2008/14 gegrond

inzake de klacht van
 
J.-D.T. Paarlberg
 
tegen
 
L. Runderkamp en de hoofdredacteur van de Nederlandse Omroep Stichting (NOS)
 
Bij brief van 12 februari 2008 met 13 bijlagen heeft mr. H.A.J.M. van Kaam, advocaat te Amsterdam, namens J.-D.T. Paarlberg (hierna: klager) een klacht ingediend tegen L. Runderkamp en de hoofdredacteur van de Nederlandse Omroep Stichting (hierna: verweerders). Hierop heeft H. Laroes, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 5 maart 2008. Bij brief van 14 maart 2008 heeft klager nog een schriftelijk stuk overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 maart 2008, waar namens klager 
voornoemde Van Kaam en mr. G. Meijers, advocaat, zijn verschenen. Verweerders waren niet aanwezig. Van Kaam heeft zijn standpunt nader toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.
 
DE FEITEN
 
Omstreeks 11 november 2007 zijn twee publicaties geplaatst op de website www.nos.nl in een serie over het proces tegen Willem Holleeder. Eén publicatie betreft een artikel van de hand van Runderkamp onder de kop “Afpersingsgelden Endstra via Paarlberg”. Dit artikel  bevat de volgende passages:
“Het is niet uit te sluiten dat de vermoorde vastgoedhandelaar Willem Endstra afpersingsgelden heeft betaald via vastgoedhandelaar Jan Dirk Paarlberg. Dat blijkt uit een analyse van het zakelijke verkeer tussen de twee vastgoedbaronnen die Pieter Lakeman heeft uitgevoerd op verzoek van de NOS. De NOS beschikt over het verweerschrift dat advocaat Gabriel Meijers afgelopen week inbracht in de zaak tegen Willem Holleeder. Daaruit moet volgens Meijers blijken dat de vastgoedbaronnen gewoon zaken deden. Pieter Lakeman is het niet met Meijers eens.“Uiteindelijk geeft het verweerschrift van Paarlberg steun aan de stelling dat Paarlberg ten onrechte 27,5 miljoen euro van Endstra heeft gekregen.”
en
“Lakeman doet geen uitspraak of er zichtbaar sprake is van afpersingsgelden. Willem Holleeder komt in het hele dossier van 200 pagina’s niet voor. “Maar Endstra heeft in feite 27,5 miljoen aan Paarlberg gegeven,” aldus bedrijvenonderzoeker Lakeman, die de financiële perikelen rond de jachthaven in IJmuiden heeft geanalyseerd. Paarlberg en Endstra deelden tot 1999 hun belangen in de ontwikkeling van die jachthaven. Endstra nam de verlieslijdende bv’s over maar gaf wel een financiële garantie dat alle leningen en kosten voldaan zouden worden. Paarlberg kreeg zijn aandelen in de jachthaven later voor niets terug. En dankzij de garantiestelling van Endstra waren de aandelen plotseling 27,5 miljoen waard, aldus Lakeman.””
en
“Het verweerschrift van de advocaat van Jan Dirk Paarlberg schiet zijn doel volledig voorbij, aldus Lakeman. Ook het Openbaar Ministerie heeft belangrijke conclusies niet getrokken. Volgens Lakeman moet nader uitgezocht worden wanneer Endstra de zogeheten “continuïteitsgarantie” voor het jachthavenprojekt vastlegde. Want dat is dan de datum waarop “onverplicht” Endstra’s portemonnee is opengetrokken.”
 
De tweede publicatie betreft een het artikel begeleidende videopodcast (vodcast), die op de website van de NOS kon worden bekeken. Een vodcast bestaat uit beeldmateriaal dat via het internet wordt aangeboden en op ieder willekeurig moment opvraagbaar is. De vodcast begint en eindigt met de herkenningsmelodie van het NOS Journaal. In de vodcast wordt een gesprek getoond tussen Runderkamp en Lakeman. Tijdens het gesprek is onder meer het volgende gezegd:
Lakeman: “De advocaat van Paarlberg heeft een buitengewoon ingewikkeld en omvangrijk rapport geschreven. Daar staan hele interessante dingen in, maar uiteindelijk als je dus alles netto bekijkt is dit verweerschrift in wezen een steun voor de gedachte, voor de stelling dat Paarlberg ten onrechte 27,5 miljoen gulden van Endstra heeft gekregen. Nou, Paarlberg heeft Ballados en die heeft 50% van jachthaven IJmuiden. Dan heb je daar Endstra, dus de oude situatie hè, en die heeft Marpollo en die heeft de andere 50%. Samen hebben ze de jachthaven IJmuiden, maar ook hadden ze beiden een lening verschaft van ongeveer 10 miljoen aan jachthaven IJmuiden. Nou dat was zwaar verliesgevend, IJmuiden, en een zwaar negatief vermogen. Dus op een gegeven moment hadden die leningen hadden geen waarde meer.”
Runderkamp: “Het geld was op?”
Lakeman: “Het geld was op. De aandelen Ballados die werden overgedragen aan Endstra. Dus die kreeg dus hier Ballados en Endstra had dus ook nog zijn eigen Marpollo. Die had dus 50% in jachthaven en die ook. Dus bij elkaar had Endstra toen 100%.”
Runderkamp: “Van een verliesgevende jachthaven dus?”
Lakeman: “Ja. Daarna is er iets heel bijzonders gebeurd. Een hele interessante zaak, namelijk, nou we kunnen eigenlijk hetzelfde plaatje houden. De accountant, Deloitte, zei tegen Endstra “dat jachthaven IJmuiden is nu zo negatief, ik, Deloitte, wil alleen nog maar de jaarrekening goedkeuren wanneer er een continuïteitsgarantie is, want anders dan moet ik die jaarrekening afkeuren.” Nou, toen zei dus Endstra “Ok, Marpollo geeft de continuïteitsgarantie.” Marpollo. Dus die garandeerde voor de jachthaven IJmuiden.”
Runderkamp: “Voor alle..?”
Lakeman: “Voor alle schuldeisers, dus impliciet ook voor de schulden van Ballados. Maar, eigenlijk strikt genomen, ontstond door die garantieverklaring en die dus was dus ná
2 mei 2000 gegeven, werden dus de aandelen Ballados in feite heel veel waard, want hun vordering op Jachthaven IJmuiden van meer dan 10 miljoen, van 12,5 miljoen gulden inmiddels, die werd daardoor volwaardig. Die werd volwaardig. De advocaat van Paarlberg heeft in zijn verweerschrift heel veel moeite gedaan om aan te tonen dat Ballados ook een vordering van 15 miljoen gulden had op de jachthaven. Daar is hij volgens mij niet helemaal in geslaagd, maar hij heeft het wel gepoogd.”
Runderkamp: “Dus vandaar …”
Lakeman: “Als we aannemen dat hij daarin slaagt dan is ook díe vordering van 15 miljoen gulden door die continuïteitsgarantie ook helemaal waardevol geworden. Met andere woorden: door die continuïteitsgarantie heeft Endstra de waarde van Ballados met 27,5 miljoen gulden opgekrikt, althans in de visie van Paarlberg z’n advocaat.”
Runderkamp: “Dan zeg ik: dat maakt niet uit, want Endstra zie ik op jouw tekening was ook de baas van dat alles, dus.”
Lakeman: “Dat maakt op dat moment niets uit.”
Runderkamp: “Nee.”
Lakeman: “Maar,”
Runderkamp: “Dus nu gaan we naar de cruciale vraag.”
Lakeman: “Ja, maar namelijk in oktober 2002 dan worden dus de aandelen Ballados gaan dus weer weg. Paarlberg krijgt Ballados terug.”
Runderkamp: “Voor niks?”
Lakeman: “Ja, voor niks inderdaad, toen waren de aandelen Ballados 27,5 miljoen waard. Dus laten we zeggen, we hebben hier 2 mei 2000 en hier hebben we oktober 2002. In die tussenliggende periode is door de continuïteitsgarantie de waardeloze vordering van Ballados op jachthaven overgegaan in een waardevolle vordering van 27,5 miljoen.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt - kort samengevat - dat beide publicaties de ernstige beschuldiging bevatten dat Willem Endstra aan of via klager afpersingsgelden zou hebben betaald, althans dat klager ten onrechte grote sommen geld van Endstra zou hebben ontvangen. Volgens klager is deze beschuldiging aantoonbaar onjuist, hetgeen te meer klemt nu klager momenteel onderwerp is van een gerechtelijk vooronderzoek dat nog niet is afgerond. Verweerders hebben zich gebaseerd op een analyse van Lakeman van het verweerschrift dat advocaat mr. G. Meijers (in het kader van het tegen Paarlberg gerichte gerechtelijk vooronderzoek) ten behoeve van Paarlberg had geschreven. Deze analyse is op uitdrukkelijk verzoek van verweerders uitgevoerd en blijkt gebaseerd te zijn op een ondeugdelijke grondslag (een onjuiste datum van de continuïteitsgarantie). In het verweerschrift van Meijers – waarover ook verweerders beschikten – staat immers wel degelijk de (juiste) datum van de continuïteitsgarantie genoemd. Deze continuïteitsgarantie van Endstra is niet na 2 mei 2000 afgegeven, zoals in de publicaties is vermeld, maar reeds in 1998. Nu dit het cruciale punt is ter onderbouwing van de beschuldiging, is daarmee de grondslag van de beschuldiging geheel komen te ontvallen. Verder hebben verweerders volgens klager ten onrechte geen wederhoor toegepast. Onmiddellijk na publicatie van het artikel heeft Meijers namens Paarlberg contact opgenomen met verweerders en gewezen op de evidente onjuistheid van de beschuldiging en op de eenvoudige wijze waarop verweerders en Lakeman een en ander hadden kunnen verifiëren. Inmiddels hebben ook verweerders erkend dat de geuite beschuldiging onjuist is. Het artikel is van de website van de NOS verwijderd, maar verweerders weigeren de vodcast te verwijderen. Van een passende rectificatie is niet gebleken, aldus klager.
Ter zitting heeft klager nog benadrukt dat het feit dat het webartikel slechts korte tijd op de NOS-site zou hebben gestaan niet van belang is. Het gaat immers niet om de duur maar om de inhoud. Daar komt bij dat de vodcast waarin dezelfde beschuldiging op basis van dezelfde onjuiste grondslag wordt geuit, nog altijd op de website van de NOS opvraagbaar is. De stelling van verweerders dat de algehele conclusie van Lakeman omtrent het verweerschrift van Meijers overeind zou blijven ook nadat het (onjuiste) argument met betrekking tot de datum van de continuïteitsgarantie was weggevallen, is volgens klager irrelevant. In zowel het artikel als de vodcast wordt immers de beschuldiging aan het adres van klager maar op één grondslag gebaseerd: de datum van de continuïteitsgarantie. Klager ontkent dat Meijers zou hebben geweigerd om mee te werken aan het filmen van een telefonisch debat tussen hem en Lakeman. Meijers heeft op zondag 11 november 2007 twee keer telefonisch contact gehad met Runderkamp. In het laatste gesprek heeft hij een drietal vragen beantwoord van Lakeman. Op de eerste twee vragen wist hij antwoord. Op de derde vraag wat de datum van de continuïteitsgarantie was, moest hij het antwoord schuldig blijven aangezien hij het verweerschrift niet bij zich had. Meijers heeft er echter nadrukkelijk op gewezen dat het antwoord te vinden was in het verweerschrift. Verweerders hebben ten onrechte nagelaten toe te lichten waarom zij die datum van belang achtten en hebben bovendien onvermeld gelaten dat reeds de volgende ochtend sprake zou zijn van een publicatie.

Verweerders stellen - kort samengevat - dat het in casu gaat om een artikel dat slechts korte tijd op de website heeft gestaan en om een vodcast die uitsluitend op aanvraag beschikbaar is. De functie van een vodcast is volgens verweerders om achtergronden en zijlijnen te belichten bij een nieuwsverhaal. In verslaggeving over complexe juridische procedures als de onderhavige is de figuur van de vodcast bij uitstek de gelegenheid om onderdelen van het feitencomplex uit te diepen. Daarbij staat nu eens de zienswijze van de ene partij, dan weer die van de andere bij de procedure betrokken partij centraal. De afzonderlijke bijdragen kunnen zich concentreren op gekleurde visies van procespartijen en deelbelangen, maar de NOS mag wel worden aangesproken op de evenwichtigheid van het totaal van haar verslaggeving. Verweerders hebben door middel van een externe en onafhankelijke deskundige (Lakeman, een erkend specialist van de Stichting Onderzoek Bedrijfsinformatie (SOBI)) onderzocht of en in hoeverre klager door het door advocaat Meijers opgestelde verweerschrift wordt vrijgepleit. Volgens verweerders heeft Runderkamp in zijn vodcast op onbevangen en onbevooroordeelde wijze onderzoek gedaan naar de merites van het verweerschrift. Daarbij wijzen zij erop dat zij zeer snel nadat het artikel op de website is verschenen, een vraagteken hebben toegevoegd bij de kop van het artikel en dat Runderkamp in de vodcast heeft benadrukt dat het verweerschrift voor een journalist te specialistisch is. Inmiddels is het artikel al geruime tijd niet meer op de NOS-site aanwezig. Lakeman kwam na de bestudering van het verweerschrift tot de conclusie dat dit klager naar zijn mening niet vrijpleitte. Hij noemde hiervoor meerdere argumenten waaronder de continuïteitsgarantie. Verweerders betogen verder dat Meijers voorafgaand aan de publicatie van de vodcast door Runderkamp is benaderd met het verzoek een telefonisch debat tussen Meijers en Lakeman te mogen filmen als onderdeel van de vodcast. Meijers weigerde. Aan Meijers was afdoende duidelijk gemaakt dat de NOS iemand aan het woord zou laten die kritisch over zijn verweerschrift was en dat dit de gelegenheid was om zijn eigen visie hiertegenover te stellen. Na de weigering van Meijers hebben Lakeman en Meijers nog telefonisch met elkaar gesproken. In dat gesprek noemde Lakeman de datum van de continuïteitsverklaring cruciaal, maar Meijers gaf hierover geen opheldering.
Nadat Lakeman tot de conclusie kwam dat hij een foute veronderstelling had betrokken ten aanzien van het ontbreken van de datum van de continuïteitsgarantie in het verweerschrift, maar zijn analyse van het verweerschrift voor het overige overeind hield, hebben verweerders aangeboden de vodcast te verwijderen en een nieuwe aflevering te maken waarin advocaat Meijers met Lakeman in debat zou gaan. Van dit aanbod heeft Meijers geen gebruik gemaakt. Verweerders concluderen dat de publicaties een deugdelijke grondslag kennen en dat ze op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De berichtgeving is op een ondergeschikt punt na feitelijk juist en niet onnodig grievend. Klager is zowel vóór als ná de publicatie uitgebreid gelegenheid geboden tot weerwoord. Door hier niet op in te gaan, heeft klager volgens verweerders zelf verzuimd de ondergeschikte onjuistheid onmiddellijk te corrigeren.

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat de journalist bij het publiceren van beschuldigingen dient te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Beide publicaties bevatten een beschuldiging aan het adres van klager die hem ernstig diskwalificeert. Hoewel de beschuldiging afkomstig is van een door verweerders ingeschakelde deskundige, is het weergeven van die beschuldiging de verantwoordelijkheid van verweerders. Gebleken is dat de kern van de redenering die heeft geleid tot de ernstige beschuldiging, te weten de gestelde datum van de continuïteitsgarantie, onjuist is. Voorts is gebleken dat verweerders op eenvoudige wijze in het verweerschrift hadden kunnen zien wat de (juiste) datum van de continuïteitsgarantie was. De stelling van verweerders dat de eindconclusie van Lakeman – dat klager door het verweerschrift van Meijers niet wordt vrijgepleit – overeind blijft, is in dit kader niet relevant. De publicaties bevatten immers een ernstige beschuldiging die louter gebaseerd is op de onjuiste veronderstelling ten aanzien van de datum van de continuïteitsgarantie. Verweerders kunnen derhalve ook niet worden gevolgd in hun stelling dat sprake is geweest van een ondergeschikt punt. Daarmee is gebleken dat voor de berichtgeving zoals die gepubliceerd is, onvoldoende grondslag bestond. Dat verweerders de kop van het artikel later hebben aangevuld met een vraagteken, laat dit onverlet.
 
Verweerders hebben erkend dat de in hun publicaties vermelde datum van de continuïteitsgarantie onjuist is. Desalniettemin is de vodcast, waarin deze cruciale onjuiste informatie en de daarop gebaseerde ernstige beschuldiging staat opgenomen, nog steeds via de website te bekijken. Ten onrechte hebben verweerders nagelaten de vodcast te verwijderen. Gelet op de onjuistheid van de berichtgeving had het voorts op de weg van verweerders gelegen over te gaan tot een passende en ruimhartige rechtzetting, die ondubbelzinnig duidelijk maakt dat de berichtgeving in de te rectificeren publicaties op onjuiste informatie gebaseerd was (zie punt 6.1. van de Leidraad van de Raad en vgl. onder meer: RvdJ 2007/54). Dit hebben zij ten onrechte nagelaten.
 
Ten slotte heeft klager bezwaar gemaakt tegen de manier waarop verweerders wederhoor hebben toegepast. Volgens klager heeft Runderkamp tijdens de telefoongesprekken met Meijers op 11 november 2007 nagelaten te vermelden dat hij voornemens was om reeds de volgende ochtend het artikel en de vodcast te publiceren op de website van de NOS, en hebben Runderkamp en Lakeman Meijers niet duidelijk gemaakt waarom zij zoveel belang hechtten aan de exacte datum van de garantie.
 
Ook deze klacht is gegrond. Weliswaar hebben Runderkamp en Lakeman in het telefoongesprek aan Meijers de gelegenheid gegeven om de juiste informatie met betrekking tot de datum van de continuïteitsgarantie te verstrekken, en weliswaar heeft Meijers die gelegenheid benut door te zeggen dat die datum in het verweerschrift (dat hij toen niet bij de hand had) stond vermeld. Maar gelet op de ernstige beschuldiging aan het adres van klager die in de publicaties zou worden opgenomen, en gelet op het cruciale belang van voormelde datum voor de onderbouwing van die beschuldiging, had aan Meijers duidelijk gemaakt moeten worden tot welk doel de gevraagde informatie met betrekking tot die datum door verweerders gebruikt zou gaan worden. Verweerders hebben slechts aangevoerd dat aan Meijers duidelijk is gemaakt dat Lakeman zich ‘kritisch’ over het verweerschrift zou uitlaten, en dat Lakeman in het telefoongesprek met Meijers de datum van de continuïteitsgarantie ‘cruciaal’ heeft genoemd. Maar een en ander is onvoldoende om te kunnen oordelen dat wederhoor is toegepast, aangezien aan Meijers niet duidelijk is gemaakt dat in de publicaties – louter op grond van de (onjuiste) datum van de continuïteitsgarantie – geconcludeerd zou worden dat klager ten onrechte 27,5 miljoen euro van Endstra heeft gekregen. Aldus heeft Meijers geen gelegenheid gekregen om (namens klager) tijdig op die aantijging te reageren zodat verweerders daarmee in hun publicaties rekening hadden kunnen houden (zie punt 2.3.1 van de Leidraad van de Raad). Dit wordt niet anders doordat naderhand (nadat verweerders was gebleken dat de publicaties op onjuiste informatie waren gebaseerd) aan Meijers het aanbod is gedaan om een nieuwe vodcast te maken waarin hij gelegenheid kreeg met Lakeman in debat te gaan.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting op de website van de NOS dan wel via een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 17 april 2008 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. G.T.M. Driehuis, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. drs. J.X. Nabibaks en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van der Berg, secretaris, en mw. mr. drs. M.M. van der Smissen, plaatsvervangend secretaris.