2008/13 gegrond onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
dr. C.J. Ruissen
 
tegen
 
T. van Dijk en prof. dr. P. Pop
 
Bij brief van 18 januari 2008 met twee bijlagen heeft dr. C.J. Ruissen te Oosterhout (hierna: klager) een klacht ingediend tegen T. van Dijk en prof. dr. P. Pop (hierna: verweerders). Pop heeft op de klacht gereageerd in een brief van 1 februari 2008 en Van Dijk in een schrijven van 6 februari 2008.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 29 februari 2008. Klager is daar verschenen en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Van de zijde van verweerders is voornoemde Pop verschenen, vergezeld door V. van de Reijt, uitgever bij Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.
 
DE FEITEN
 
Eind 2007 is door Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar een boek van de hand van verweerders uitgegeven onder de titel “Medische missers – en hoe die voorkomen hadden kunnen worden” (hierna: het boek). Het boek bevat een verzameling van door Van Dijk beschreven casussen, waarvan de meeste eerder als serie onder de titel ‘Dag dokter’ in het tijdschrift HP/De Tijd zijn verschenen. Alle casussen zijn in het boek door Pop beoordeeld en van commentaar voorzien. Pop is emeritus hoogleraar transmurale geneeskundige zorg.
 
De klacht richt zich tegen de publicatie van de casus onder de kop “Een hokje niet aangevinkt”. De casus – die op 11 november 2005 onder dezelfde kop in HP/De Tijd is verschenen, met vermelding van klagers volledige naam – gaat over de problemen die een patiënte van klager heeft ondervonden bij het vaststellen van de juiste diagnose. De echtgenoot van de patiënte heeft daarover een dossier aangelegd. De publicatie bevat onder meer de volgende passages:
“Dat dossier toont aan hoe er bij aanhoudende klachten soms veel te lang wordt doorgesukkeld met halve of foute diagnoses, lapmiddelen, verkeerde medicijnen, nutteloze therapieën en onderzoeken op verkeerde plaatsen.”
en
“Vanaf 1998 is C.J.R., een van de drie artsen van een Maastrichtse groepspraktijk, haar huisarts. Een bloedonderzoek laat in april 1999 een te laag Hb-gehalte zien. (…) Een internist van het academisch ziekenhuis Maastricht (azM) adviseert de huisarts nadere diagnostiek en ondertussen ijzer voor te schrijven. Het Hb-gehalte blijft te laag. De huisarts belt in juli 1999 met prof. dr. P. Pop, hoofd polikliniek interne geneeskunde en hoofd van het diagnostisch centrum voor huisartsen van het azM. Hij adviseert een ferritinebepaling om de hoeveelheid ijzer te meten, ijzer dat nodig is voor de aanmaak van Hb. En bij een te laag gehalte een coloscopie van de hele dikke darm. In de protocollen staat dat een coloscopie alleen door een huisarts kan worden aangevraagd met instemming van een specialist. Hoewel R. met Pop gebeld heeft, vergeet hij op het standaardformulier het hokje aan te kruisen dat de coloscopie op advies van de specialist aangevraagd wordt dan wel te melden dat er overleg is geweest. De afdeling endoscopie verandert de aanvraag in een sigmoïdoscopie. Een kijkoperatie waarbij alleen de endeldarm en het laatste stukje van de daarop aansluitende dikke darm wordt onderzocht (…)”
en
“De klachten blijven. De huisarts vraagt een gastroscopie aan. (…) Het is inmiddels september 1999 en Pop adviseert wederom een totale coloscopie. Deze wordt door de huisarts niet aangevraagd. Half oktober komt [de patiënte] weer met hevig buikkrampen op het spreekuur. (…) Haar huisarts verwijst haar door naar de polikliniek Gastro-enterologie van het azM met de vraag ‘gaarne op redelijke termijn een afspraak’. Het duurt tot 14 januari voor dan eindelijk de hele dikke darm van [de patiënte] onderzocht wordt. Dan blijkt datgene waar te zijn waar zij al die tijd al bang voor was. Zij heeft darmkanker.”
en
“Professor Pop schrijft een rapport. Conclusie: de huisarts had bij zijn aanvraag voor een coloscopie te weinig informatie gegeven, en niet het vakje aangekruist: ‘Op verzoek/advies specialist.’ Evenmin vermeldde hij elders op het formulier dat er telefonisch overleg was geweest met een internist. De huisarts had geen genoegen moeten nemen met het schrappen van de coloscopie en hij had de in ernst toenemende klachten, wijzend op de mogelijkheid van een dreigende darmafsluiting in combinatie met de terugkerende Hb-dalingen als alarmerend moeten inschatten en om een spoedverwijzing moeten vragen. Het tuchtcollege te Eindhoven gaat mee in die redenering en waarschuwt de arts.
 
Het slot van de publicatie in HP/De Tijd luidde: “ De arts heeft hoger beroep aangetekend.
 
Het slot van de publicatie in het boek luidt:
“In hoger beroep wordt die waarschuwing weer ingetrokken. Volgens het Centraal Tuchtcollege was de arts weliswaar niet erg voortvarend opgetreden en had hij in de periode na april 1999 meer diagnostiek moeten doen toen bleek dat een laag Hb-gehalte was geconstateerd. Hij was ook weinig doortastend bij de poliklinische verwijzing. Dat de coloscopie in het kader van het onderzoek door de gastro-enteroloog zo laat kwam achtte het college te wijten aan de interne gang van zaken binnen het ziekenhuis. Al met al vond het ctc de arts niet zodanig nalatig om een tuchtmaatregel de rechtvaardigen.”

De uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven van 1 september 2005, waarnaar in het artikel wordt verwezen, bevat onder meer de volgende passage:
“Verweerder heeft vanaf april 1999, toen hij bij klaagster een te laag Hb-gehalte heeft aangetroffen, regelmatig overleg gepleegd met prof. Pop. Verweerder heeft de hem gegeven adviezen echter slechts ten dele en in een laat stadium ter harte genomen. (…) Dat de in juli 1999 aangevraagde coloscopie op eigen initiatief van de afdeling gastro-enterologie en zonder enig overleg met verweerder is omgezet in een sigmoïdoscopie valt verweerder niet aan te rekenen. (…) Verweerder valt echter wel te verwijten dat hij na de sigmoïdoscopie en het pathologieverslag d.d. 11 augustus 1999 klaagster niet aanstonds naar de afdeling gastro-enterologie heeft verwezen om verdere diagnostiek te laten verrichten, c.q. een (totale) coloscopie te laten uitvoeren, ondanks het daartoe strekkend advies van prof. Pop en het bij de sigmoïdoscopie uitgebrachte advies.”
 
In verband met de publicatie van het artikel in HP/De Tijd heeft klager destijds een klacht ingediend bij de Raad. In zijn uitspraak van 8 maart 2006 heeft de Raad de klacht gegrond verklaard voor zover die was gericht tegen de wijze van berichtgeving over de problemen die een patiënte van klager had ondervonden bij het vaststellen van de juiste diagnose. Voor het overige (wat betreft het vermelden van de volledige naam van klager) was de klacht ongegrond. (zie RvdJ 2006/15)
 
In het boek is over deze klacht vermeld:
Wel zijn er in de loop van de serie twee klachten ingediend bij de Raad voor de Journalistiek, vooral over het openbaar maken van de namen van de behandelaars. In het eerste geval, bij een huisarts, gaf de Raad mij gelijk, openbaarheid was in dezen juist, in de tweede zaak…
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat verweerders uitermate onzorgvuldig hebben gehandeld door het gewraakte artikel opnieuw en zonder enige nuancering in het boek te publiceren. Het enige verschil is dat vermeld wordt dat de klacht van de patiënt in hoger beroep door het Centraal Tuchtcollege ongegrond is verklaard, aldus klager.
Verder stelt klager dat verweerders hem ten onrechte niet hebben gehoord voor publicatie en dat zij het principe van hoor en wederhoor met voeten hebben getreden. Klager heeft enkel vlak voor de publicatie in HP/De Tijd een proefversie ontvangen waarop hij mocht reageren, maar veranderingen bleken niet mogelijk. Weliswaar is nu in het boek zijn volledige naam niet vermeld, maar die is eenvoudig te achterhalen.
Klager houdt overigens vast aan de bezwaren zoals hij die uiteen heeft gezet in zijn klacht over plaatsing van het artikel in HP/De Tijd. Verweerders schetsen een onvolledig beeld en berichten onzorgvuldig over de kwestie. Zo is onder meer de titel van de publicatie misleidend.
Volgens klager had de uitspraak van de Raad over de publicatie in HP/De Tijd verweerders ervan moeten weerhouden het artikel opnieuw, in dezelfde vorm te publiceren. Daarnaast blijkt uit de uitspraak in hoger beroep van het Centraal Tuchtcollege dat hem tuchtrechtelijk niets te verwijten valt.
Klager betoogt dat verweerders alle fatsoensnormen en de normen die gelden voor correcte journalistiek hebben overschreden door het stuk op te nemen in een boek over medische missers onder een misleidende titel. Hierdoor is hij opnieuw aangetast in zijn goede naam, aldus klager.
 
Verweerders stellen dat de bedoelingen van het boek duidelijk zijn weergegeven in de inleidende hoofdstukken. Het gaat niet om sensationele verhalen over in bonte kleuren geschilderde fouten in de gezondheidszorg of het beschuldigen en zwart maken van individuele hulpverleners in de zorg, maar over missers en fouten zoals die in de praktijk van iedere dag voorkomen en waarvan de gezondheidszorg moet leren. Patiënten moeten mondiger worden en verweerders willen kennis aanreiken ter bevordering daarvan.
Verder stellen verweerders dat bij lezing van de casus in het boek duidelijk zal zijn dat de zienswijzen van het regionaal en centraal tuchtcollege enerzijds en van Pop anderzijds op een aantal punten uiteenlopen. Dit behoeft Pop er niet van te weerhouden zijn, van de tuchtcolleges afwijkende, visie te geven op het functioneren van zorgverleners in het algemeen en klager in het bijzonder. Het is bovendien de taak van Van Dijk als journalist om, indien daar redenen toe zijn, kanttekeningen te plaatsen.
Verweerders voeren aan dat de casus in het boek is opgenomen vanwege de beschrijving van een lange en onzekere lijdensweg van een patiënte, die naar de mening van verweerders onnodig was, alsmede vanwege de beschrijving hoe die lijdensweg voorkomen had kunnen worden. Het is een goed journalistiek gebruik om een zaak als deze vanuit de visie van de patiënte te belichten, aldus verweerders.
Verder wijzen verweerders erop dat in het boek niet de volledige naam van klager is vermeld, maar dat initialen zijn gebruikt. Daarnaast houdt klager inmiddels geen praktijk meer in Maastricht. Bovendien zijn, ten opzichte van de eerdere publicatie in HP/De Tijd, de uitspraken van het regionaal en centraal tuchtcollege aangepast en juist weergegeven. Ten slotte stellen verweerders dat zij zich niet kunnen vinden in de eerdere uitspraak van de Raad. Van onzorgvuldige en onevenwichtige berichtgeving is geen sprake, aldus verweerders.

BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID voor zover de klacht is gericht tegen Pop
 
Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan: een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep. Voorts wordt onder een journalistieke gedraging in deze statuten en in de reglementen verstaan een handelen of nalaten in het kader van journalistieke werkzaamheden van iemand die geen journalist zijnde, regelmatig en tegen betaling meewerkt aan de redactionele inhoud van de in het volgende lid genoemde publiciteitsmedia.
De in artikel 4 lid 2 genoemde publiciteitsmedia zijn:
· een dagblad, nieuwsblad, huis-aan-huisblad of tijdschrift voor zover de inhoud daarvan bestaat uit   
 nieuws, foto’s en andere illustraties, verslagen of artikelen;
· een persbureau, voor zover de productie daarvan bestaat uit nieuws, foto’s en andere illustraties,   
 verslagen of artikelen bestemd voor dagbladen, nieuwsbladen, huis-aan-huisbladen, tijdschriften,
 radio, televisie, film, teletext of viewdata;
· programma’s die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws,
 reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard;
· films, beeld-, geluids- en ampexbanden, voor zover deze nieuws verschaffen, een documentair
 karakter dragen of dienstbaar zijn aan rubrieken van informatieve aard;
 en/of
· internet, teletext of viewdata, voor zover de inhoud daarvan bestaat uit nieuws, reportages,
 beschouwing of rubrieken van informatieve aard.
 
Niet ter discussie staat dat Pop geen journalist is. De medewerking van Pop aan het boek kan derhalve niet worden aangemerkt als een journalistieke gedraging in de zin van de statuten, zodat de Raad niet bevoegd is daarover te oordelen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT voor zover deze is gericht tegen Van Dijk
 
Van Dijk presenteert zich in het boek als researchjournalist en de meeste door hem beschreven casussen zijn eerder in artikelen van zijn hand in het tijdschrift HP/De Tijd verschenen. Aldus moet worden geconcludeerd dat het boek zodanig verband houdt met de beroepsuitoefening van Van Dijk, dat sprake is van een journalistieke gedraging, waarover de Raad bevoegd is te oordelen.
 
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 8 maart 2006 (RvdJ 2006/15), wordt zowel door de opmaak als de inhoud van de publicatie de indruk gewekt dat de vertraging in het stellen van de juiste diagnose bij de patiënte van klager alleen aan klager kan worden verweten en vooral het gevolg is van het feit dat klager ‘een hokje niet heeft aangevinkt’.
Uit de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven blijkt echter dat het tuchtcollege heeft geoordeeld dat het klager niet valt aan te rekenen “dat de aangevraagde coloscopie op eigen initiatief van de afdeling gastro-enterologie en zonder enig overleg met verweerder is omgezet in een sigmoïdoscopie”. Bovendien heeft het ziekenhuis in Maastricht aansprakelijkheid aanvaard voor de vertraging in het verrichten van de coloscopie bij de patiënte van klager. Door een en ander opnieuw onvermeld te laten heeft Van Dijk wederom op een wezenlijk punt onvolledig en onevenwichtig over de kwestie bericht. Bijzondere omstandigheden die de handelwijze van Van Dijk op dit punt zouden kunnen rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken.

Dat in de thans gewraakte publicatie de uitspraak in hoger beroep van het Centraal Tuchtcollege wordt vermeld en dat daarbij niet klagers volledige naam is vermeld, maar slechts zijn initialen zijn gebruikt, kan aan voornoemd oordeel van de Raad niet afdoen. Daarbij komt dat klager niet in de gelegenheid is gesteld commentaar op de kwestie te geven.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat Van Dijk naar het oordeel van de Raad grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond, voor zover gericht tegen Van Dijk. Voor zover de klacht is gericht tegen Pop acht de Raad zich onbevoegd over de klacht te oordelen.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting te (laten) publiceren op de website van Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar dan wel in een ander daartoe geëigend medium.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 10 april 2008 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. drs. M.G.N. Mathot, drs. P. Sijpersma en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L. Bultman-den Haan, plaatsvervangend secretaris.