2008/15 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad
 
Bij brief van 19 februari 2008 met twee bijlagen heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad (hierna: verweerder). Daarbij heeft klager verzocht om versnelde behandeling. Gelet op artikel 2 lid 3 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad, heeft de voorzitter van de Raad dit verzoek toegewezen. De klacht is vervolgens versneld behandeld met inachtneming van hetgeen hierover in het reglement is bepaald. H. Driessen, adjunct-hoofdredacteur, heeft op de klacht geantwoord in een brief van 6 maart 2008.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 maart 2008, alwaar namens klager voornoemde Marchal is verschenen. Namens verweerder is voormelde Driessen verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 8 december 2007 is in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad een artikel verschenen van de hand van T. Sniekers onder de kop “Vervolging top stichting zwerfjeugd” met de onderkop “Stichting zelf niet aangepakt”. De intro van het artikel luidt:
“Het openbaar ministerie gaat voormalig directeur (X) en financieel controller (…) van de Stichting Zwerfjongeren Limburg vervolgen voor oplichting en valsheid in geschrifte.”
Het artikel bevat de volgende passages:
“(…) is fractievoorzitter van de PvdA in de gemeenteraad van Landgraaf en ambieerde vorig jaar ook een wethouderspost. Nog twee beleidsmedewerkers van de stichting (SZL) worden vervolgd, maar volgens een woordvoerster van het functioneel parket in Den Haag alleen voor valsheid in geschrifte. Een van hen is de echtgenote van (X).”
en
“De woordvoerster van het functioneel parket kon gisteren geen toelichting op het vervolgingsbesluit geven. De zorgverzekeraars kregen eerder dit jaar inzage in het complete strafrechtelijk dossier. Op basis daarvan claimde het Zorgkantoor over het jaar 2004 met succes 300.000 euro aan ten onrechte gedeclareerd AWBZ-geld terug van SZL. De rekening werd betaald door de Koraal Groep. Deze grote zorgaanbieder had de SZL in juli overgenomen in het belang van de zwerfjongerenopvang. De continuïteit van de SZL-pensions in Heerlen, Maastricht en Roermond was in gevaar gekomen. Deze dreven mede op subsidies van de centrumgemeenten Maastricht, Heerlen en Venlo. Die gingen na het bekend worden van het strafrechtelijk onderzoek ook zelf de gangen van de SZL na. Een onderzoek door bureau PricewaterhouseCoopers leverde daarbij weliswaar geen bewijs voor fraude op, maar wel bleek de bedrijfsvoering van de zwerfjongerenstichting zeer ondoorzichtig. Heerlen en Venlo wilden daarna breken met de SZL, en ook Maastricht was kritisch. (X) en de voormalige Heerlense wethouder (…) (CDA), tot juli voorzitter van de Raad van Toezicht van SZL, hebben altijd ontkend dat er sprake was van fraude. (X) wilde gisteren niet reageren op het bericht over zijn vervolging.”
Op 11 februari 2008 is in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad een artikel verschenen van de hand van H. Goossen en M. van Laarhoven onder de kop “Verdachte mag tram exploiteren” met de onderkop “Maastricht verleent vergunning”.
De intro van het artikel luidt:
“De gemeente Maastricht heeft de vergunning voor een tweede stadstram toegekend aan de van fraude verdachte (X), oud-voorzitter van de raad van bestuur van de Stichting Zwerfjongeren Limburg.”
Verder bevat dit artikel de volgende passage:
“Volgens een woordvoerster van de gemeente is bij de vergunningaanvraag louter gekeken naar de criteria die staan geformuleerd in de verordening toeristisch vervoer.
(X) is een van de hoofdverdachten in de fraude-affaire rond de Stichting Zwerfjongeren Limburg (SZL) die pensions in Maastricht, Heerlen en Roermond beheert. Uit onderzoek van de opsporingsdienst FIOD-ECD is gebleken dat de instelling bij zorgverzekeraars honderden uren in rekening heeft gebracht voor een begeleid wonen-project in Heerlen, terwijl in werkelijkheid helemaal geen zorg aan 45 jongeren werd verleend. (X) zal zich voor zijn aandeel voor de rechtbank moeten verantwoorden. Wanneer de zaak dient, is nog niet bekend. Maastricht, Heerlen en Venlo verbraken vorig jaar de banden met het bestuur onder leiding van (X) en hevelden de exploitatie van de pensions over naar de Koraal Groep. Bij de vergunningaanvraag voor het stadstreintje is niet naar de achtergronden van (X) gekeken, aldus de woordvoerster. “Hij had volgens de criteria de meeste punten en dus krijgt hij de vergunning.” Hoe (X), die de afgelopen tijd niet voor commentaar bereikbaar was, het stadstreintje gaat exploiteren is nog niet duidelijk.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat door vermelding van zijn volledige voor- en achternaam op de voorpagina van de kranten op 8 december 2007 zijn privacy op onaanvaardbare wijze is geschaad. Volgens klager is geen enkel maatschappelijk belang gediend met de publicatie van zijn volledige naam en staat de inbreuk op zijn privacy in geen enkele redelijke verhouding tot het doel van de publicatie. Daarbij heeft te gelden dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad bijzondere terughoudendheid is geboden ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten. Volgens klager is de relatie die in de publicatie van 11 februari 2008 wordt gelegd tussen het zijn van verdachte van fraude en het zelfstandig exploiteren van een stadstreintje uiterst gekunsteld en kennelijk bedoeld om nogmaals over het verhaal van de verdenking van fraude te publiceren. Klager stelt dat sprake is van een disproportionele aantasting van zijn privéleven. Ter zitting is namens klager nog benadrukt dat hij, in tegenstelling tot wat verweerder betoogt, geen publiek figuur is. Tijdens de periode dat een strafvorderlijk onderzoek tegen hem liep, heeft hij zelf nimmer de publiciteit gezocht. Klager betwist verder dat het niet-vermelden van zijn naam wegens zijn algemene bekendheid geen doel zou dienen. Indien hij in de publicaties met initialen zou zijn aangeduid zou slechts voor ingewijden bekend zijn wie er met deze initialen bedoeld werd. De verbanden die in het artikel van 11 februari 2008 gelegd worden, zijn bijna karikaturaal te noemen, aldus klager.
Hij vraagt zich af wat het verband is tussen het vragen van een vergunning om een toeristisch trammetje te exploiteren en ‘integriteit van bestuur/zaken doen’. Klager is geen bestuurder en er kan derhalve geen sprake zijn van een kwestie ‘bestuurlijke integriteit’. Het verband dat verweerder legt met de Wet Bibob is eveneens geheel en al onjuist. Verweerder wist dit of had dit moeten weten. Door desondanks over te gaan tot de publicatie van het artikel van 11 februari 2008 heeft verweerder uiterst onzorgvuldig gehandeld.
 
Verweerder stelt dat klager in (Zuid-)Limburg een publiek figuur is vanwege zijn inzet vanaf midden jaren negentig voor het lot van zwerfjongeren. In het verleden zijn talloze artikelen gepubliceerd over klager en zijn Stichting Zwerfjongeren Limburg. Toen ruim twee jaar geleden bekend werd dat de stichting en klager werden verdacht van fraude, is klager in alle berichtgeving daarover bij naam genoemd. Klager is in een aantal artikelen ook zelf aan het woord gekomen, waarbij hij de beschuldigingen ontkende. Volgens verweerder zou het zinloos zijn om klager aan te duiden met bijvoorbeeld (…), omdat de combinatie met de stichting waarvan bekend is dat hij het boegbeeld is, sowieso leidt tot herkenning van klager. Ten aanzien van het koppelen van het exploiteren van het stadstreintje en de verdenking van fraude, stelt verweerder dat het bestuurlijke decor van Maastricht al ruim een jaar in het teken staat van integriteit van bestuur en zaken doen. Volgens verweerder heeft de gemeente onderzocht of de vergunning van klager zou moeten worden geweigerd op grond van de Wet bevordering integriteit beoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) en zijn over de vergunningverlening door Maastrichtse politieke partijen raadsvragen gesteld. Verder hebben rond de exploitatie van een eerste stadstrein (door een andere persoon) vragen gespeeld rond integriteit. Op grond van het bovenstaande acht verweerder de koppeling tussen integriteit in de stad Maastricht en de fraudeverdenking van klager journalistiek relevant. Ten slotte betoogt verweerder dat de kranten op basis van zuiver journalistiek handelen hebben bericht zoals is bericht. Daarbij is het nimmer de bedoeling geweest om de privébelangen van klager te schaden. Dat dit toch is gebeurd, is het gevolg van het feit dat het maatschappelijk journalistiek belang prevaleert boven het privébelang van klager.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daar staat tegenover dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie (zie punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad en vgl. RvdJ 2008/8). Verder dient de journalist te voorkomen dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. Aan deze regel is de journalist niet gehouden wanneer de naam een wezenlijk bestanddeel van de berichtgeving is, het niet vermelden van de naam wegens de algemene bekendheid van de betrokkene geen doel dient of de betrokkene zelf de openbaarheid zoekt (zie punt 2.4.5. van de Leidraad).

Klager geniet vanaf de jaren negentig in (Zuid-)Limburg bekendheid vanwege zijn inzet voor zwerfjongeren. Over hem en de Stichting Zwerfjongeren Limburg (SLZ) is veelvuldig gepubliceerd. Toen bekend werd dat klager en de SZL werden verdacht van fraude, is hierover eveneens gepubliceerd. Aannemelijk is geworden dat klager ook zelf heeft meegewerkt aan publicaties waarin hij – met vermelding van zijn volledige naam – reageerde op deze verdenking. Het feit dat het Openbaar Ministerie besloot over te gaan tot vervolging van onder meer klager, was een relevant nieuwsfeit. Gelet op de algemene bekendheid van klager in relatie tot de SZL en gelet op de eerdere publicaties over de verdenking waarbij zijn volledige naam met zijn instemming was vermeld, is naar het oordeel van de Raad geen sprake van een disproportionele aantasting van de privacy van klager door het vermelden van zijn volledige naam in de publicatie van 8 december 2007.

Voor de beoordeling van de klacht over de publicatie van 11 februari 2008 is van belang dat reeds geruime tijd sprake is van een publieke discussie over integriteit in Maastricht, waarover ook de kranten van verweerder hebben bericht. Gebleken is voorts dat in verband met de eerder verleende vergunning (aan een andere persoon) voor het exploiteren van de eerste stadstram publiekelijk vragen zijn gerezen of daarbij van belangenverstrengeling sprake is geweest. Ten slotte is van belang dat over de vergunningverlening aan klager voor het exploiteren van de tweede stadstram in de gemeenteraad vragen zijn gesteld over de gang van zaken, waarbij door sommige gemeenteraadsleden ook is gewezen op de strafrechtelijke vervolging van klager. Gelet op hetgeen hiervoor is vermeld, moet geoordeeld worden dat de in de gewraakte publicatie van 11 februari 2008 gelegde koppeling tussen de verdenking van klager van fraude en de verlening aan hem van een vergunning voor het exploiteren van een stadstram, een voor de lezers relevante koppeling was. Dat klager zelf geen publieke taak uitoefent, maakt dit niet anders. Hoewel de kop van het artikel wellicht subtieler had gekund, heeft verweerder naar het oordeel van de Raad ook met de publicatie van 11 februari 2008 niet onzorgvuldig gehandeld.
 
De Raad komt dan ook tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 17 april 2008 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. G.T.M. Driehuis, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. drs. J.X. Nabibaks en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van der Berg, secretaris,
en mw. mr. drs. M.M. van der Smissen, plaatsvervangend secretaris.