2007/79 ongegrond onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
mr. drs. C.B.A. Spil RA
 
tegen
 
prof. dr. mr. M. Pheijffer en de hoofdredacteur van het Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie (MAB)
 
Bij brief van 4 oktober 2007 met vijf bijlagen heeft mr. drs. C.B.A. Spil RA (hierna: klager) een klacht ingediend tegen prof. dr. mr. M. Pheijffer en de hoofdredacteur van het Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie (hierna: verweerders). Verweerders hebben op het klaagschrift gereageerd bij brief van 26 oktober 2007 met drie bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 november 2007, in aanwezigheid van Pheijffer en C.D. Knoops, hoofdredacteur van het MAB. Partijen hebben hun klachten toegelicht aan de hand van pleitnotities.
 
Ten slotte heeft Knoops op 9 november 2007 nog een e-mailbericht aan de Raad doen toekomen. Dit e-mailbericht is ter kennisneming aan klager gestuurd.
 
DE FEITEN
 
In het nummer van juni 2007 van het Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie is van de hand van Pheijffer een artikel verschenen onder de kop “De totstandkoming van IFAC-standaarden: de beste stuurlui staan aan wal”. Bij het artikel is een samenvatting geplaatst. Deze luidt als volgt:
“Het Koninklijk NIVRA heeft zich in het verleden aangesloten bij de International Federation of Accountants (IFAC). Deze organisatie is op internationaal niveau de belangenbehartiger voor het accountantsberoep en kan standaarden uitvaardigen. Voorbeelden van dat laatste zijn de Code of Ethics en de International Standards of Auditing (ISA's). Bij IFAC aangesloten beroepsorganisaties zijn verplicht de door IFAC uitgevaardigde standaarden te implementeren. Maar hoe komen die standaarden nu precies tot stand? Is er sprake van een due process? Welke organisaties oefenen daar invloed op uit? Is het maatschappelijk belang geborgd en is er sprake van consultatie en inspraak? Welke kritiek is er ten aanzien van de in deze vragen opgeworpen aspecten geuit? Genoemde aspecten en vragen komen in deze bijdrage aan de orde. De conclusie is dat kritiek op het due process van IFAC mogelijk en begrijpelijk is. IFAC-criticasters worden opgeroepen niet te lang ‘als beste stuurlui aan wal te blijven staan’; zij kunnen én moeten hun stem eerder – in het internationale en niet in het nationale proces – laten horen.”
De inleiding van het artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Het is een eufemisme om de discussie over de Verordening Gedragscode (VGC) heftig te noemen. Brenda Westra, met Hans Blokdijk en Corneel Spil een belangrijk tegenstander van de medio december 2006 door de leden van het Koninklijk NIVRA aangenomen code, refereerde zelfs aan 'beulen' toen zij doelde op de opstellers van die code.”
en:
“In deze bijdrage zal ik het beeld dat genoemden schetsen ten aanzien van IFAC en de totstandkoming van regelgeving onder de IFAC-vlag, proberen bij te stellen. Naar mijn mening ligt een en ander genuanceerder. (…) In deze bijdrage zal ik mij beperken tot het due process (in ruime zin, organisatie IAASB en de totstandkoming van ISA's) dat zich afspeelt ten aanzien van de uitvaardiging van ISA's door de IAASB.”
In paragraaf 5 van het artikel wordt onder de subkop “Due process IAASB” onder meer het volgende vermeld:
“Kortom: de procedure rond de totstandkoming van standaarden kent een sterke mate van transparantie, consultatie en mogelijkheden tot inspraak. De belangen van het maatschappelijk verkeer worden vertegenwoordigd door toezichthouders, PIOB en CAG. Voorts hebben de diverse geledingen in het maatschappelijk verkeer alle gelegenheid zelf commentaar te leveren. Daar zit veel meer het probleem: er zijn te weinig geledingen die zich laten horen. Althans niet tijdens de officiële commentaarrondes. (…) Ik hoop dat de weg naar IFAC door dit artikel beter te vinden is en dat ik Nederlandse criticasters voldoende uitdaag tot het leveren van commentaar tijdens de internationale consultatierondes van de IFAC-organen. Gekeken naar de VGC-code (overigens geen IAASB standaard, maar wel een IFAC-code) waaraan ik in de inleiding refereerde, kan in het verlengde van voorgaande alinea worden opgemerkt; welk geluid hebben Nederlandse criticasters als collega's Blokdijk, Spil en Westra nu eigenlijk laten horen toen het er in internationaal verband echt om ging? De accountancyregels worden immers niet in Nederland, maar internationaal opgesteld. Welnu: toen was het oorverdovend stil!”
Verder wordt aan het slot van het artikel in paragraaf 7 onder subkop “Conclusie” onder meer vermeld:
“Ben ik dan ‘horende doof’ en kritiekloos? Zou er dan volgens mij helemaal niets meer kunnen verbeteren aan de IFAC-processen? Welnu, zoals gezegd herken ik mij in een deel van de kritiek en natuurlijk kan het altijd beter. (…) Maar mijn belangrijkste verbetering is van andere orde: ik zou willen dat de ‘beste’ stuurlui niet langer aan wal blijven staan. Dat zij zich eerder mengen in het debat. Dat er gaande het proces positieve en opbouwende kritiek komt. Daar hebben de accountantsprofessie én het maatschappelijk verkeer mijns inziens meer aan dan negatieve kritiek achteraf.”
 
Op 19 juni 2007 heeft klager in een email een reactie op dit artikel aan het MAB gezonden. Onder de kop “Waarom de beste stuurlui aan wal staan!” staat onder meer het volgende vermeld:
Onderstaand wordt kort uiteengezet waarom ik aan wal blijft staan bij IFAC na vergeefse pogingen een bijdrage te leveren aan het debat.
Zoals collega Hassink al opmerkte in zijn oratie is het proces bij Ifac misschien wel goed, het resultaat niet. Dit constateert ook collega Bindenga al in eerder artikel in MAB. Daarom stuurt de oppositie binnen Nivra momenteel aan op een “open” debat op de meest positieve wijze. Graag stel ik daarom collega Pheiffer dan ook in de gelegenheid om de meest fundamentele vraag te beantwoorden die verscholen gaat onder al die ruim 1000 pagina's van het Ifac-Handboek. Die vraag is het verband in de Code of Ethics tussen de RA-titel als opleidingstitel, c.q. accountant in business (deel C VGC) en de IAASB-regels die gaan over audit en de daarbij behorende kantoorvoorschriften en toetsing.”
en verder:
“Allereerst breng ik in herinnering dat het Nivra-Bestuur een open debat over de VGC onmogelijk heeft gemaakt. Het Nivra-Bestuur blijft immers verhinderen, in strijd met de Wet op de Registeraccountants en de democratische grondrechten van de leden, dat onwelgevallige moties, alternatieve X-Codes en Limpberg codes c.q. amendementen op de ledenvergadering in stemming worden gebracht. (…) De Code of Ethics is primair van toepassing op de accountant als persoon. Bij een letterlijke vertaling van de Code of Ethics is de positie van individuele management-accountants (samenstellers, adviseurs, etc.), lid van een afzonderlijke management-accounting-club aangesloten bij IFAC, duidelijk. Daarentegen heeft de VGC de positie van management-accountants in Nederland heel onduidelijk gemaakt (…).”
Tot slot wordt in de reactie vermeld:
“Uit de mails bijgevoegd in de link “Ifac heeft alle management-accountants vrijgesteld van RAC/COS en CTK! blijkt dat IFAC, althans de senior secretaris van de IAASB, de heer Sylph, die vraag niet wenst te beantwoorden anders dan met “dooddoeners”. Daarom zie ik het antwoord van de heer Pheiffer op de vraag gesteld aan de heer Sylph, toegespitst op de Nederlandse situatie, met veel belangstelling tegemoet.”
Deze reactie is door het MAB niet geplaatst.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt voorop dat het MAB een uiterst serieus wetenschappelijk tijdschrift is dat veel wordt gelezen in accountantskringen. Verder wijst hij er op dat hij als voorzitter van de Stichting SWA en vice-voorzitter van de Stichting WMO al geruime tijd in een intensieve discussie is verwikkeld met senior secretarissen van Ifac over de betekenis en interpretatie van verschillende Ifac-standaarden. Het heeft klager verbaasd dat zijn naam op deze politieke wijze in het artikel wordt genoemd. In tegenstelling tot sommige andere collega's is hem niet vooraf om zijn mening gevraagd. Vandaar dat hij heeft aangeboden een reactie op het artikel te geven, aldus klager. Vervolgens is een langdurige mailcorrespondentie ontstaan tussen hem en verweerders. Het MAB heeft geweigerd om de reactie van klager te plaatsen aangezien deze vooral zou gaan over de Code of Ethics en de VGC terwijl dat slechts een zijlijn van het artikel zou zijn. Verder zou de reactie van klager te veel voor insiders geschreven zijn en onvoldoende afgestemd op het lezerspubliek van het MAB. Wel mocht klager van het MAB een zelfstandig leesbaar artikel schrijven over de Code of Ethics en de in Nederland spelende discussie.
Klager betoogt dat in het artikel de mening “de beste stuurlui staan aan wal” ten onrechte als feit is gepresenteerd. Bovendien is die mening inmiddels al weerlegd, omdat de heer Blokdijk wel commentaar had geleverd op de exposure drafts uit New York. Verder benadrukt klager dat hij een intensieve discussie voerde met Ifac over de juiste interpretatie van Ifac-standaarden. Door niettemin een daarmee strijdige mening als feit te presenteren is volgens klager in strijd gehandeld met punt 1.4. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek. Dit klemt te meer nu kwalificatie “de beste stuurlui staan aan wal” zonder deugdelijk onderzoek en zonder hoor en wederhoor in het artikel is opgenomen. Volgens klager moet deze kwalificatie worden gezien als een politiek statement in het debat dat binnen het Nivra en het NOvAA plaatsvindt met de bedoeling om zijn positie in dat debat te ondergraven. Op die manier is ook artikel 1.1. van de Leidraad geschonden. Volgens klager is het artikel tendentieus, ondeugdelijk en niet op feiten gebaseerd. Dit alles klemt volgens klager te meer nu het MAB zijn reactie niet heeft willen plaatsen en ook geen rectificatie heeft willen opnemen. Volgens jurisprudentie van de Raad dient, indien blijkt dat onjuist dan wel op een wezenlijk punt onvolledig is bericht, op zo kort mogelijke termijn een passende en ruimhartige rechtzetting geplaatst te worden. Al met al hebben verweerders onzorgvuldig gehandeld, aldus klager.
Voor zover verweerders de Raad niet bevoegd achten van de klacht kennis te nemen merkt klager op dat de heer Knoops hoofdredacteur is van een blad dat in opdracht van de redactie van het Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie door Reed Business Information B.V. wordt uitgegeven. Zijn handelen moet dan ook volgens klager worden aangemerkt als een journalistieke gedraging als bedoeld in de Statuten van de Raad. Pheijffer is weliswaar geen journalist maar werkt regelmatig mee aan het maandblad. Gemiddeld schrijft een auteur eens per jaar voor het maandblad, maar Pheijffer heeft reeds drie publicaties op zijn naam staan.
 
Verweerders stellen dat de auteur van het artikel geen journalist maar een wetenschapper is. Voor het schrijven van het artikel heeft hij bovendien geen vergoeding ontvangen. De klacht jegens Pheijffer achten verweerders dan ook niet-ontvankelijk. Ook de hoofdredacteur is geen journalist, hij schrijft ook geen artikelen in het MAB. De auteur is volgens verweerders primair voor de artikelen verantwoordelijk en de redactie beoordeelt vervolgens de kwaliteit. Ook met betrekking tot de hoofdredacteur kan in zoverre van een journalistieke gedraging geen sprake zijn.
In zijn e-mailbericht van 9 november 2007 heeft Knoops ter zake opgemerkt dat het MAB een onafhankelijk tijdschrift is. Het MAB is een maatschap met de kernredactieleden als maten. Knoops behoort niet tot de maatschap, maar werkt voor 0,3 fte van zijn aanstelling bij de Erasmus Universiteit als hoofdredacteur voor het MAB. De hoofdredacteur werkt in opdracht van de kernredactie die het beleid bepaalt. De verhouding tussen de maatschap MAB en Reed Elsevier betreft een contractuele overeenkomst waarbij Reed Elsevier zich heeft verplicht zorg te dragen voor drukken en distributie.
Verweerders stellen verder dat het MAB een wetenschappelijk tijdschrift is, waarin getracht wordt inzichten vanuit de wetenschap toegankelijk te maken voor de doelgroep. Ook artikelen die meer beschrijvend van aard zijn worden in het MAB gepubliceerd. Soms worden auteurs uitgenodigd om een reactie te schrijven op te publiceren artikelen. In dit geval is klager daar niet om gevraagd, maar wel andere in het artikel genoemde personen. Dit had met name te maken met het feit dat die personen reeds veel hadden gepubliceerd en van hen bekend was dat het goede auteurs zijn. Maar daarnaast kunnen lezers ook spontaan reageren. Daartoe is de rubriek ‘Lezers reageren’ opgenomen.
Het gewraakte artikel is op verzoek van de redactie Accountantscontrole geschreven. Het gaat over het proces van totstandkoming van regelgeving voor de accountantscontrole, het zogeheten ‘due process’. In dat proces worden alle belanghebbende partijen uitgenodigd te reageren op voorstellen voor nieuwe regels. Pheijffer stelt ten aanzien van dat proces als belangrijkste verbetering dat de ‘beste stuurlui’ niet langer aan wal blijven staan en zich eerder, namelijk op internationaal niveau, mengen in het debat.
De reactie van klager op dit artikel is afgewezen omdat de bijdrage betrekking heeft op een deelaspect van het artikel en omdat de reactie te veel voor ingewijden is geschreven. Volgens de redactie is de bijdrage van klager slecht geschreven en zelfs voor ingewijden niet goed te volgen. Volgens de redactie zou plaatsing dan ook onverantwoord zijn jegens de lezers van het MAB. Verweerders wijzen erop dat verschillende suggesties zijn gedaan ten behoeve van een reactie van de zijde van klager. En telkens weer is klager uitgenodigd zijn reactie aan te passen en zelfs een eigen artikel te schrijven. Er is daarbij niet tot overeenstemming gekomen. Maar er is geen sprake van dat de redactie heeft geweigerd een reactie van klager te plaatsen. Klager lijkt in dit verband achterdochtig te zijn jegens de redactie en het MAB. Daarbij wijzen verweerders op een aantal in de mailcorrespondentie geuite verwijten jegens het MAB en de hoofdredacteur. Daarbij trekt klager de integriteit van hen in twijfel. De achterdocht van klager is evenwel volkomen misplaatst. Een ander lid van de door klager genoemde oppositie heeft ook een lezersreactie ingezonden en die is wel geplaatst. Naar het oordeel van verweerders bestaat er dan ook geen enkele deugdelijke grondslag voor de door klager geuite beschuldigingen.
Verweerders betogen dat klager er ten onrechte van uitgaat dat het artikel een persoonlijke aanval op de oppositie binnen het NIVRA betreft. Feitelijk wordt de naam van klager maar twee keer genoemd. Bovendien roept Pheijffer alleen op eerder te reageren en niet pas achteraf kritiek te leveren. Volgens verweerders was het artikel dan ook niet grievend of verwijtend bedoeld. Voor hoor en wederhoor bestond volgens verweerders geen aanleiding, nu het een wetenschappelijk artikel betreft. Daarnaast wijzen verweerders erop dat het artikel blijkens de literatuurlijst is gebaseerd op een groot aantal bronnen. Van ondeugdelijk onderzoek kan dan ook geen sprake zijn. Bovendien is het artikel wat klager betreft ook niet onjuist. De contacten van klager richting IFAC dateren van april 2007. Terwijl het Pheijffer in zijn artikel er nu juist om ging dat in een vroeger stadium zou moeten worden gereageerd. Nergens valt uit af te leiden dat klager in dat vroege stadium ook die contacten heeft gehad.
 
BEOORDELING VAN DE BEVOEDHEID VAN DE RAAD
 
Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep. Voorts wordt onder een journalistieke gedraging in deze statuten en in het reglement verstaan een handelen of nalaten in het kader van journalistieke werkzaamheden van iemand die geen journalist zijnde, regelmatig en tegen betaling meewerkt aan de redactionele inhoud van de in het volgende lid genoemde publiciteitsmedia. Ingevolge het tweede lid van artikel 4, voor zover thans van belang, moet onder journalist worden verstaan “degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van publiciteitsmedia, waaronder een dagblad, nieuwsblad, huis-aan-huisblad of tijdschrift voor zover de inhoud daarvan bestaat uit nieuws, foto's en andere illustraties, verslagen of artikelen.
 
Voor zover de klacht is gericht tegen Pheijffer overweegt de Raad dat onbestreden is dat hij geen journalist is. Van journalistieke werkzaamheden als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Statuten is naar het oordeel van de Raad evenmin sprake, nu is gebleken dat hij niet tegen betaling meewerkt aan het MAB. Ook voor het gewraakte artikel heeft hij geen financiële vergoeding ontvangen. In zoverre acht de Raad zich onbevoegd om over de klacht te oordelen.
 
Voor zover de klacht tegen de hoofdredacteur van het MAB is gericht, overweegt de Raad dat het MAB is aan te merken als een tijdschrift als bedoeld in artikel 4, tweede lid, nu de inhoud van het MAB naast wetenschappelijke artikelen bestaat uit achtergronden van en commentaar op gesignaleerde ontwikkelingen in het vakgebied. Blijkens het e-mailbericht van 9 november 2007 werkt Knoops voor 0,3 fte van zijn aanstelling bij de Erasmus Universiteit als hoofdredacteur van het MAB. Hieruit moet worden geconcludeerd dat Knoops voor zijn werkzaamheden als hoofdredacteur wordt betaald.
Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het plaatsen van het artikel niet kan worden aangemerkt als een journalistieke gedraging als bedoeld in de Statuten. De Raad acht zich in zoverre dan ook bevoegd om de klacht te beoordelen.   
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT voor zover gericht tegen de hoofdredacteur van het Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie (MAB)
 
 
Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat het artikel de door klager gestelde onjuistheden bevat. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, anders dan in het artikel wordt beweerd, reeds bij de internationale behandeling van de nieuwe regels op die regels heeft gereageerd. De door hem naar voren gebrachte informatie waaruit zou blijken dat hij wel degelijk contacten heeft gehad met de IFAC dateren van na de behandeling aldaar van de Code of Ethics. Die informatie kan dus niet leiden tot het oordeel dat het artikel een onjuiste suggestie bevat.
 
Voorts overweegt de Raad dat de aanduiding “de beste stuurlui staan aan wal” naar zijn oordeel, mede gezien de context van het artikel, niet als diffamerend kan worden aangemerkt. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het artikel grotendeels een beschrijving van het proces van totstandkoming van nieuwe regels bevat en dat daarbij door de auteur een aantal criticasters van die regels wordt uitgenodigd om eerder in dat proces hun kritiek te uiten. Mede gelet hierop ziet de Raad evenmin grond voor het oordeel dat in het artikel een ernstige beschuldiging jegens klager wordt geuit. Dit brengt naar het oordeel van de Raad met zich dat, gelet op punt 2.3.1. van de Leidraad voor hoor en wederhoor geen aanleiding bestond.
Met betrekking tot de door klager ingezonden reactie wijst de Raad erop dat het de redactie vrij staat om ingezonden brieven en andere reacties van een naschrift te voorzien of niet te plaatsen, tenzij plaatsing geboden is vanwege bijzondere omstandigheden. Hoewel klager met naam wordt genoemd in het artikel, is – mede in het licht van het hiervoor overwogene – van zulke bijzondere omstandigheden naar het oordeel van de Raad geen sprake.
 
Gezien al het voorgaande heeft de hoofdredacteur van het MAB naar het oordeel van de Raad geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. In zoverre is de klacht dan ook ongegrond.
 
BESLISSING
 
De Raad acht zich niet bevoegd de klacht tegen Pheijffer te beoordelen. De klacht tegen de hoofdredacteur van het MAB is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het MAB te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 17 december 2007 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, dr. M.J. Broersma, mr. T.E. Klein, E.J.M. Lamers en drs. P. Olsthoorn, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.