2008/18 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake het wrakingsverzoek van
 
mr. F.R. van der Vliet
 
Bij brief van 3 februari 2008 met drie bijlagen, door de Raad ontvangen op 6 februari 2008, heeft mr. F.R. van der Vliet te Den Haag (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het NRC Handelsblad. Vervolgens heeft enige correspondentie plaatsgevonden tussen klager en de secretaris van de Raad betreffende de klachtprocedure. Bij brief van 18 februari 2008 heeft de secretaris aan klager bericht dat zijn klacht zou worden behandeld ter zitting van de Raad van 14 maart 2008. In een brief van 2 maart 2008 heeft klager onder meer laten weten dat de door de secretaris vastgestelde zittingsdatum naar zijn mening in strijd is met het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek en verzocht om een uitspraak van de voorzitter van de Raad ter zake. Bij brief van 7 maart 2008 heeft de secretaris, in overleg met de voorzitter van de Raad, mr. A. Herstel, nogmaals aan klager bericht dat zijn klacht zou worden behandeld op de zitting van 14 maart 2008, waarbij de Raad was samengesteld als volgt:
-          mr. C.A. Streefkerk;
-          drs. G.T.M. Driehuis;
-          prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman;
-          mw. drs. J.X . Nabibaks;
-          mr. A.H. Schmeink.
 
Bij brief van 12 maart 2008 heeft klager een verzoek om wraking van die voltallige kamer van de Raad ingediend. Ter zitting van 14 maart 2008 heeft klager desgevraagd meegedeeld zijn wrakingsverzoek te willen handhaven. Dit wrakingsverzoek is vervolgens behandeld ter zitting van de Raad van 28 maart 2008, waar klager is verschenen.
 
Vanwege de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, heeft klager desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.
 
Onmiddellijk bij aanvang van de zitting heeft klager een verzoek om wraking van de voorzitter van de Raad tevens voorzitter van de kamer van de Raad van 28 maart 2008, mr. A. Herstel, ingediend.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK OM WRAKING VAN MR. A. HERSTEL
 
Volgens klager is de heer Herstel als voorzitter van de Raad betrokken geweest bij de procedure voorafgaand aan de zitting van 14 maart 2008, waar zijn klacht tegen het NRC Handelsblad zou worden behandeld. Nu zijn verzoek om wraking van 12 maart 2008 met name betrekking heeft op die voorafgaande procedure, is klager van mening dat de heer Herstel niet voldoende onpartijdig is om van dat verzoek om wraking kennis te nemen en te behandelen.
 
Gehoord het verzoek hebben de niet-gewraakte leden van de Raad conform artikel 7 lid 5 van het Reglement zo spoedig mogelijk, te weten: ter zitting, over de wraking beslist als volgt.
 
De omstandigheid dat de heer Herstel voorzitter is van de Raad en als zodanig betrokken is geweest bij de vaststelling van de datum waarop de klacht aanvankelijk zou worden behandeld, is onvoldoende om partijdigheid met betrekking tot het verzoek om wraking van 12 maart 2008 aan te nemen. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van de Raad schade zou kunnen lijden. Het verzoek om wraking van de heer Herstel is derhalve afgewezen.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER INZAKE ZIJN VERZOEK OM WRAKING VAN 12 MAART 2008
 
In zijn brief van 12 maart 2008 heeft klager verzocht om wraking van alle leden van de Raad inclusief de leden die nog geen deel hebben gehad aan de klachtprocedure. Daarbij heeft klager opgemerkt dat hij bereid is zijn wrakingsverzoek te beperken tot de leden van de Raad die wél bij zijn zaak zijn betrokken, omdat anders wellicht moeilijkheden kunnen ontstaan over de vraag wie over zijn wrakingsverzoek moet beslissen.
 
Klager heeft vervolgens op chronologische wijze de gang van zaken rond de procedure voorafgaand aan de behandeling van zijn klacht, ingediend bij brief van 3 februari 2008, uiteen gezet. Volgens klager is rijkelijk laat, namelijk op 11 februari 2008, door de secretaris op zijn klacht gereageerd. De secretaris heeft daarbij, onder verwijzing naar de Leidraad en eerdere uitspraken van de Raad, vermeld zich af te vragen of de klacht kans van slagen heeft en aangeboden navraag te doen bij de hoofdredactie van NRC Handelsblad. Volgens klager is aldus een onreglementaire schiftingsprocedure geïntroduceerd en heeft de secretaris hem op deze wijze misleid. Verder stelt klager dat ten onrechte geen gehoor is gegeven aan zijn verzoek om bij het NRC Handelsblad de voorwaarden voor selectie en plaatsing van reacties op te vragen.
 
De wijze waarop de bevestiging van zijn klacht heeft plaatsgevonden acht klager evenzeer onjuist. Ten eerste is die bevestiging pas gemeld in een brief van 18 februari 2008, terwijl er vanuit mag worden gegaan dat de procedure reeds op 11 februari 2008 is aangevangen. Bovendien is pas op 18 februari 2008 gewezen op het Reglement, terwijl dat Reglement daarvóór al verkeerd is toegepast.
 
Ook de gang van zaken rond de zittingsdatum acht klager onzorgvuldig. Gelet op de correspondentiedata zou het verweer uiterlijk circa 10 maart 2008 bij de Raad kunnen binnenkomen. Pas daarná kan hem een afschrift worden toegezonden, waardoor er voor hem weinig tot geen tijd overblijft om van dat verweer kennis te nemen en zich gedegen op de zitting voor te bereiden, indien de zitting op 14 maart 2008 zou plaatsvinden. De reactie van de secretaris op zijn protest tegen de vaststelling van de zittingsdatum, inhoudend dat ter zitting desgewenst op het verweer kan worden gereageerd, acht klager niet juist. En ook overigens is de vaststelling van de zittingsdatum van 14 maart 2008 geschied in strijd met het Reglement, aldus klager. Daartoe wijst hij er onder meer op dat de voorzitter en niet de secretaris oproept en dat de zittingsdatum pas wordt bepaald wanneer naar de mening van de voorzitter de zaak voldoende is voorbereid. Volgens klager had er hoe dan ook zonder verweer geen datum voor de zitting vastgesteld kunnen worden. Door de behandeling van de klacht toch te plannen op 14 maart 2008, omdat er kennelijk een lege plek was voor behandeling van een klacht, bestond de mogelijkheid dat partijen te weinig tijd zouden hebben om zich voor te bereiden.
In het verlengde hiervan merkt klager verder op dat hij niet over alle stukken beschikte. Een aantal stukken zijn hem zelfs geweigerd, waaronder de brief van de secretaris aan het NRC Handelsblad waarin wordt verzocht om op de klacht te reageren. Klager vermoedt dat dit verband houdt met de datum van die brief. Die had rond 6 februari 2008 aan het NRC Handelsblad toegezonden moeten worden, maar zeer waarschijnlijk is dit pas op 18 februari gebeurd, aldus klager. Waarschijnlijk heeft de Raad verborgen willen houden dat het 12 dagen heeft gekost om verweer te vragen, aldus klager. Deze handelwijze acht klager in strijd met artikel 6.4 van het Reglement. Gelet op die bepaling had de Raad álle stukken die hij aan een der partijen toezendt tegelijkertijd ook aan de andere partij moeten doen toekomen. Een fatsoenlijke procedure brengt mee dat partijen op hetzelfde tijdstip over dezelfde stukken beschikken, aldus klager. Het is volgens klager niet aan de secretaris te bepalen om alleen aan partijen door te sturen wat deze van belang acht. Bovendien dient de secretaris op grond van artikel 6.1 van het Reglement de leden een volledig dossier toe te zenden.
Evenmin staat het volgens klager ter beoordeling van de secretaris of een stuk inhoudelijk of procedureel is. De secretaris dient de procedure te bewaken en de juiste stukken op het juiste tijdstip toe te zenden, aldus klager.
 
Volgens klager is er nogal wat mis gegaan bij de voorafgaande procedure, hetgeen in zijn nadeel heeft gewerkt. Volgens hem kan dit geen toeval zijn en kan er enkel sprake zijn van partijdigheid. Hetgeen heeft plaatsgevonden past niet in een rechtstaat en klemt te meer nu de Raad gedeeltelijk uit juristen bestaat, aldus klager. Daarbij merkt hij op dat volgens hem uit de wijze van corresponderen volgt dat alle brieven die door de secretaris van de Raad aan hem zijn gezonden onder de volle verantwoordelijkheid van de Raad vallen.
 
Omdat klager, gezien het voorgaande, niet kan rekenen op een eerlijke behandeling van zijn zaak heeft hij aanleiding gezien voor zijn verzoek om wraking.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK OM WRAKING VAN 12 MAART 2008
 
Voor zover het wrakingsverzoek betrekking heeft op alle leden van de Raad overweegt de Raad, dat het Reglement daarin niet voorziet. Op grond van artikel 7 van het Reglement, dat handelt over de gang van zaken ter zitting, heeft een verzoek om wraking betrekking op een lid van de Raad, die de desbetreffende klacht ter zitting behandelt. Naar het oordeel van de Raad kan klagers verzoek om wraking dan ook enkel de leden betreffen van de kamer van de Raad van 14 maart 2008.
 
Hetgeen klager naar voren heeft gebracht is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van feiten of omstandigheden op grond waarvan de onpartijdigheid van de Raad schade zou kunnen leiden.
 
De Raad ziet niet in dat de door klager gestelde onvolkomenheden in de aan de zitting van 14 maart 2008 voorafgaande procedure – wat daar ook van zij – meebrengen dat de leden van de kamer van de Raad partijdig zouden zijn in de inhoudelijke beoordeling van de klacht gericht tegen NRC Handelsblad, betreffende het niet-plaatsen van een ingezonden brief van klager.

BESLISSING
 
De Raad wijst het verzoek om wraking af.
 
De zaak wordt terugverwezen naar de Raad, in de samenstelling van de zitting van 14 maart 2008.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 23 april 2008 door mr. A. Herstel, mr. B. Geersing, T.R. Harkema, M. Ülger, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.