2008/19 ongegrond onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
C.L.P. Gerverdinck
 
tegen
 
C. Sanders en de hoofdredacteur van De Telegraaf
 
Bij brief van 17 januari 2008 met vier bijlagen heeft C.L.P. Gerverdinck te Amsterdam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen C. Sanders en de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerders). Hierop heeft C. Sanders geantwoord in een brief van 1 februari 2008.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 29 februari 2008 in aanwezigheid van klager. Verweerders zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 29 april 2007 is in De Telegraaf een artikel verschenen onder de kop “Stuur uw eigen verhaal” en de onderkop “Voor boek vol persoonlijke documenten over Tweede Wereldoorlog”. De oproep luidt:
“Het relaas van Spitfire-vlieger Leo Hendrikx getuigt van jeugdige moed. De Telegraaf vraagt lezers om hún persoonlijke en bijzondere ervaringen, opgedaan tijdens de Tweede Wereldoorlog. De generatie die de donkere periode van toen bewust heeft meegemaakt, sterft langzaam uit, hoe cru dat misschien ook klinkt. Voorkomen moet worden dat waardevolle geschiedenis verloren gaat. Wat gebeurde er met u in de hongerwinter van 1944, wat was het lot van de onderduikers die uw ouders thuis hadden? Foto’s van de Duitse bezetter, maar ook brieven van familieleden of hachelijke avonturen worden gebundeld in een boek, een uniek stukje historie.”
Geschreven kon worden naar C. Sanders.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij naar aanleiding van de oproep telefonisch bij Sanders heeft geverifieerd of de oproep ook de Pacific betreft en dat hij vervolgens per e-mail documenten betreffende een deel van de oorlogsbelevenissen van zijn vader heeft ingezonden. Zijn klacht richt zich tegen de wijze waarop verweerders vervolgens hebben gehandeld. Het gaat hem er met name om dat een reactie van de zijde van verweerders is uitgebleven.
Ter toelichting brengt klager naar voren dat de periode waarin het klachtentraject zich heeft op- en uitgebouwd dateert van eind oktober tot heden. Hij voert aan dat hij na zijn inzending niets van verweerders heeft vernomen, totdat hij er zelf achteraan is gegaan. Uiteindelijk heeft klager eind oktober 2007 telefonisch contact gehad met Sanders, die liet weten dat het nog wel een half jaar langer kon gaan duren. In dat gesprek heeft klager aan Sanders meegedeeld dat hij niet langer prijs stelde op plaatsing van zijn inzending. Klager kwalificeert de opstelling van Sanders als krachtloos en onbeschoft.  
Het gaat klager niet om het al dan niet plaatsen van zijn inzending, maar om de wijze waarop hij is bejegend. Klager acht het onfatsoenlijk hoe verweerders omgaan met de inzendingen over een gevoelig en emotioneel onderwerp, die zij bovendien over zichzelf hebben afgeroepen. Er is sprake van een onbalans tussen hetgeen klager op schrift heeft gesteld en de reactie van verweerders. Verweerders hadden de reacties op een ordentelijke wijze dienen af te handelen en de aanbieders van de stukken een reguliere update van de stand van zaken te verstrekken, bijvoorbeeld door eens in de twee maanden in de krant daarover te berichten.
Klager heeft zijn klacht vervolgens in een e-mail van 6 december 2007 kenbaar gemaakt aan de hoofdredacteur, maar die heeft daarop niet gereageerd.
 
Verweerders stellen dat de klacht op geen enkele wijze een inhoudelijk journalistiek bezwaar betreft. Klager voelt zich onheus bejegend door Sanders, toen hij belde en informeerde naar de status van het door hem ingezonden stuk. Op de oproep kwamen ruim 3000 reacties en de verwerking daarvan kost nu eenmaal tijd, hetgeen Sanders aan klager heeft geprobeerd uit te leggen. Klager accepteerde die uitleg echter niet.
Naar de mening van verweerders gaat het hier derhalve niet om een journalistiek geschil.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Allereerst is de vraag aan de orde of sprake is van een journalistieke gedraging in de zin van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek. Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan: “een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep”.
Verweerders hebben lezers uitgenodigd verhalen in te sturen ten behoeve van publicatie in boekvorm. Daarmee worden de door verweerders in dat kader verrichte gedragingen – en dus ook de manier waarop de inzending van klager door verweerders is afgehandeld – binnen het kader van een hiervoor bedoelde ‘journalistieke gedraging’ getrokken, zodat de Raad bevoegd is daarover te oordelen.
 
De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
  1. de wijze waarop klager door Sanders is bejegend tijdens het tussen hen gevoerde telefoongesprek;
  2. het niet (eigener beweging) reageren op de inzending van klager en zijn e-mail van 6 december 2007 aan de hoofdredacteur.
Ad 1.
Klager heeft gesteld dat hij in het telefoongesprek met Sanders onheus is bejegend, hetgeen door Sanders gemotiveerd is betwist. Nu geen materiaal voorhanden is waaruit blijkt wat in dat telefoongesprek precies is voorgevallen, kan de Raad niet vaststellen welk standpunt juist is en onthoudt hij zich ter zake van een oordeel. (vgl. onder meer: RvdJ 2007/80)
 
Ad 2.
De Raad heeft er begrip voor dat de handelwijze van verweerders klager niet welgevallig is. Het zou verweerders niet hebben misstaan als zij eigener beweging op de inzending van klager hadden gereageerd en daarbij het verdere verloop ten aanzien van de productie van het boek uiteen hadden gezet.
 
Voorts zou het de hoofdredacteur van De Telegraaf hebben gesierd als hij naar aanleiding van de e-mail van klager, contact met klager zou hebben opgenomen. Partijen zouden dan wellicht tot elkaar hebben kunnen komen.
 
Dat verweerders een en ander hebben nagelaten kan echter niet leiden tot het oordeel dat zij grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat het uitblijven van een reactie op de e-mail van klager zonder meer duidelijk maakte dat de hoofdredacteur zich niet met de daarin vervatte standpunten van klager kon verenigen. (vgl. onder meer: RvdJ 2006/36)
 
BESLISSING
 
Voor zover de klacht is gericht tegen het niet (eigener beweging) reageren op klagers inzending en zijn e-mail van 6 december 2007 is deze ongegrond. Voor het overige onthoudt de Raad zich van een oordeel.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 24 april 2008 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, dr. M.J. Broersma, mw. drs. M.G.N. Mathot, drs. P. Sijpersma en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L. Bultman-den Haan, plaatsvervangend secretaris.