2008/10 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
W.A.J. Prins
 
tegen
 
de hoofdredacteur van NOVA (NPS/VARA)
 
Bij brief van 23 december 2007 heeft W.A.J. Prins, Generaal-majoor der mariniers buiten dienst te Zwijndrecht (hierna: klager), een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NOVA (hierna: verweerder). Hierop heeft H. van der Parre, adjunct-hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 28 januari 2008. Verder hebben partijen bij brieven van 31 januari 2008 en 18 februari 2008 nog nadere stukken overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 31 januari 2008, in aanwezigheid van klager en diens broer W.B. Prins. Van de zijde van verweerder zijn verschenen voornoemde Van der Parre, G. van Ophoven, journalist, K. Ornstein, journalist en mw. mr. B. Aalberts, bedrijfsjurist bij de NPS. Op verzoek van verweerder is de behandeling van de zaak uitgesteld teneinde de door klager ter zitting overgelegde documenten nader te kunnen bestuderen. Op 25 februari 2008 is de behandeling van de zaak hervat in aanwezigheid van bovengenoemde partijen. Beide partijen hebben hun standpunten verder toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. 
 
DE FEITEN
 
Op 19 december 2007 is in een uitzending van NOVA aandacht besteed aan het strafproces tegen Eric O. betreffende een schietincident in Irak. Het betrof een vierde uitzending in een reeks uitzendingen over dit onderwerp. In de gewraakte uitzending, met als titel “Rechter in zaak Eric O. misleid” heeft verweerder transcripties uitgezonden van bandopnames van gesprekken met verschillende mariniers. Uit deze gesprekken zou blijken dat de mariniers   voor de rechter niet de waarheid hebben gesproken omtrent het schietincident. Zij zouden bovendien door Eric O. zijn geïntimideerd. Eén van de militairen beschrijft hoe hij door de hoogste marinier van het Korps Mariniers onder druk is gezet om gunstig voor Eric O. te getuigen. Klager is de bewuste hoogste marinier van het Korps Mariniers. In de uitzending is hij met naam, rang en functie genoemd.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat in de uitzending ernstige beschuldigingen worden geuit, die hem hebben geschaad in zijn goede naam en eer. Zo wordt gesteld dat hij een marinier – korporaal Tak –
die in de rechtszaak tegen Eric O. moest getuigen onder druk zou hebben gezet. Daarbij wordt klager met volle naam, rang en voormalige functie genoemd in de uitzending. Klager ontkent pertinent dat hij getuigen onder druk zou hebben gezet. Ter onderbouwing hiervan heeft hij ter zitting onder meer een brief van de advocaat van genoemde korporaal overgelegd, waarin verwezen wordt naar een verklaring die deze militair heeft overgelegd aan de Marechaussee. In deze verklaring wordt onder meer aangegeven dat klager de korporaal op geen enkele wijze heeft geïntimideerd. Bovendien vond het gesprek tussen klager en deze korporaal – zo blijkt uit deze verklaring – op verzoek van de laatste plaats. Verweerder had volgens klager dergelijke ernstige beschuldigingen nooit mogen publiceren zonder toepassing van wederhoor. Aangezien klager ten tijde van de uitzending al ruim drie jaar niet meer werkzaam was bij het ministerie van Defensie was het toepassen van wederhoor bij de directie voorlichting van dat ministerie in dit geval onvoldoende. Met het noemen van zijn volledige naam, rang en functie heeft verweerder voorts ten onrechte zijn privacy geschonden. Verweerder had moeten voorzien dat deze uitzending ernstige persoonlijke implicaties voor hem mee zouden brengen. Klager concludeert dat verweerder door aldus te handelen de grenzen van de journalistieke ethiek heeft overschreden.
 
Verweerder stelt voorop dat het hem vrij staat om te bepalen waarover hij bericht, op welke wijze en hoe de berichtgeving tot stand komt. Volgens verweerder is de gewraakte uitzending met inachtneming van alle juridische en journalistieke vereisten tot stand gekomen. De gewraakte uitzending was de vierde in een reeks van uitzendingen van NOVA over de manier waarop de zaak “Eric O.” was afgehandeld. In de gewraakte uitzending van 19 december 2007 hebben meerdere mariniers verklaard dat zij waren geïntimideerd en beïnvloed door leidinggevenden met de intentie de ware toedracht van het schietincident te verdoezelen. Verweerder hecht niet veel waarde aan de verklaring van de advocaat van één van die mariniers die klager ter zitting heeft overgelegd, aangezien die marinier in interviews lijnrecht het tegenovergestelde heeft verklaard. Ten aanzien van het toepassen van wederhoor stelt verweerder dat hij een dag voor de uitzending contact heeft opgenomen met de voorlichter van het ministerie van Defensie, de heer Beeksma, voor een reactie op de verklaringen van de getuigen. Daarbij is uitdrukkelijk ook klagers naam gevallen. Beeksma heeft niet aangegeven dat hij niet mede namens klager het woord deed. Gelet hierop en nu het ging om feiten die hadden plaatsgevonden in 2003 en 2004, toen klager nog in dienst was van het ministerie, kon verweerder ervan uitgaan dat Defensie ook namens klager het woord deed. Naast het ministerie van Defensie zijn ook het Openbaar Ministerie en de Koninklijke Marechaussee om een reactie gevraagd. Verweerder is dan ook van mening dat de regels van hoor en wederhoor op de juiste wijze zijn toegepast. Bovendien was het in dit geval journalistiek relevant om klager bij naam, rang en functie te benoemen. Er was slechts één Commandant van het Korps Mariniers. De privacy van klager is op geen enkele wijze in het geding geweest. In de uitzending zijn slechts openbare en algemeen controleerbare feiten aan de orde gekomen. Verweerder stelt alleen gegevens over klager te hebben gebruikt die in het kader van de berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk waren. Deze vermeldingen staan in verhouding met het maatschappelijk belang van de uitzending. Volgens verweerder dient de klacht ongegrond te worden verklaard.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht luidt dat voorafgaand aan de uitzending van 19 december 2007 ten onrechte geen wederhoor heeft plaatsgevonden.
 
De Raad stelt voorop dat een journalist bij het publiceren van beschuldigingen dient te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek)
 
In de gewraakte uitzending wordt vermeld dat één van de getuigen van het schietincident vlak voor de rechtszaak tegen Eric O. bij klager moest komen. Klager zou daar deze getuige onder druk hebben gezet een voor Eric O. positieve verklaring af te leggen. Daarnaast wordt door verweerder in de uitzending aan de persofficier van het Openbaar Ministerie de vraag gesteld: “Nu blijkt uit onze uitzending dat de Generaal Prins het nodige heeft gedaan om een getuige onder druk te zetten, wordt dat dan ook onderzocht?” Gelet hierop laat de uitzending voor de toehoorder weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat klager zich schuldig zou hebben gemaakt aan beïnvloeding van een getuige. Deze zeer ernstige beschuldiging heeft zowel betrekking op klager persoonlijk als op klager in de uitoefening van zijn voormalige functie. De beschuldiging is kennelijk met name gebaseerd op verklaringen van korporaal Tak. Deze marinier heeft echter via zijn advocaat mr. Knoops een verklaring afgelegd dat klager hem geenszins onder druk heeft gezet voor het afleggen van een positieve getuigenis. Gelet hierop bestaat op zijn minst twijfel of de beschuldigingen worden ondersteund door een deugdelijke feitelijke grondslag.
 
Ten aanzien van de toepassing van wederhoor heeft verweerder gesteld dat hij meermalen contact heeft gehad met de heer Beeksma van de directie Voorlichting van het ministerie van Defensie. In het telefonisch contact met het ministerie van 18 december 2007 is het ministerie volgens verweerder op de hoogte gesteld van de voorgenomen rapportage, inclusief het noemen van alle citaten en namen. Of de naam van klager in dat contact is genoemd lijkt niet onaannemelijk, maar is gelet op de ontkenning van de zijde van het ministerie ter zake niet als vaststaand aan te nemen. Hierdoor is de Raad niet in staat zich op dit punt uit te spreken. Dat van de zijde van het ministerie geen of onvoldoende actie is ondernomen jegens klager valt klager overigens niet te verwijten. Daar komt bij dat verweerder wist dat klager ten tijde van de uitzending al ruim drie jaar niet meer in dienst was bij het ministerie. Derhalve valt niet in te zien waarom verweerder geen contact heeft gezocht met klager zelf. Van zwaarwegende redenen van algemeen belang die dat kunnen rechtvaardigen, is de Raad niet gebleken.
 
Ten slotte overweegt de Raad dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is.  Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)
 
Klager is in de uitzending met zijn volledige naam genoemd. Hij is stigmatiserend in de publiciteit gebracht, op een wijze waardoor de indruk wordt gewekt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onder druk zetten van een getuige. Verweerder heeft aangevoerd dat hij alleen zijn naam en functie heeft vermeld, hetgeen al overal bekend was. De publicatie had echter terughoudender kunnen zijn, zonder dat afbreuk was gedaan aan de aard en inhoud ervan, en met behoud van de bescherming van de belangen van derden. Naar het oordeel van de Raad is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van klager en is sprake van een inbreuk op zijn privacy die verder gaat dan in het kader van de berichtgeving noodzakelijk was.
 
Door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld heeft verweerder derhalve de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk toelaatbaar is.  
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van NOVA en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 20 maart 2008 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. F.W. Dresselhuys, drs. G.T.M. Driehuis, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mw. mr. L.F. Egmond, plaatsvervangend secretaris.