2008/1 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
het Rode Kruis Ziekenhuis
 
tegen
 
de hoofdredacteur van het AD
 
Bij brief van 26 oktober 2007 heeft drs. H.D.B. Vermeulen, namens het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk (hierna: klager), een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het AD (hierna: verweerder). Hierop heeft D. van der Meer, plv. hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 16 november 2007 met vier bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 december 2007. Klager is daar vertegenwoordigd door mevrouw J. ter Haar, afd. Communicatie. Namens verweerder zijn R. van Geenen, verslaggever, en voornoemde Van der Meer verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 1 september 2007 is op de voorpagina van het AD een artikel verschenen onder de kop “St. Antonius in Nieuwegein is het allerbeste ziekenhuis” met de onderkop “AD Ziekenhuis Top 100: Zorg in klinieken verbeterd”. Het artikel is vervolgd op pagina 6 onder de kop “’We zijn nummer 1’, gonst het in Nieuwegein”. Voorts is in de weekendbijlage aandacht aan de Ziekenhuis Top 100 besteed. De Ziekenhuis Top 100 is bovendien gepubliceerd op www.ad.nl. Ook klager komt in die ranglijst voor.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat verweerder bij het opstellen van de ranglijst stelselmatig het ISO 2000-kwaliteitskeurmerk negeert. Klager is het enige ziekenhuis in Nederland dat dit internationaal erkende kwaliteitskeurmerk heeft. Alhoewel hij verweerder daarover regelmatig heeft benaderd, besteedt verweerder alleen aandacht aan het keurmerk van het Nederlands Instituut Ziekenhuis Accreditaties (hierna: NIAZ). Volgens klager kan het zijn dat verweerder alleen kiest voor een bepaald kwaliteitsmerk en een ander keurmerk negeert, maar dient verweerder dat dan wel te onderbouwen. Verweerder heeft dat ten onrechte nagelaten, aldus klager.
Klager heeft de indruk dat verweerder geen kennis heeft van de waarde van het ISO 2000-keurmerk. In dat verband wijst klager erop dat het ISO 2000-keurmerk door honderden ziekenhuizen wereldwijd wordt erkend, maar ook door andere soorten bedrijven wordt gehanteerd. Het ISO 2000-keurmerk is dus branche onafhankelijk, hetgeen er onder meer toe leidt dat de criteria goed communiceerbaar zijn. Om een ISO 2000-keurmerk te verkrijgen moet een bedrijf zich aanmelden. Al het doen en laten van de organisatie wordt beschreven en de kwaliteit wordt door middel van externe audits getoetst. Het ISO 2000-keurmerk wordt met name ook gehanteerd en erkend in Azië, waar 's werelds beste ziekenhuizen zijn gevestigd.
Ten aanzien van het NIAZ-keurmerk merkt klager verder op dat in de tijd dat het ziekenhuis zich aanmeldde voor het ISO 2000-keurmerk, het NIAZ-keurmerk nog niet bestond. Het NIAZ-keurmerk is mede uit het ISO 2000-keurmerk voortgekomen. Bij het NIAZ-keurmerk wordt echter geen aandacht besteed aan de processen tussen afdelingen onderling, terwijl dit wel een belangrijk aspect is voor de kwaliteit. Bovendien vindt de audit bij klager plaats door de onafhankelijke organisatie KEMA, terwijl de audit in het kader van het NIAZ-keurmerk geschiedt door collega-instellingen.
Volgens klager heeft verweerder een en ander ten onrechte niet onderzocht. Aldus heeft verweerder het belang van het ISO 2000-keurmerk onderschat en miskend dat de Nederlandse Vereniging voor Ziekenhuizen juist zeer geïnteresseerd is in de wijze waarop kwaliteitsborging plaatsvindt door middel van het ISO 2000-keurmerk. Overigens erkent ook de Inspectie voor de Gezondheidszorg het ISO 2000-keurmerk.
Klager betoogt dat het onterecht en ongemotiveerd negeren van het ISO 2000-keurmerk van invloed is op zijn reputatie. De huidige handelwijze van verweerder is niet correct en daarom misleidend en journalistiek onzorgvuldig, aldus klager.
 
Verweerder stelt voorop dat de AD Ziekenhuis Top 100 niet is gebaseerd op een enquête. Het is een kwaliteitsoverzicht dat is gebaseerd op zogeheten prestatie-indicatoren waarvan de uitgangspunten zijn vastgelegd door de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen en de Orde van Medisch Specialisten. Ziekenhuizen vullen jaarlijks een zogenoemde ‘basisset prestatie-indicatoren’ in en zijn wettelijk verplicht deze vóór een bepaalde datum in te dienen bij de Inspectie. Een kopie van dit document wordt aangevuld met indicatoren op het terrein van organisatie en kwaliteit en wordt vervolgens gezonden naar de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen. Op enig moment wordt het dan publiek toegankelijk gemaakt via de databank Ziekenhuizentransparant. Deze databank kan worden gezien als de hoofdbron voor de AD Ziekenhuis Top 100. De uitkomsten van de indicatoren worden door het AD gewogen en gewaardeerd om te komen tot een puntentelling. Dat proces vindt plaats op basis van uitgebreide consultatie bij onder meer gezaghebbende deskundigen, branche- en beroepsorganisaties en wetenschappelijke verenigingen. Verder vindt raadpleging en toetsing van medische literatuur, protocollen en veldnormen plaats. Bij de puntentelling die daaruit volgt, wegen kwaliteitsaspecten die direct van invloed zijn op het welzijn van patiënten veel zwaarder dan omgevingsfactoren zoals het streven naar of het hebben van een NIAZ-keurmerk, aldus verweerder.
In deze zaak gaat het om het begrip ‘veldnorm’. Uit de vraagstelling in de eerder genoemde ‘basisset prestatie-indicatoren’ kan worden opgemaakt dat het bezitten van een NIAZ-keurmerk, of het streven daarnaar, door de branche wordt beschouwd als hoofdindicator voor de mate waarin een ziekenhuisorganisatie kwaliteitsbeleid nastreeft. Een en ander geldt als ‘veldnorm’, een door de branche breed gedragen uitgangspunt. Via het NIAZ kan ook gemakkelijker en dwingender worden gestreefd naar vergaande kwaliteitsslagen in de ziekenhuiszorg. Via ISO 2000 is dat minder gemakkelijk door te voeren, aldus verweerder.
Bij de samenstelling van de Ziekenhuis Top 100 leunt het AD voor een belangrijk deel op ‘veldnormen’. De waardering voor de NIAZ-erkenning in de uiteindelijke ranglijst volgt daaruit. De maximale score voor deze indicator bedraagt twee punten. Een ziekenhuis dat nog geen NIAZ-erkenning heeft, maar er wel naar streeft, scoort één van de twee punten. Ook klager heeft een punt gekregen omdat hij over het niet breed gedragen ISO 2000-keurmerk beschikt en blijkbaar belang hecht aan gestructureerd kwaliteitsbeleid.
Voorts merkt verweerder op dat de criteria in de prestatie-indicatoren voortdurend onderwerp zijn van debat. Als klager aannemelijk wil maken dat het ISO 2000-keurmerk vergelijkbaar is met, of superieur aan de NIAZ-erkenning, ligt het voor de hand dat klager daarover een discussie aan gaat met de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, de opsteller van de betreffende prestatie-indicator. Wanneer de uitkomst zou zijn dat ISO 2000 minstens gelijk is aan de NIAZ-erkenning, zal dat ook tot uitdrukking komen in de uitkomsten van de ‘basisset prestatie-indicatoren’ waarop de AD Ziekenhuis TOP 100 voornamelijk is gebaseerd.
Naar de mening van verweerder betreft de klacht niet zo zeer een journalistieke gedraging, maar gaat het meer om een meningsverschil tussen klager en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen.
Ter zitting heeft Van Geenen hieraan nog toegevoegd dat hij zich wel heeft verdiept in ISO 2000, maar dat de ziekenhuizen op basis van dezelfde normen met elkaar worden vergeleken en dat hij zich in dit geval heeft gebaseerd op de zogeheten ‘veldnormen’ die door alle relevante organisaties worden gedragen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerder journalistiek onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld door het ISO 2000-keurmerk te negeren en dat niet in de berichtgeving te onderbouwen.
 
De berichtgeving behelst een beoordeling van ziekenhuizen aan de hand van verschillende criteria. Het eindoordeel wordt tot uitdrukking gebracht in een score en een ranglijst. Deze kritische beschouwing van ziekenhuizen, waaronder klager, is aan te merken als een recensie c.q. productbeoordeling.
 
Aan columnisten, cartoonisten en recensenten komt een grote mate van vrijheid toe om hun mening te geven over gebeurtenissen en personen. Daarbij zijn stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten geoorloofd. De grenzen van het toelaatbare worden overschreden wanneer cartoons en (passages in) columns en recensies in redelijkheid geen ruimte laten voor een andere karakterisering dan dat zij kwetsend en beledigend zijn voor personen of bevolkingsgroepen. Voor recensies geldt bovendien dat zij geen wezenlijke onjuistheden mogen bevatten. (zie punt 3.1. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek)
 
Naar het oordeel van de Raad is voldoende gebleken dat verweerder bij het opstellen van de AD Ziekenhuis Top 100 zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de diverse criteria en normen waarop de ranglijst is gebaseerd. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zich daarbij met name heeft gebaseerd op uitgangspunten en normen die in de ziekenhuisbranche breed worden gedragen.
 
Er bestaat geen norm van journalistieke ethiek die meebrengt dat verweerder bij de samenstelling van de ranglijst ook het ISO 2000-keurmerk had behoren te betrekken. Dat dit kenmerk wellicht vergelijkbaar is met, of mogelijk superieur aan, de door verweerder gehanteerde criteria – zoals klager heeft aangevoerd – maakt dat niet anders. Overigens heeft verweerder onbetwist gesteld dat aan klager een punt is toegekend vanwege het ISO 2000-keurmerk.
 
Verweerder heeft bovendien aan de lezer voldoende duidelijk gemaakt welke criteria bij de beoordeling zijn betrokken. Niet is gebleken dat de berichtgeving relevante onjuistheden bevat.
 
De Raad ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder bij het opstellen van de AD Ziekenhuis TOP 100 grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk toelaatbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het AD te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 25 januari 2008 door mr. A. Herstel, voorzitter, drs. B.J. Brouwers, drs. G.T.M. Driehuis en mw. drs. M.G.N. Mathot, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.
 
Raadslid mr. J. Olde Kalter heeft aan de behandeling van en beraadslaging over deze zaak deelgenomen, maar is helaas vóór de vaststelling van de uitspraak overleden.