2007/77 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
A. Katoen
 
tegen
 
B. Hulzebos en de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden
 
Bij brief van 29 augustus 2007 heeft A Katoen te Groningen (hierna: klager) een klacht ingediend tegen B. Hulzebos en de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden (hierna: verweerders). Verweerders hebben op het klaagschrift gereageerd bij brief van 3 oktober 2007. Ten slotte heeft klager op 18 oktober 2007 zijn klacht nog schriftelijk nader toegelicht.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 november 2007, in aanwezigheid van B. Hulzebos en H. Blanken, adjunct-hoofdredacteur. Klager is daar niet verschenen.  
 
DE FEITEN
 
Klager heeft contact gezocht met Hulzebos en hem van informatie voorzien over onder meer de handel en wandel van diverse makelaars in Groningen. Daarnaast heeft klager Hulzebos informatie toegespeeld over een bank in Groningen. Volgens klager zou er sprake zijn van duidelijke misstanden. Hij heeft verweerders verzocht hierover te publiceren in het Dagblad van het Noorden. Een artikel over dit onderwerp is niet verschenen.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat verweerders er ten onrechte voor hebben gekozen om niet te publiceren over de door hem aan de kaak gestelde gang van zaken rond de aan- en verkoop van een aantal panden in Groningen. Hij betoogt dat aan hem is toegezegd dat er twee à drie pagina's in de zaterdageditie aan dit onderwerp zouden worden besteed. Ten behoeve van dit artikel heeft klager zeer veel informatie aan verweerders verschaft. Ook heeft er regelmatig contact plaatsgevonden met Hulzebos, aldus klager.
Klager stelt verder dat verweerders er kennelijk voor hebben gekozen de zaak in de doofpot te stoppen. Aldus hebben zij de kant gekozen van de witteboordencriminelen in Groningen. Volgens klager heeft een aantal van de betrokkenen goede contacten met verweerders en werkt een familielid van één van de betrokkenen bij het Dagblad van het Noorden. Klager betoogt verder dat het van groot belang is dat er over de zaak wordt gepubliceerd teneinde mensen te waarschuwen. Met name oude, zieke en goedgelovige mensen worden immers benadeeld door hypotheekfraude en makelaarsfraude. Diverse benadeelden hebben hun verhaal gedaan tegenover verweerders en zijn erg boos over het uitblijven van een publicatie. Door het artikel niet te publiceren, hebben verweerders meegewerkt aan de criminele activiteiten, aldus klager.
 

Verweerders stellen dat klager aanvankelijk als bron heeft gefungeerd voor Hulzebos. Naar aanleiding van het contact met klager heeft Hulzebos pogingen ondernomen om een artikel te schrijven over de handel en wandel van bepaalde makelaars in Groningen. Daartoe heeft Hulzebos onder meer de door klager verstrekte informatie onderzocht en gesprekken gevoerd met verschillende benadeelden. Na deze gesprekken heeft klager volgens verweerders contact met deze benadeelden opgenomen. Door dit contact voelden de personen met wie Hulzebos had gesproken zich dusdanig bedreigd dat zij verder geen betrokkenheid bij het opstellen van het artikel meer wensten. Zij trokken hun verklaringen in of hielden verder hun mond, aldus verweerders. In overleg met de hoofdredactie is toen besloten om het niet tot een artikel te laten komen, omdat te weinig materiaal voor handen was waarop de laakbare feiten of handelingen zouden kunnen worden gefundeerd. Dit klemde te meer nu die handelingen reeds een aantal jaren geleden plaatsvonden. Het vergaren van verklaringen van eventuele nieuwe benadeelden was dan ook niet mogelijk.
Al met al is het volgens verweerders aan klager zelf te wijten dat er niet kon worden gepubliceerd over de door hem naar voren gebrachte feiten. Voorts is het de verantwoordelijkheid van de redactie om te besluiten of publicatie verantwoord is. Deze verantwoordelijkheid kan niet met derden worden gedeeld ongeacht hun mogelijke belang bij een publicatie. Zo lang een hoofdredactie niet overtuigd is van de deugdelijkheid van een voorgenomen publicatie kan van haar niet worden gevraagd haar twijfels in het belang van derden opzij te zetten, aldus verweerders.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerders ten onrechte niet zijn overgegaan tot de door klager verzochte publicatie. Volgens klager leidt de weigering van verweerders ertoe dat zij meewerken aan criminele activiteiten. De Raad volgt klager hierin niet.
 
De Raad stelt voorop dat een journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek). Het stond verweerders dan ook vrij om te bepalen of zij aandacht zouden besteden aan de door klagers opgeworpen kwestie.
 
Verweerders hebben aannemelijk gemaakt dat zij eigen onderzoek hebben verricht naar de door klager opgeworpen kwestie. Na afronding van dat onderzoek hebben verweerders gemeend dat zij, al dan niet door toedoen van klager, over onvoldoende materiaal beschikten om over de kwestie te publiceren. Naar het oordeel van de Raad hebben zij op basis van deze afweging in redelijkheid kunnen besluiten af te zien van publicatie. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de kwestie een aantal beschuldigingen betrof, in welk geval bijzondere zorgvuldigheid is geboden. (vgl. onder meer: Cool tegen NRC Handelsblad e.a., RvdJ 2005/17)
 
Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders dan ook geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 

BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Dagblad van het Noorden te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 13 december 2007 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, dr. M.J. Broersma, mr. T.E. Klein, E.J.M. Lamers en drs. P. Olsthoorn, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.