2008/23 deels-gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
1. de Stichting Nederlandse Moslimomroep
2. Y. Bouyafa
3. A. Khairoun
4. M.S. Nanhekhan
 
tegen
 
H. Hansen, A. Chakrabarty en de (adjunct)hoofdredacteur van NOVA
 
Bij brieven van 4 februari 2008 met 37 bijlagen, 20 februari met 2 bijlagen en 29 februari 2008 met 7 bijlagen heeft mr. L. Nix, advocaat te Amsterdam, namens de Stichting Nederlandse Moslimomroep (NMO), Y. Bouyafa, A. Khairoun en M.S. Nanhekhan (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen H. Hansen, A Chakrabarty en de (adjunct)hoofdredacteur van NOVA (hierna: verweerders). Hierop heeft mr. H.F. Doeleman, advocaat te Amsterdam, namens verweerders geantwoord in een brief met 60 bijlagen. Klagers hebben voorts bij brieven van 25 en 27 maart 2008 nog 16 bijlagen aan de Raad doen toekomen. Verweerders hebben per e-mailberichten van 26 en 28 maart 2008 nog 12 bijlagen overgelegd.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de gewraakte uitzendingen bekeken.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 maart 2008. Namens klagers is daar mr. Nix verschenen vergezeld door A. Farsi, voorzitter NMO, R. Alibux, bedrijfsleider NMO, L. Koster, hoofd bedrijfsbureau NMO, en M. Amzourou, hoofd facilitair bureau NMO. Bouyafa, Khairoun en Nanhekhan waren niet aanwezig.   
Aan de zijde van verweerders zijn voornoemde Chakrabarty, H. van der Parre, adjunct-hoofdredacteur, C. Kuyl, hoofdredacteur, en J. Eikelboom, verslaggever, verschenen. Zij zijn bijgestaan door mr. Doeleman en mr. J. van Woudenberg, advocaten te Amsterdam, en mr. M. van Lieshout, hoofd juridische zaken NPS. Mr. Nix en mr. Doeleman hebben de standpunten van partijen nader toegelicht aan de hand van pleitnotities.
 
Vanwege de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.
 
DE FEITEN
 
Op 11 oktober 2007 is in het televisieprogramma NOVA een reportage uitgezonden met de titel “Radicale Moslims nemen de macht over bij Nederlandse Moslim Omroep”. De reportage wordt door de presentator, Twan Huys, ingeleid als volgt:
“De Nederlandse Moslim Omroep – goed voor twee en een half uur zendtijd per week – staat voor een liberale islam. Maar daar lijkt verandering in te komen. Sinds de fusie met de conservatieve concurrent, de Nederlands-Islamitische Omroep, maken radicale moslims in het bestuur de dienst uit. Een van de nieuwe bestuursleden zou zelfs banden hebben met de fundamentalistische Moslim-Broederschap. Een verslag van Hein Hansen en Arnob Chakrabarty.”
 
In de reportage komt vervolgens het volgende aan de orde:
Voice-over: “De Nederlandse Moslim Omroep moet een afspiegeling zijn van alle soorten moslims in Nederland. Ook de grootste tegenstanders zijn er altijd welkom. (…) Maar voor hoe lang nog. Onlangs werd een coup gepleegd door orthodoxe krachten. De zeer liberale Alevitische moslims zijn zonder enig overleg uit de omroep gezet.”
M. Inci, woordvoerder Alevitische gemeenschap: “Ik denk dat wij te liberale opvattingen hebben in vergelijking met hun.”
Interviewer: “Is dat ook de reden, denkt u, waarom u er eigenlijk min of meer uitgebonjourd bent?”
Inci: “Ik denk dat dat de grootste reden zal zijn ja.”
Voice-over: “Ook de vrijzinnige Surinaamse Ahmadiyya moslims mogen niet meer mee doen.”
M. Mahawat Khan, woordvoerder Ahmadiyya gemeenschap: “In de ogen van zo velen zijn we kennelijk veel te liberaal en veel te vrijzinnig eigenlijk. En dat is, in hun ogen zijn wij geen goede moslims. En het komt hen nu gelegen uit om ons nu er uit te donderen.”
Voice-over: “Het nieuwe acht leden tellende overkoepelende bestuur bestaat inmiddels uitsluitend nog uit strenge orthodoxe moslims. Een aantal van hen zou in de gaten worden gehouden door de AIVD. Yahia Bouyafa bijvoorbeeld. Hij heeft nauwe banden met de extremistische Moslim-Broederschap. En Abdelmajid Khairoun, voorzitter van de Omar al-Farouq moskee in Utrecht. In 2001 werd de imam van deze moskee het land uitgezet wegens spionage activiteiten voor de Libische geheime dienst. En Mohamed Nanhekhan, lid van de radicale beweging World Islamic Mission.”
Mahawat Khan: “Als je het heel duidelijk moet zeggen dan is het een coup of een broedermoord. Een, een, ja, zo zou ik het willen noemen, een broedermoord. Uitgerekend in een tijd van ramadan hebben ze iets gedaan wat ze eigenlijk niet hadden moeten doen. En gewoon ons voor de gek gehouden.”
Inci: “Er is een paleisrevolutie gaande blijkbaar. En partners waar wij altijd mee samen werkten hebben ons er uit gebonjourd. En buiten onze rug om met een andere instantie onderhandeld en een nieuwe stichting gevormd voor de islamitische omroep.”
Voice-over: “Televisiemaker Rob Hof werkt veel voor de NMO. Hij maakt zich ernstige zorgen.”
R. Hof, documentairemaker: “Zo’n omroep moet alle groepen, alle bloedgroepen binnen die islam vertegenwoordigen. Net als binnen het protestantisme heb je heel veel verschillende richtingen. Je hebt meer liberale richtingen en je hebt meer orthodoxe richtingen. Je kunt in ieder geval niet lui gaan uitsluiten, wat nu gebeurt. Daarop, eh, ik denk niet dat zo’n omroep gefinancierd zou moeten worden.”
Voice-over: “Het Commissariaat voor de Media is verantwoordelijk voor de diversiteit binnen de moslimomroep.”
I. Brakman, voorzitter Commissariaat voor de Media: “Vooralsnog heb ik geen aanleiding om te zien dat er mensen in het bestuur zitten die er niet thuis horen. Als dat wel zo is dan ga ik er van uit dat ik dat hoor óf van het ministerie van Justitie óf van de AIVD. En dan zullen wij aan de slag moeten.”
Interviewer: “De AIVD is met een rapport gekomen waaruit blijkt dat de orthodoxe, misschien wel fundamentalistische stroming in Nederland steeds meer invloed krijgt. Is dit een voorbeeld daarvan?”
Mahawat Khan: “Ik kan niet ontkennen dat dit daar een mooi voorbeeld van is, ja. Het is een mooi voorbeeld van dat dit ook op die manier eigenlijk aan toe gegaan is. En de overheid werkt er aan mee. Kijk, de overheid bestaat niet. Er zijn diverse groeperingen mee bezig. Maar als het Commissariaat voor de Media er aan mee werkt en andere partijen stellen geen vragen, als de Kamerleden geen vragen stellen dan krijg je dit, dan blijf je dit houden.”
In de studio vervolgt Twan Huys: “Het nieuwe bestuur was niet bereid tot enig commentaar. PvdA-kamerlid Dijsselbloem maakt zich grote zorgen. Hij ziet een toenemende invloed van de conservatieve islam in verschillende islamitische organisaties in Nederland.”
Daarna wordt een interview met de heer Dijsselbloem weergegeven:
Dijsselbloem: “Ik vind niet dat we moeten toestaan dat bijvoorbeeld de zendtijd voor moslims in Nederland wordt gekaapt door een extremistisch gezelschap. En ik vind ook dat de minister daartegen moet optreden.”
Interviewer: “Wat kan de minister doen?”
Dijsselbloem: “Hij kan met de Mediawet en het Mediabesluit in de hand zeggen: dit is niet meer representatief voor de Nederlandse moslims. Hier komt de verscheidenheid binnen de Nederlandse moslims niet meer goed uit de verf. Dus is het bestuur te eenzijdig samengesteld en dan kan hij ingrijpen.”
Interviewer:”Ondertussen is het wel gebeurd. Het bestuur zit er. Heeft al de touwtjes in handen ook. Beslist mee over nieuwe programmering. Op welke termijn zou er iets moeten gebeuren?”
Dijsselbloem: ”Dat moet op heel korte termijn. Maar voor de toekomst is misschien belangrijk dat informatie bijvoorbeeld van de AIVD over deze fundamentalisten en op welke manieren ze proberen te infiltreren, dat soort informatie ook bij bijvoorbeeld ministers terecht komt. Of bij het Commissariaat voor de Media, zodat er ook preventief wat kan gebeuren.”
Interviewer: “Welk gevaar schuilt er in het oprukken van deze fundamentalisten?”
Dijsselbloem: “Nou, je ziet dat ze moskeeën overnemen. Ze dreigen dus nu of hebben al overgenomen de Nederlandse Moslim Omroep. En dat betekent dat ze gewoon hun invloed steeds verder vergroten. En daarmee ook steeds meer jongeren in hun invloedssfeer kunnen krijgen. En dat lijkt me voor de Nederlandse samenleving als geheel echt een groot gevaar.”
 
Naar aanleiding van deze reportage is in de uitzending van NOVA van 23 oktober 2007 de volgende tekst uitgesproken:
“In de NOVA-uitzending van 11 oktober jongstleden over de conservatieve machtsgreep bij de Nederlandse Moslim Omroep werd gesteld dat bestuurslid Yahia Bouyafa, van de NMR, nauwe banden onderhield met de Moslim Broederschap. Deze bewering was gebaseerd op informatie van twee mondelinge bronnen en een artikel in De Telegraaf van 4 augustus dit jaar. De informatie van De Telegraaf is inmiddels door de rechter verworpen, omdat die banden niet aannemelijk konden worden gemaakt.”
 
Vervolgens is op 8 februari 2008 in NOVA wederom aandacht aan de kwestie besteed, in een reportage met de titel “Nederlandse Moslim Omroep in handen conservatieven”. Presentatrice Clairy Polak leidt deze vervolgreportage als volgt in:
“En dan nu de Nederlandse Moslim Omroep, bedoeld om het liberale moslimgeluid te laten horen, die verkeert in een crisis. Het bestuur van de NMO is uiteengevallen, directeur Frank William zit gedwongen thuis, programmamakers zijn aan de kant gezet en van de unieke samenwerking met de Joodse Omroep is ook niets meer over. Een en ander lijkt het gevolg van een machtsovername door conservatieve moslims waar NOVA al eerder over berichtte. Kijkt u naar een bijdrage van Arnob Chakrabarty en Jan Eikelboom.”
Na een inleiding met beelden van NMO-uitzendingen, bevat de reportage het volgende:
R. Hof, oud-programmamaker NMO: “De situatie nu is iets van een totale chaos, ontreddering, mensen die onterecht zijn ontslagen, afspraken die niet meer worden nagekomen, angst voor een bestuur, een directeur die onrechtmatig ontslagen is, die niet meer toegelaten wordt. Het is een publieke omroep, die die naam niet meer verdient.”
Voice-over: “Je zou het bijna symbolisch kunnen noemen. Bij het pand van de Nederlandse Moslim Omroep wordt flink verbouwd. Er waait een orthodoxe wind bij de ooit zo liberale omroep. Half oktober onthulde NOVA dat conservatieve moslims tegenwoordig de dienst uit maken bij de NMO.”
Vervolgens wordt een aantal fragmenten van de reportage van 11 oktober 2007 getoond, waarna de voice-over meldt: “De NMO blies een kort geding over deze reportage op het laatste moment af, maar dreigt nog steeds met gerechtelijke stappen tegen NOVA. Intussen wordt steeds duidelijker dat de NMO een nieuwe koers vaart. Met de buren van de Joodse Omroep is geen enkel contact meer. De deur is ook letterlijk dicht.”
A. Betsalel, directeur Joodse Omroep: “Dat was in ’t verleden heel anders. Er werd samengewerkt, er werd in en uit gelopen. We hebben co-producties gemaakt op alle platforms; internet, televisie. Grote producties samen gemaakt waar we zelfs de Nipkov-schijf 2007 mee hebben gewonnen. Dus, ja, eigenlijk een prachtig voorbeeld van hoe joden en moslims prima met elkaar samen kunnen werken.”
Interviewer: “Maar daar is nu niks meer van over?”
Betsalel: “Eh, ja, eigenlijk, helaas nee, niet nee.”
Voice-over: “Bij de NMO was vroeger alle ruimte voor afwijkend geluid. Ook de grootste tegenstanders van de islam kwamen er aan het woord.”
Na een aantal beelden van NMO-uitzendingen, waarin onder meer Hirsi Ali en Theo van Gogh aan het woord komen, zegt Hof: “Er was een liberaal, islamitisch geluid, open staan voor iedereen. Meteen na het ontslag van Frank William werden alle programma’s die in die richting verder zouden gaan geblokkeerd.”
Voice-over: “Het programma Meeting Point is altijd het paradepaardje geweest van de liberale NMO. Het behandelt onderwerpen die gevoelig liggen bij moslims. Zoals afvalligheid en homoseksualiteit. De productiemaatschappij heeft onlangs gehoord dat het contract niet wordt verlengd. TV-producent Ingrid Willemse zou voor de NMO het programma 1001dag maken; een 12-delige dramaserie die een brug moest slaan tussen moslims en niet-moslims. Het project werd van de ene op de andere dag stop gezet.”
I. Willemse, tv-producent: “Drie jaar lang hebben we intensief contact gehad, keihard gewerkt, met de NMO continu contact gehad. Overleg, medewerking, zwart op wit afspraken gemaakt, ook toezeggingen zwart op wit, ook voor de financiën. En opeens was het over.”
Voice-over: “Met deze brief werd de samenwerking opgezegd.”   
Daarna wordt voorgelezen uit een brief: “Wij moeten jullie helaas mededelen dat we niet verder kunnen participeren in de productie van 1001dag. De twee voornaamste redenen zijn de financiële beperkingen van de NMO en de programmatische inhoud van 1001dag.”
Interviewer: “Volgens de NMO was er geen geld. Was er inderdaad geen geld?”
Willemse: “Onzin. Een paar weken voor die hele koerswijziging hebben we nog zwart op wit gekregen dat het geld er gewoon was. Dus wat er overblijft is ‘programmatische inhoud’ van 1001dag. Wat drie jaar lang als prioriteitsproject werd aangemerkt, en opeens is dat niet meer aan de orde. Dus ja, het blijft natuurlijk speculeren, maar ik denk dat er bij de NMO geen plaats meer is voor een liberale programmering waarin 1001dag perfect paste.”
Hof: “Naar mijn mening is het gewoon super belangrijk dat de 1 miljoen moslims die hier in Nederland leven gewoon gezien worden als Nederlanders. Dus dat je kijkt gewoon naar de eigen identiteit, maar tegelijkertijd, je bent Nederlander, maar je bent niet alleen Nederlander, je bent deel van een grotere wereld, je hebt natuurlijk met vele religies, vele culturen te maken. En daarover informeer je. Dat deed de islamitische omroep bij uitstek. Uniek in Nederland, uniek in Europa. En op dit ogenblik is het gewoon één of andere, ja, wat mij betreft een soort moskee-megafoon geworden.”
Voice-over: “Frank William, de directeur van de NMO en de grote man achter de liberale koers van de omroep zit intussen werkloos thuis. Hoewel de rechter heeft besloten dat hij onterecht is ontslagen, mag hij er van het bestuur niet meer in.”
Vervolgens worden enkele archiefbeelden getoond betreffende de rechtszaak over het ontslag van Frank William en komt diens advocaat, mr. W. van der Meer de Walcheren, aan het woord: “(…) Hij [William] ziet ook dat het gewoon heel slecht gaat met de NMO. Het wordt gewoon niet bestuurd, het wordt niet geleid, er gebeurt gewoon niks. Ik weet niet of u er wel eens komt, maar u kunt zien dat het er bijna donker is. En dat gaat hem zeer aan het hart, ja.”
De voice-over vervolgt daarna: “Niet alleen de directeur is niet meer welkom, ook de penningmeester mag er niet meer in. Glen Ilahibaks zat als liberale moslim in het NMO-bestuur. Maar toen hij kritische vragen stelde, werd hij op non-actief gesteld.”
Ilahibaks, NMO-bestuurslid: “De kritische vraag die ik gesteld heb, nou dat heeft heel snel geleid tot deze actie. En vanaf dat moment tot op heden ben ik helemaal uitgesloten van alle informatie.”
Interviewer: “U stelde een kritische vraag en u kon gaan?”
Ilahibaks: “En ik kon gaan.”
Interviewer: “Zo is het gegaan?
Ilahibaks: “Nou zoiets, ja.”
Voice-over: “Ilahibaks is niet het enige bestuurslid dat is vertrokken. In het register van de Kamer van Koophandel staan nog acht NMO-bestuurders vermeld. In werkelijkheid zijn er volgens advocaat Van der Meer nog maar drie of vier actief. De rest is geschorst of uit zichzelf opgestapt.”
Interviewer: “Hoe zou u die bestuurlijke situatie willen kenschetsen?”
Van der Meer de Walcheren: “Als crisis, absoluut. In onze democratische samenleving is dit eigenlijk niet toelaatbaar, nee.”
Voice-over: “Het Commissariaat voor de Media bevestigt dat het deze anonieme brief heeft ontvangen, waarin staat dat medewerkers van de NMO zich ontzettend zorgen maken over de negatieve ontwikkelingen.”
Vervolgens wordt uit een brief geciteerd: “Het NMO bestuur stelt niets voor. Op dit moment is de islamitische media in handen van Marokkanen. Wij melden dit, zodat u straks niet kunt zeggen dat u niet op de hoogte was.”
De interviewer vraagt daarna aan Ilahibaks: “Komt dit nog goed?”
Ilahibaks: “Ik hoop het, ik hoop het. Eigenlijk zou het te gek voor woorden zijn als dit niet goed zou kunnen komen. Want als aan de ene kant gevraagd wordt dat er mede geparticipeerd wordt in dit land door middel van de liberale islam en aan de andere kant toch de stekker er uit getrokken wordt, ja, dan is dat heel schizofreen aan het worden.”
In de studio sluit Polak de reportage af als volgt:
“Vanzelfsprekend hebben we de bestuurders van de NMO om commentaar gevraagd. NMO-voorzitter Farsi laat via de telefoon weten dat er helemaal geen crisis is bij zijn omroep, maar ondanks herhaalde verzoeken wil hij dit niet voor de camera toelichten. Intussen heeft een commissie van de publieke omroep onder leiding van Hans Dijkstal opheldering gevraagd bij de NMO.
Dit was NOVA. De gisteren aangekondigde reportage over Carla Bruni houdt u uiteraard van ons te goed.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Standpunt van klagers
Klagers stellen dat de reportages verschillende onjuistheden bevatten. Zo wordt onder meer ten onrechte gesproken van een fusie tussen de NMO en de Nederlandse Islamitische Omroep (NIO). Klagers leggen in dat verband uit dat tot voor kort de beschikbare zendtijd door het Commissariaat voor de Media werd verdeeld tussen de Nederlandse Moslim Raad (NMR), waarvan NMO de werkstichting is, en het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO), met als werkstichting de NIO. Vanwege een uitspraak van de Raad van State is deze zendtijdverdeling door het Commissariaat niet mogelijk. Om die reden is een Stichting Verzorging Islamitische Zendtijd (SVIZ) opgericht waaraan thans de volledige zendtijd wordt toebedeeld. Deze stichting verdeelt de zendtijd vervolgens gelijkelijk tussen de NMO en de NIO. Het bestuur van de SVIZ wordt door de NMR en het CMO samengesteld. Volgens klagers is dit niet aan te merken als een fusie. Er is enkel sprake van een nieuwe wijze van verdeling van de zendtijd.
Voorts wordt volgens klagers ten onrechte de indruk gewekt dat minderheden dan wel liberale organisaties uit de omroep zijn gezet. Klagers wijzen in dit kader allereerst op het feit dat de NMO reeds sinds 1993 op Nederlandse moslims gerichte programma’s uitzendt. In 2004 is het CMO opgericht als overlegorgaan tussen islamitische koepelorganisaties en de overheid. Bij de vorming van het CMO waren aanvankelijk ook de NMR, de Hak Der (de Federatie van de Alevitische gemeenschap) en de ULAMON (Unie van Lahore Ahmadiyya Moslim Organisaties) betrokken. Er bestond echter bij een aantal bij het CMO participerende organisaties weerstand tegen betrokkenheid van Alevieten en Ahmadiyya, omdat men deze stromingen niet als ‘echt’ islamitisch erkent. De Hak Der en de ULAMON zijn daarom buiten het CMO gebleven. Vervolgens heeft de NMR er eveneens voor gekozen om niet deel te nemen aan het CMO, juist vanwege het verzet tegen diversiteit. Dat betekende ook dat de NMO door het CMO niet als ‘zijn’ omroep werd beschouwd. In 2005 vroeg het CMO vervolgens eigen zendtijd aan. Toen bleek dat het voor het Commissariaat voor de Media niet mogelijk was om zowel aan het CMO als aan de NMO apart zendtijd toe te bedelen, is de SVIZ opgericht. Er is toen voor gekozen om de Hak Der en ULAMON buiten het bestuur van de SVIZ te houden, omdat dit de samenwerking met het CMO zou bemoeilijken. Het is begrijpelijk dat dit kwaad bloed heeft gezet bij onder meer Mahawat Khan van ULAMON. Hij heeft zich evenwel uitdrukkelijk bij brief van 25 oktober 2007 gedistantieerd van de wijze waarop zijn woorden in de uitzending zijn gebruikt; hij liet zich uit over de SVIZ en niet over de NMO. Het is nimmer het geval geweest dat de Alevieten en Ahmadiyya uit de NMO zijn gezet en ook nu zijn zij inhoudelijk door de NMO vertegenwoordigd. Zo is Mahawat Khan nog altijd NMO-bestuurslid en er wordt gezocht naar een vertegenwoordiger van Hak Der, sinds diens vertegenwoordiger onlangs om privéredenen is teruggetreden.
De ‘plotselinge samenwerking’ tussen de NMR en het CMO is derhalve ten onrechte gepresenteerd als een radicale machtsovername. Gelet op hetgeen hierboven is vermeld, is het zeer logisch dat er een samenwerking is ontstaan; anders zou verlies van zendtijd dreigen, aldus klagers.
Volgens hen is het voorts onjuist om een radicalisering van de omroep toe te schrijven aan de heren Khairoun en Bouyafa, die toenmalig NMO-directeur William zouden hebben ontslagen omdat zij van diens liberale beleid af wilden. Onder meer uit een door William, daags na zijn ontslag, opgesteld e-mailbericht blijkt dat deze voorstelling van zaken niet juist is. En evenmin blijkt uit de door verweerders overgelegde stukken dat van een radicalisering sprake is. Dat bepaalde medewerkers van de NMO in die stukken anoniem zouden willen blijven uit angst voor repercussies, is naar de mening van klagers pure laster.
De bewering dat Bouyafa, Khairoun en Nanhekhan in de gaten gehouden zouden worden door de AIVD achten klagers evenzeer lasterlijk. Daarbij wijzen zij erop dat het – gelet op de alertheid in de huidige samenleving met betrekking tot moslimfundamentalisme – niet ondenkbaar is dat de heren gescreend worden door de AIVD. In de reportage wordt evenwel ten onrechte de indruk gewekt dat de heren geschaduwd worden door de AIVD omdát ze een gevaar voor de staatsveiligheid zouden vormen. Daar worden voorts nog per individu lasterlijke uitspraken aan toegevoegd. Zo zou Nanhekhan lid zijn van de World Islamic Mission (WIM). De enkele omstandigheid dat hij op de site van een school, die gerund wordt door de WIM, als intern begeleider staat vermeld, betekent nog niet dat Nanhekhan zelf ook lid is van de WIM. Bovendien is Nanhekhan thans niet meer werkzaam bij die school.
Over Bouyafa wordt voorts ten onrechte beweerd dat hij lid zou zijn van de Moslim Broederschap. Ten aanzien van de stukken waarop verweerders zich baseren, merken klagers op dat ook De Telegraaf deze stukken heeft gebruikt voor een artikel. In dat verband heeft de Voorzieningenrechter in Amsterdam geoordeeld dat de stukken onvoldoende steun boden voor dergelijke beweringen over Bouyafa. En ook het rapport van Sandee, waarnaar verweerders verwijzen, biedt daarvoor geen steun, aldus klagers.
Ten aanzien van Khairoun wordt voorts vermeld dat hij voorzitter was van de moskee waarvan de imam wegens spionage activiteiten in 2001 het land werd uitgezet. Hiermee wordt ten onrechte de indruk gewekt dat naar aanleiding van die uitzetting Khairoun door de AIVD wordt geschaduwd. Verder zou Khairoun volgens verweerders NOVA een anti-islamitisch programma hebben genoemd. Gezien de recente gebeurtenissen en gelet op een aantal uitzendingen, lijkt dit niet héél ver van de werkelijkheid te zijn.
Wat betreft de uitlatingen van de heer Hof, menen klagers dat door hem wel erg snel de conclusie wordt getrokken dat de NMO niet meer gefinancierd zou moeten worden omdat de NMO een aantal stromingen zou uitsluiten. Klagers vermoeden dat Hof door zijn nauwe betrokkenheid bij de kwestie rond William geen nuchtere kijk meer heeft op de zaak. Ten aanzien van de uitlatingen van Dijsselbloem, merken klagers op dat de veronderstellingen over klagers ten onrechte aan Dijsselbloem als feiten zijn gepresenteerd. Gezien al het voorgaande is de reactie van Dijsselbloem vervolgens buiten proportie.
Klagers stellen voorts dat van hoor en wederhoor geen sprake was. Vooraf is alleen Khairoun gevraagd om een reactie. Dat is niet gebeurd ten aanzien van enig actief NMO-bestuurslid, noch Bouyafa, noch Nanhekhan. Na de uitzending is er contact geweest tussen NOVA en de advocaat van de heer Bouyafa. In een faxbericht van 23 oktober 2007 om 17.30 uur heeft NOVA voorgesteld diezelfde avond in de uitzending een door NOVA opgestelde tekst uit te spreken. Die tekst was echter volgens de advocaat van Bouyafa onaanvaardbaar, omdat daarmee onder meer het feit werd geïntroduceerd dat ‘mondelinge bronnen’ zouden getuigen van een verband tussen Bouyafa en de Moslim Broederschap. Volgens NOVA zouden deze bronnen nader worden ondervraagd en zou NOVA zich over de betrouwbaarheid van die bronnen uitlaten. Dat is niet gebeurd. Desondanks is de door NOVA voorgestelde tekst alsnog in de uitzending van 23 oktober 2007 uitgesproken, waarmee wederom een onjuist gerucht de wereld in werd geholpen.
Volgens klagers hebben verweerders de onzorgvuldige werkwijze herhaald bij de uitzending van 8 februari 2008. Zij hadden een kort geding aanhangig gemaakt over de uitzending van 11 oktober 2007. Enige dagen nadat zij hadden besloten om het kort geding in te trekken werd hen voorgesteld dat zij voor een vervolgreportage geïnterviewd zouden worden. De voorafgaande gang van zaken en de houding van verweerders in de kort geding-procedure hadden echter geleid tot onvoldoende vertrouwensbasis. Zolang een onafhankelijke derde niet over de zaak had geoordeeld, wensten klagers niet mee te werken. Toen de heer Chakrabarty contact opnam met de heer Farsi, met de vraag zich uit te laten over een aantal beweringen over de NMO, deelde Farsi mee dat het standpunt van de NMO met betrekking tot de medewerking niet gewijzigd was. Niettemin werd diezelfde avond de vervolgreportage uitgezonden, waarin zelfs door presentatrice Polak werd meegedeeld dat een andere geplande reportage later zou worden uitgezonden. Kennelijk was voor die reportage plotseling die avond geen ruimte meer.
Verweerders hebben naar het oordeel van klagers geenszins hun standpunt om de zaak niet in de publiciteit uit te spelen, gerespecteerd. Daarnaast hebben verweerders een aantal van hun eigen normen geschonden. Eén van die normen is dat journalisten enige beroepsmatige distantie houden ten opzichte van hun onderwerp. Klagers merken in dat verband op dat Chakrabarty ruim vier jaar bij de NMO heeft gewerkt.
Voorts is geen sprake van zorgvuldig bronnenonderzoek, aldus klagers. Zij wijzen erop dat een aantal personen aan het woord is gelaten met wie de NMO in een zakelijk conflict is geraakt. Niettemin krijgen die personen alle ruimte om hun verhaal te doen, zonder dat hen ook maar één kritische vraag wordt gesteld. Deze kritiekloze werkwijze strookt niet met artikel 2.2.5. van de Leidraad van de Raad. Bovendien dient de journalist te onderzoeken of de aantijgingen aannemelijk zijn. In dit kader merken klagers nog op dat de programma’s worden samengesteld door de programmaraad van de NMO, die los staat van het NMR-bestuur. Besloten is om het programma Meeting Point in eigen beheer te produceren, vandaar dat het contract met de productiemaatschappij is beëindigd. En wat het programma 1001dag betreft merken klagers op dat er reeds een financieel conflict was met mevrouw Willemse, hetgeen uiteindelijk tot beëindiging van de samenwerking heeft geleid. Dat deze programma’s vanwege een radicaliserend gedachtegoed niet meer mogelijk zouden zijn, is volgens klagers onjuist.
Al met al kan niet anders worden gezegd dan dat verweerders onzorgvuldig te werk zijn gegaan. De reportages zijn onjuist, tendentieus en kritiekloos. Aldus hebben verweerders de belangen en reputaties van klagers geschaad en grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Standpunt van verweerders
Verweerders stellen dat van onzorgvuldige berichtgeving geen sprake is. Daartoe wijzen zij allereerst op de verschillende organisaties en personen in de moslimwereld en brengen zij onder meer naar voren dat de NMR de sleutelhouder is van de NMO. Volgens verweerders hebben Khairoun en Bouyafa via een coup controle gekregen over het NMR-bestuur en aldus ook over de NMO. Zo werd de NMO een conservatieve/orthodoxe omroep, waardoor het liberale, vrijzinnige geluid binnen de moslimomroepen in het gedrang is gekomen. Dit is de kern van de NOVA-uitzending van 11 oktober 2007. Daarbij benadrukken verweerders dat het om niet meer ging dan het doorgeven van een boodschap, die door mannen uit de moslimwereld en anderen naar voren werd gebracht. Volgens verweerders hebben zij de feitelijke gevolgen van de machtsovername weergegeven en aldus een misstand, althans een zorgwekkende toestand, gesignaleerd. Dit is ook hun taak als publieke waakhond.
Verder staan verweerders stil bij de organisatie rond de NMO en de NMR, de oprichting van het CMO, de zendtijdverdeling door het Commissariaat voor de Media en de strijd tussen de verschillende moslimomroepen. Daaraan is door de media regelmatig aandacht besteed en de uitzendingen van NOVA borduren daarop voort, aldus verweerders. Volgens hen kan uit verschillende stukken worden opgemaakt dat het CMO zich star opstelde en pertinent weigerde om samen te werken met de Hak Der en ULAMON. Deze organisaties vreesden dan ook dat zij geen rol zouden krijgen in de nieuw te ontwikkelen samenwerkingsorganisatie. Die vrees bleek terecht; niet alleen zijn zij niet vertegenwoordigd in de SVIZ, zij waren zelfs niet op de hoogte van de vorming daarvan. Op dit moment zijn de vier NMR-posten in het bestuur van de SVIZ reeds actief en zal niet gemakkelijk binnen afzienbare tijd daaraan alsnog een vertegenwoordiger van de Alevieten of Ahmadiyya toegevoegd kunnen worden. Ook uit andere stukken kan worden opgemaakt dat het nieuwe NMR-bestuur de Hak Der en ULAMON heeft uitgesloten van deelname.
Verweerders erkennen dat de term ‘fusie’ niet geheel correct is, maar zij menen dat die term de feitelijke situatie voor een groter publiek helder maakt. Het is onmogelijk de werkelijke gang van zaken in een kort tijdsbestek duidelijker voor het voetlicht te brengen.
Verder wijzen verweerders erop dat Bouyafa, Khairoun en Nanhekhan erkennen dat zij in de gaten worden gehouden door de AIVD. Nergens in de uitzending wordt door verweerders gemeld dat zij in de gaten worden gehouden omdát zij een gevaar vormen voor de staatsveiligheid. Met betrekking tot hetgeen over Bouyafa naar voren is gebracht, stellen verweerders dat zij zich op twee mondelinge bronnen hebben gebaseerd. Weliswaar gold ook De Telegraaf aanvankelijk als bron, maar nadat de rechter zich over die publicatie had uitgesproken, hebben verweerders daar uitdrukkelijk afstand van genomen en nogmaals de twee bronnen bevraagd. Van onzorgvuldig handelen was dan ook geen sprake, aldus verweerders. Zij menen verder dat er voldoende aanknopingspunten zijn om de bewering dat Bouyafa banden heeft met de extremistische Moslim Broederschap, juist te achten. In dit kader wijzen verweerders onder meer op de beantwoording van een aantal Kamervragen van leden van de PVV en op het rapport van de heer Sandee. Bovendien zijn er stukken, waarschijnlijk afkomstig van de AIVD, die de conclusie van het rapport Sandee ondersteunen.
Wat de bewering over Nanhekhan betreft, merken verweerders op dat zij uit zijn functie bij een school, die gerund wordt door de World Islamic Mission, mochten afleiden dat hij in ieder geval de ideologie van die organisatie aanhangt. Daarbij wijzen zij er op dat een ‘intern begeleider’ niet zomaar een medewerker van een school is, maar juist iemand die zeer nauw bij het reilen en zeilen van de school is betrokken. Bovendien komt de samenstelling van het bestuur van de onderwijsstichting Iqra sterk overeen met die van de stichting World Islamic Mission.
Voorts achten verweerders van belang dat termen als ‘radicaal’, ‘fundamentalistisch’ en ‘extreem’ door hen vooral worden doorgegeven en aan de orde komen op basis van hetgeen anderen melden in de reportage. Zo wordt door NOVA zélf de term ‘radicaal’ alleen in de presentatietekst gebruikt en wordt verder in de uitzending alleen gesproken van ‘conservatief’ en ‘orthodox’. Voor het overige fungeert NOVA als doorgeefluik en geven verweerders ruimte aan de meningen van anderen in de samenleving. Verweerders merken daarbij op dat de organisaties en/of moskeeën waarmee Bouyafa, Khairoun en Nanhekhan terecht in verband zijn gebracht, wel degelijk bekend staan als conservatieve, radicale organisaties. Bovendien komt uit de verklaring van een oud-medewerker van de NMO naar voren dat zij hun conservatieve ideeën doorvoeren in de programmering van de NMO. Bouyafa, Khairoun en Nanhekhan behoren alle drie tot radicale moslimstromingen; zij zijn niet bereid om met andere stromingen samen te werken en zijn er bovendien op uit om andere stromingen zoveel mogelijk in hun speelruimte te beperken. Dat is ook de strekking van de uitzendingen.
Verder stellen verweerders dat niet zíj de indruk hebben gewekt dat de Alevieten en Ahmadiyya buiten spel zijn gezet door de NMO. Die indruk wordt veeleer gewekt door hetgeen een aantal van de geïnterviewden naar voren heeft gebracht. Ook hier geldt dus weer dat verweerders niet meer hebben gedaan dan samenvatten en doorgeven wat door anderen is gezegd. Voor zover Mahawat Khan nu stelt dat hij het over de deelname van Ahmadiyya in het SVIZ-bestuur had en niet over het NMO-bestuur, lijkt het er volgens verweerders op dat Mahawat Khan weer terug krabbelt. Hij wist heel goed dat hij werd geïnterviewd over de vorming van de SVIZ, die ten koste zou gaan van de autonomie van de NMO, omdat de liberale stromingen daar in strijd met eerdere afspraken niet in zouden zijn vertegenwoordigd. Gelet op hetgeen Mahawat Khan naar voren heeft gebracht kan het ook niet anders dan dat hij daarop heeft gedoeld. Overigens zijn de ontwikkelingen rond de SVIZ en de NMO nauw met elkaar verbonden.
Verweerders zetten vervolgens uiteen hoe volgens hen de machtsovername heeft plaatsgevonden. Daartoe gaan zij nader in op de wijze waarop Bouyafa en Khairoun tot het bestuur van de NMR zijn toegetreden en welke stroming zij vertegenwoordigen. Ook staan zij stil bij de voormalig voorzitter van de NMR, de heer Haselhoef. Al met al hebben Bouyafa en Khairoun er voor gezorgd dat de vertegenwoordigers van de Alevieten en Ahmadiyya in het NMO-bestuur blijvend op non-actief werden gesteld, zonder daartoe bevoegd te zijn. Bovendien hebben zij ook de SVIZ opgericht, waarin – tegen de afspraken in – ULAMON en de Hak Der niet zijn vertegenwoordigd.
Verder merken verweerders op dat het NMO-bestuur sinds 1 oktober 2007 nog maar drie actieve bestuurders kent. Ook hier blijkt dat Bouyafa en Khairoun vooral de dienst uit maken. Gelet op een brief van een aantal medewerkers aan het Commissariaat voor de Media maakt het personeel zich hier duidelijk zorgen over. Opvallend is dat de medewerkers alleen anonieme verklaringen wilden afleggen, uit angst voor (gewelddadige) represailles. In dat verband verwijzen verweerders tevens naar het ontslag van William. Volgens verweerders is de ware reden voor diens ontslag gelegen in het vrijzinnige beeld dat hij voorstaat. Khairoun en Bouyafa hebben een oneigenlijke reden aangegrepen om William te ontslaan, maar dat is – blijkens het vonnis van de voorzieningenrechter – mislukt.
Daarnaast maakt de penningmeester zich zorgen over het financiële beleid en komt de NMO programma-afspraken niet na. Uit verklaringen van (oud)-medewerkers kan worden opgemaakt dat Khairoun en Bouyafa de gang van zaken bij de NMO proberen te beïnvloeden en dat zij tevens het programmatische beleid bij de NMO bepalen. Daarbij is geen ruimte voor liberale islamitische stromingen en vrouwen. Khairoun en Bouyafa hebben er samen met Nanhekhan voor gezorgd dat NMR- en NMO-bestuurders die het niet met hen eens zijn, zijn opgestapt of verwijderd, zo blijkt volgens verweerders uit de verklaringen.
Er moet worden geconcludeerd dat Khairoun, Bouyafa en Nanhekhan, radicale moslims, feitelijk de dienst uit maken bij de NMO. Bovendien wordt de NMO vanuit de samenwerking met het conservatieve CMO ook radicaal en orthodox beïnvloed, aldus verweerders.
Met betrekking tot de vermelding dat de NMO niet meer gefinancierd zou moeten worden en aangepakt zou moeten worden door het Commissariaat voor de Media, merken verweerders op dat dit uitlatingen zijn van onder meer de heren Hof en Dijsselbloem. Er is geen sprake van dat verweerders daarbij bewust het draagvlak en voortbestaan van de NMO hebben willen ondermijnen.
Ten aanzien van de uitzending van 8 februari 2008 merken verweerders nog op dat het hen – anders dan klagers menen – vrijstaat een reportage te maken over welk onderwerp dan ook, ook al loopt daarover een juridische procedure. Zeker na intrekking van het kort geding achtten verweerders zich vrij om een vervolgreportage te maken. Dat de reportage over Carla Bruni niet door ging had daarmee overigens niets te maken. De vervolgreportage over de NMO stond al vanaf dinsdag 6 februari gepland.
Verder betwisten verweerders dat Chakrabarty uit een soort persoonlijke rancune aan de reportage heeft bijgedragen. Uit verschillende brieven blijkt dat de NMO zeer tevreden was over de samenwerking met Chakrabarty. Hij heeft zichzelf teruggetrokken als redactiecoördinator, omdat de baan uiteindelijk niets voor hem was en daarna heeft hij nog vier jaar met veel plezier en inzet programma’s gemaakt. Het onderwerp NMO is op een van de redactievergaderingen van NOVA naar voren gekomen, waarbij het zinvol leek Chakrabarty daarin een bijdrage te laten leveren, juist vanwege zijn uitgebreide kennis van de NMO.
Gelet op het onderwerp is het voorts begrijpelijk dat met name mensen aan het woord komen die in conflict zijn met de NMO. Wat zij hebben meegemaakt illustreert de machtsovername. Bovendien is de NMO tot drie keer toe de gelegenheid geboden om te reageren op hetgeen naar voren is gebracht. Door daar geen gebruik van te maken heeft de NMO het risico genomen dat haar visie op bepaalde zaken niet in de reportages zou worden opgenomen. Verweerders hebben zelfstandig onderzoek gedaan of de bronnen daadwerkelijk getuigen van een machtsovername, althans dat aannemelijk maken. Volgens verweerders waren de uitlatingen ter zake voldoende aannemelijk en mochten zij op de juistheid daarvan af gaan. Al met al hebben zij voldoende zorgvuldig onderzoek verricht. Indien de NMO gebruik had gemaakt van de gelegenheid tot wederhoor, had zij zelf kritische kanttekeningen daarbij kunnen stellen. Met betrekking tot de toepassing van wederhoor merken verweerders voorts nog op dat Chakrabarty Khairoun voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om in het kader van wederhoor zijn standpunt naar voren te brengen. Khairoun stond toentertijd als woordvoerder van NMO-gelegenheden vermeld. Khairoun heeft nimmer doorverwezen naar leden van het NMO-bestuur.
Verweerders concluderen dat zij niet hebben gehandeld op een wijze die, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk onaanvaardbaar is.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bevat – samengevat weergegeven – de volgende onderdelen:
  1. Verweerders hebben onjuist en tendentieus bericht over een vermeende machtsovername bij de NMO.
  2. Verweerders hebben onjuist en tendentieus bericht met betrekking tot de (vermeende) radicalisering van de NMO en de invloed daarvan op de programmering.
  3. Verweerders hebben niet op juiste wijze hoor en wederhoor toegepast.  
De Raad stelt voorop dat een journalist waarheidsgetrouw behoort te berichten. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht (zie punt 1.1. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek). Bovendien maakt de journalist in de berichtgeving een duidelijk onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen, en vermijdt de journalist eenzijdige en tendentieuze berichtgeving (zie punten 1.4. en 1.5. van de Leidraad).
 
Ad 1.
De Raad overweegt dat de organisatiestructuren van de Nederlandse Moslim Omroep (NMO), de Nederlandse Moslim Raad (NMR) en de Stichting Verzorging Islamitische Zendtijd (SVIZ), alsmede het inzicht in de betrokkenen daarbij, redelijk complex kunnen worden geacht. Zowel klagers als verweerders hebben zeer veel stukken overgelegd teneinde daar enige duidelijkheid in te verschaffen.
Ondanks deze complexe materie had het de voorkeur verdiend dat verweerders in de eerste reportage, van 11 oktober 2007, kort de verhouding tussen de organisaties aan de orde hadden gesteld, zodat het voor de kijker duidelijk was dat de geuite kritiek in eerste instantie met name betrekking had op de vorming van de SVIZ. Op die manier hadden de ontwikkelingen met betrekking tot de SVIZ in betere verhoudingen tot de eventuele ontwikkelingen rond de NMR en de NMO geplaatst kunnen worden.
Naar het oordeel van de Raad zijn de diverse ontwikkelingen enigszins kort door de bocht aan de NMO gekoppeld en hadden verweerders op dit punt meer zorgvuldigheid kunnen betrachten. Dit is echter onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerders met betrekking tot de berichtgeving over de veranderende machtsverhoudingen grenzen van de journalistieke zorgvuldigheid hebben overschreden. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat klagers hebben erkend dat de meer liberale islamitische stromingen thans niet in de SVIZ vertegenwoordigd zijn. Voorts zijn deze stromingen sinds kort evenmin in het NMR-bestuur vertegenwoordigd.
Weliswaar had de berichtgeving over een aantal bestuursleden minder ongenuanceerd naar voren kunnen worden gebracht, maar dat de huidige bestuursleden als conservatief kunnen worden aangemerkt, is niet onaannemelijk.
Een en ander in samenhang beziend is de Raad van oordeel dat met betrekking tot de berichtgeving over veranderende machtsverhoudingen in de organisatiestructuren, die van invloed zijn op de NMO, niet journalistiek ontoelaatbaar is gehandeld.
 
Ad 2.
De Raad stelt voorop dat bijzondere zorgvuldigheid is geboden bij de publicatie van beschuldigingen die afkomstig zijn van personen die ten tijde van de publicatie van het artikel in conflict zijn met de beschuldigde, of anderszins belanghebbende zijn. Zeker wanneer tegengestelde belangen en emoties een rol spelen, laten geschillen zich over het algemeen niet op een verantwoorde wijze beschrijven aan de hand van feiten en beweringen zoals deze door een der partijen gepresenteerd worden. In deze gevallen mag de betrouwbaarheid van één bron als brenger van objectieve feiten niet zonder meer worden aangenomen (zie punt 2.2.5. van de Leidraad).
In de uitzendingen is de indruk gewekt dat de NMO zodanig is geradicaliseerd dat er geen ruimte meer is voor liberale programma’s. In dat verband zijn alleen mensen aan het woord gelaten die zich in een conflictsituatie bevinden met de NMO. Dit is niet ten aanzien van alle geïnterviewden voor de kijker voldoende duidelijk gemaakt; enkelen zijn, ten onrechte, als objectieve bronnen gepresenteerd.   
Het had bovendien op de weg van verweerders gelegen om in de reportages op z’n minst uit een te zetten op welke wijze de programmering bij de NMO tot stand komt, bijvoorbeeld door aandacht te besteden aan de NMO-programmaraad en ter zake nader onderzoek te verrichten. Door dit na te laten en enkel subjectieve bronnen aan het woord te laten, biedt de berichtgeving voor de kijker weinig tot geen ruimte voor een ander oordeel dan dat de hiervoor bedoelde indruk feitelijk juist is.
Klagers hebben daarentegen slechts voldoende aannemelijk gemaakt dat de productie van een aantal programma’s in verband met een financieel conflict is beëindigd dan wel in eigen beheer zal worden voortgezet.
In dit verband is voorts van belang dat Chakrabarty werkzaam is geweest bij de NMO en derhalve bekend had moeten althans kunnen zijn met de wijze van programmeren en de werkwijze van de NMO-programmaraad. Nu verweerders er zelf voor hebben gekozen om Chakrabarty, als oud-medewerker van de NMO, de reportage te laten maken, behoorden zij ter zake extra zorgvuldigheid te betrachten.
Door aldus over de invloed van de (vermeende) radicalisering van de NMO op de programmering te berichten, hebben verweerders de grenzen overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Ad 3.
Niet is betwist dat verweerders voorafgaand aan de uitzending van 11 oktober 2007 contact hebben gehad met de heer Khairoun. Ook hier lijkt het onderscheid tussen enerzijds het NMR-bestuur en anderzijds de NMO van belang te zijn. De Raad ziet echter geen grond voor het oordeel dat verweerders er niet vanuit mochten gaan dat Khairoun ook namens de NMO sprak.
Met betrekking tot de uitzending van 8 februari 2008 hebben verweerders contact gehad met de heer Farsi. Dat deze niet voor de camera wenste te reageren in verband met de lopende juridische procedure behoefde voor verweerders geen reden te zijn om de reportage geen doorgang te laten vinden. Uit oogpunt van zorgvuldigheid had het wel in de rede gelegen dat verweerders in de uitzending hadden vermeld om welke reden de heer Farsi geen commentaar voor de camera wenste te geven.
De Raad ziet echter geen grond voor het oordeel dat klagers onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op hetgeen in de uitzending naar voren zou worden gebracht. Dat zij van de gelegenheid niet adequaat gebruik hebben gemaakt, kan verweerders niet worden verweten.
 
BESLISSING
 
Voor zover de klacht is gericht tegen de wijze waarop is bericht over de invloed van de (vermeende) radicalisering van de NMO op de programmering is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van NOVA en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op hun website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 23 mei 2008 door mr. A. Herstel, voorzitter, mr. B. Geersing, T.R. Harkema, M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.