2008/21 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Soliditree Exchange Services B.V.
 
tegen
 
G. van der Marel en de hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad
 
Bij brief van 22 februari 2008 met zes bijlagen heeft mr. drs. H.J.M.G. Franke, bestuurder en aandeelhouder, namens Soliditree Exchange Services B.V. te Amsterdam (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen G. van der Marel en de hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad (hierna: verweerders). Hierop heeft P. Elshout, adjunct-hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 17 maart 2008.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 11 april 2008 in aanwezigheid van voornoemde Franke. Verweerders zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 9 januari 2008 is in Het Financieele Dagblad een artikel van de hand van Van der Marel verschenen onder de kop “Het uur U voor teakbeleggers”. De intro van het artikel luidt:
“De deadlines voor het vergunningenregime voor teakbeleggingen zijn na twee jaar verstreken.”
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages:
“Voor Nederlandse beleggers, die in de loop der jaren samen € 500 mln staken in buitenlandse bomen, staat veel op het spel. Krijgt hun aanbieder een vergunning of niet? Scheutig is toezichthouder AFM niet met de felbegeerde papiertjes. Slechts zes van de 45 aanvragers hebben een vergunning gekregen, zo meldt de AFM.
Er zijn vergunningen voor het aanbieden van nieuwe, eigen exotische beleggingsproducten en er zijn vergunningen voor het bemiddelen voor producten van anderen.”
en
“21 aanbieders hebben hun aanvraag ingetrokken. Dertien aanbieders zijn definitief afgewezen. Ze zijn verdwenen uit het register. Geld zal er bij hen niet meer binnenkomen. Ze mogen alleen nog een ‘afwikkelingsplan’ optuigen.”
Bij het artikel is in een kader met de kop “Geen Vergunning – Voorbeelden:” een lijst gepubliceerd van dertien aanbieders, waaronder klaagster.
 
In een brief van 19 januari 2008 heeft klaagster haar bezwaren tegen de publicatie aan de hoofdredacteur van Het Financieele Dagblad kenbaar gemaakt en om een rectificatie verzocht.
Hierop heeft L. Willems, coördinator redactiegroep Ondernemingen, gereageerd bij e-mail van 24 januari 2008. Daarin heeft hij bericht dat naar het oordeel van verweerders geen sprake is van onjuiste en tendentieuze berichtgeving. Voorts heeft Willems aan klaagster laten weten dat Het Financieele Dagblad zich op geen enkele manier verplicht voelt om te rectificeren, maar klaagster wel van dienst wil zijn door een aanvulling op de berichtgeving te publiceren.
Vervolgens heeft Willems in een e-mail van 30 januari 2008 aan klaagster een tekstvoorstel voor de aanvulling toegestuurd.
In reactie daarop heeft klaagster bij e-mail van 31 januari 2008 bericht dat zij zich in de voorgestelde tekst niet kan vinden, omdat daarin de misleidende berichtgeving grotendeels in stand wordt gelaten. Verder heeft klaagster een voorstel tot wijziging van de tekst gedaan met het verzoek die tekst te plaatsen in een vet omlijnd kader over twee kolommen op pagina 3 van Het Financieele Dagblad. Daarop zijn verweerders niet ingegaan.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Klaagster maakt bezwaar tegen het gewraakte artikel omdat daar onjuistheden in staan die haar in haar reputatie hebben aangetast en schade hebben toegebracht. Zo wordt in het artikel gewezen op de invoering van het nieuwe vergunningenregime door de AFM. De boodschap van het artikel luidt dat wie geen vergunning heeft, zijn plek verliest in de markt en kan worden afgeschreven. Wie definitief geen vergunning heeft gekregen, mag alleen nog een afwikkelingsplan optuigen waarna de onderneming feitelijk ophoudt te bestaan. Nu klaagster in een kader bij het artikel wordt genoemd als één van de aanbieders die geen vergunning hebben gekregen, wekt het artikel de suggestie dat de AFM haar de vergunning heeft geweigerd en dat zij van de markt zal verdwijnen, aldus klaagster. Uit de vermelding blijkt dat verweerders geen onderzoek hebben gedaan en dat zij zich niet hebben verdiept in de werkelijke ondernemingsactiviteiten van klaagster. Daartoe wijst klaagster erop dat zij geen aanbieder is van beleggingsobjecten, maar dat zij bemiddelt voor financiële producten van anderen. Particuliere beleggers en intermediairs kunnen via de websites van klaagster hun beleggingsobjecten aanbieden.
Ter zitting heeft Franke meegedeeld dat klaagster weliswaar in eerste instantie bij de AFM een vergunning had aangevraagd voor het aanbieden van beleggingsobjecten, maar dat na overleg met de AFM bleek dat haar diensten gekwalificeerd moesten worden als het bemiddelen in beleggingsobjecten. Als gevolg daarvan heeft klaagster haar vergunningsaanvraag voor het aanbieden van beleggingsobjecten omgezet in een vergunningsaanvraag voor het bemiddelen in beleggingsobjecten. Op 31 augustus 2007 heeft de AFM deze vergunning aan klaagster verleend, hetgeen eenvoudig valt op te maken uit het register van de AFM. Deze feiten rijmen niet met de in het artikel gewekte suggestie dat haar de vergunning is geweigerd en dat zij nu een ‘afwikkelingsplan’ zou moeten optuigen, aldus klaagster. Juist omdat het hier gaat om financieel-economische berichtgeving is een dergelijk diskwalificerende mededeling zeer schadelijk voor de reputatie en daarmee de bedrijfsvoering van klaagster. Dit alles klemt temeer nu zij voorafgaand aan de publicatie in het geheel niet is gehoord, aldus klaagster.
Zij wijst er verder op dat het lijstje in het artikel ook wordt gebruikt door andere media, die er doorgaans van uitgaan dat Het Financieele Dagblad juist heeft bericht. Zo is klaagster onder meer door NRC Handelsblad benaderd, ter verificatie van de gegevens.
Ten slotte stelt klaagster dat verweerders ten onrechte geweigerd hebben het bericht te rectificeren. Ter zitting heeft Franke desgevraagd toegelicht dat klaagster niet akkoord kon gaan met het tekstvoorstel van verweerders, omdat door die tekst de onjuiste berichtgeving onvoldoende zou worden rechtgezet. De wijzigingen die klaagster in dat tekstvoorstel heeft aangebracht behelzen wellicht enkel nuanceringen, maar door zoveel mogelijk bij het voorstel van verweerders te blijven hoopte klaagster tot een compromis te kunnen komen.
Klaagster betoogt dat verweerders aldus journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld.
 
Verweerders stellen dat de berichtgeving correct is en dat zij zich daarom op geen enkele wijze verplicht voelen de berichtgeving te rectificeren. Desondanks hebben zij klaagster aangeboden een tekst op te nemen in de erratarubriek, die een vaste plaats heeft op de Servicepagina. Daartoe hebben verweerders klaagster een concepttekst toegezonden. Klaagster stuurde vervolgens een alternatieve tekst en eiste dat een correctie zou worden geplaatst op pagina 3 met een voor dit soort berichten ongebruikelijke vorm, te weten: een vette omlijning. Bovendien eiste klaagster dat er een interview met haar geplaatst zou worden in de krant.
Verweerders menen dat zij met hun aanbod ruimschoots aan de bezwaren van klaagster en hun journalistieke plicht tegemoet zijn gekomen. De alternatieve tekst van klaagster wijkt niet wezenlijk af van het tekstvoorstel dat verweerders aan klaagster hebben voorgesteld. Echter, die tekst is onnodig veel langer, en dergelijke berichten horen thuis in de vaste rubriek op de Servicepagina. Ten slotte stellen verweerders dat interviews alleen worden geplaatst als die voor hen journalistiek relevant zijn.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Klaagster heeft gemotiveerd gesteld dat haar activiteiten zich niet richten op het aanbieden van beleggingsproducten maar op bemiddeling, dat zij daarvoor sinds 31 augustus 2007 beschikt over de benodigde vergunning van de AFM en dat zulks blijkt uit het AFM-register. Verweerders hebben een en ander niet betwist, zodat daarvan uitgegaan kan worden.
Voorts is aannemelijk gemaakt dat klaagster geen vergunning voor het aanbieden van beleggingsobjecten is geweigerd maar dat klaagster deze aanvraag zelf heeft omgezet in een aanvraag voor een vergunning voor het bemiddelen in beleggingsobjecten, welke haar is verleend.
 
Het artikel van 9 januari 2008 gaat over aanbieders van beleggingsproducten en het toekennen c.q. afwijzen van vergunningen ter zake door de AFM. Klaagster is genoemd in de lijst die in een kader is gepubliceerd onder de kop “Geen Vergunning – Voorbeelden”. Naar het oordeel van de Raad wordt de lezer weinig ruimte gelaten voor een andere conclusie dan dat klaagster op de markt opereert als aanbieder van beleggingsproducten, maar dat zij nu haar activiteiten moet staken (een ‘afwikkelingsplan’ moet optuigen) omdat haar vergunningsaanvraag voor het aanbieden van beleggingsproducten door de AFM is afgewezen.
Aldushebben verweerders zonder deugdelijke grondslag wezenlijk onvolledig en daardoor onjuist over klaagster bericht.
Verweerders hadden dit eenvoudig kunnen voorkomen door ten aanzien van klaagster wederhoor toe te passen, hetgeen zij – hoewel sprake was van een publicatie die voor klaagster diskwalificerend was – ten onrechte hebben nagelaten (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek).
 
Bijzondere omstandigheden die de handelwijze van verweerders zouden kunnen rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken. Verweerders hebben derhalve met de berichtgeving van 9 januari 2008 journalistiek onzorgvuldig jegens klaagster gehandeld.
 
Bovendien behoort de journalist van wie blijkt dat hij onjuist dan wel op een wezenlijk punt onvolledig heeft bericht – zo mogelijk op eigen initiatief – op zo kort mogelijke termijn over te gaan tot een passende en ruimhartige rechtzetting, die ondubbelzinnig duidelijk maakt dat de berichtgeving in de te rectificeren publicatie niet juist was (zie punt 6.1. van de Leidraad). Verweerders hebben dit ten onrechte nagelaten en aldus ook op dit punt journalistiek ontoelaatbaar gehandeld. Dat partijen met elkaar in overleg waren getreden over een op te nemen rectificatie en dat zij het over de tekst daarvan niet (geheel) eens werden, ontslaat de journalist niet van zijn verplichting de onjuistheden c.q. onvolledigheden eigener beweging recht te zetten.
 
De Raad komt dan ook tot de slotsom dat verweerders, door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld, grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Financieele Dagblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 2 mei 2008 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. A.C. Diamand, mw. mr. H.M.A. van Meurs, drs. L.W. Verhagen en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L.F. Egmond, plaatsvervangend secretaris.