ingezonden brief aan verweerder gestuurd. Die brief is niet geplaatst. Vervolgens heeft klager bij brief van 29 november 2007 bij verweerder geïnformeerd naar de reden van niet-plaatsing. Ook hierop is geen reactie gekomen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager wijst er op dat hij op 11 november 2007 een ingezonden brief heeft gestuurd aan verweerder. Aangezien deze niet werd gepubliceerd heeft hij op 29 november 2007 geïnformeerd naar de reden van niet-plaatsing. Op beide brieven ontving hij geen antwoord. Klager verzoekt de Raad om een uitspraak over de (niet-) handelswijze van verweerder. In zijn schrijven van 29 november 2007 heeft klager verweerder erop gewezen dat er met zijn brief niets mis was. De brief was kort en duidelijk, bevatte geen spelfouten of onvertogen woorden, kaartte een groot maatschappelijk probleem aan en haakte direct in op een artikel in NRC Handelsblad.

Verweerder stelt dat hij de brieven van klager eerst onder ogen kreeg als bijlage bij de brief waarin de secretaris van de Raad hem op de hoogte stelde van de klacht. Hij heeft geen redenen te betwijfelen dat klager zijn brieven naar NRC Handelsblad heeft verstuurd maar op de redactie zijn ze helaas geen van beide te vinden. Adjunct-hoofdredacteur H. Steketee heeft naar aanleiding van de klacht telefonisch contact opgenomen met klager en zijn spijt betuigd over de gang van zaken. Hij heeft klager voorts medegedeeld dat als verweerder zijn brief ontvangen had hij zeker antwoord had gekregen aangezien het beleid is dat elke briefschrijver antwoord krijgt. Voorts is klager aangeboden om zijn brief alsnog te laten beantwoorden en daarbij te motiveren of zijn brief wel of niet in aanmerking zou zijn gekomen voor plaatsing. Hierbij heeft Steketee klager erop gewezen dat de eigenschappen van zijn brief zoals de juiste lengte of het ontbreken van spelfouten niet automatisch leiden tot het plaatsen van een brief. Verweerder stelt dat klager heeft gezegd er geen prijs op te stellen dat zijn brief alsnog beantwoord zou worden. Hij gaf aan de procedure bij de Raad te willen doorzetten.
Verweerder betoogt verder dat klager de Raad vraagt een oordeel te geven over het ontbreken van een antwoord op zijn vraag waarom de krant zijn brief niet heeft geplaatst. De eerste brief heeft het stadium van beoordeling helaas nooit bereikt. Die gang van zaken is vervelend maar moeilijk een kwestie waarover de Raad zich zou moeten uitspreken, aldus verweerder. Nu klager niet wil ingaan op het aanbod zijn brief alsnog te beoordelen, lijkt het de vraag of er nog een kwestie is. Verweerder verzoekt de Raad daarom de klacht niet-ontvankelijk te verklaren.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad overweegt ten aanzien van de door klager geuite bezwaren tegen de (procedurele) gang van zaken voorafgaande aan de zitting van 14 maart 2008, dat klager – mede gelet op de betrekkelijke eenvoud van zijn klacht – op geen enkele wijze is geschaad in zijn mogelijkheden om de klacht toe te lichten of te reageren op het verweer van verweerder.
 
Wat betreft de klacht zelf overweegt de Raad als volgt. Klager maakt bezwaar tegen het feit dat verweerder niet op zijn brieven reageert en daarmee ongemotiveerd weigert zijn ingezonden brief te publiceren.
 
De Raad stelt voorop dat het verweerder vrijstaat ingezonden brieven niet te plaatsen, tenzij plaatsing geboden is vanwege bijzondere omstandigheden (zie punt 5.2. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek). Gesteld noch gebleken is dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding hadden moeten geven tot plaatsing van de ingezonden brief.
 
De Raad heeft begrip voor het ongenoegen van klager over het uitblijven van een reactie op zijn brieven van 11 en 29 november 2007. Gelet op de uitleg die verweerder hiervoor heeft gegeven en het feit dat klager niet is ingegaan op het aanbod van verweerder om zijn brieven alsnog te beantwoorden, kan een en ander echter niet leiden tot het oordeel dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
 BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 2 juni 2008 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. G.T.M. Driehuis, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. drs. J.X. Nabibaks en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van der Berg, secretaris.