2007/73 deels gegrond

inzake de klacht van
 
H. AbiFarès
 
tegen
 
E. Mulder en de hoofdredacteur van Trouw
 
Bij brief van 25 augustus 2007 met een bijlage heeft H. AbiFarès (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen E. Mulder en de hoofdredacteur van Trouw (hierna: verweerders). Hierop heeft W. Schoonen, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 13 september 2007. Ten slotte heeft klaagster haar standpunt nader toegelicht in een e-mail van 23 oktober 2007.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 26 oktober 2007, waar verweerders zijn verschenen. Klaagster was niet aanwezig.

Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Verweerders hebben desgevraagd aangegeven geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en resterende leden.
 
DE FEITEN
 
Op 24 augustus 2007 is in Trouw op de voorpagina een artikel verschenen van de hand van Mulder onder de kop “Nieuwe Arabische letters liggen nu al onder vuur”. Het artikel luidt als volgt:
“Typografen uit de hele wereld houden vandaag in Amsterdam vijf nieuwe Arabische letters ten doop. Maar er is kritiek en de motieven van de ontwerpen worden betwist.
Arabische en Nederlandse ontwerpers hebben de letters gezamenlijk ontworpen. Het initiatief ging uit van de in Amsterdam gevestigde Khatt Foundation, van de van oorsprong Libanese designer Huda Smitshuijzen. Die streeft naar matchmaking: ze hoopt dat het Arabische en Latijnse schrift naar elkaar toegroeien via Europese typografische technieken. Ze noemt het oude Arabische schrift ,,een symbool van onderdrukking” in een Arabische wereld die ,,nooit vrijheid heeft gekend”.
De Amsterdamse en internationaal vermaarde typograaf Thomas Milo is niet uitgenodigd voor de presentatie. Dat is opvallend. Milo en zijn partners ontwierpen een computerzetsysteem, waarmee het oude Arabische schrift opnieuw kan worden gedrukt. Milo uit vandaag in Trouw kritiek op de nieuwe letters, die een radicale breuk met de oude Arabische schrifttraditie zouden vormen.”
 
Het artikel is vervolgd in het katern ‘de Verdieping’ onder de kop “De politieke lading van een Arabisch lettertype”. Dit vervolgartikel bevat onder meer de volgende passages:
Het idee lijkt prachtig. Vorm groepjes van Arabische en Nederlandse typografen en designers, laat ze profiteren van elkaars deskundigheid en laat ze vervolgens nieuwe Arabische letters ontwerpen. De Arabische typografen kunnen profiteren van de inzichten van Nederlandse typografen. Voor die laatsten is het een leuke uitdaging om hun ideeën toe te passen op een andere schrifttraditie. Resultaat: een Arabische letter die een beetje is toegegroeid naar het Latijnse schrift.
Huda Smitshuijzen AbiFarès, universitair docent Arabische typografie en design in Doebai, was de drijvende kracht achter het idee. In Amsterdam richtte Smitshuijzen de stichting Khatt Foundation, Center for Arabic Typography op.
Op het balkonterras van de nieuwe Amsterdamse bibliotheek, dat een schitterend uitzicht biedt op het oude centrum van Amsterdam, geeft ze een toelichting.
Smitshuijzen: “In het Midden-Oosten kom je voortdurend het Arabische en Latijnse schrift door elkaar tegen. Dat kan op straat zijn bij reclames maar ook in boeken of tijdschriften. Het is daarom belangrijk dat de beide schriften harmoniëren, niet met elkaar botsen.””
en
“Alle vijf nieuw ontworpen Arabische letters hebben een opvallende eigenschap gemeen: ze staan in de verste verte niet in de traditie van de normale Arabische tekstletter, zoals die sinds ongeveer de tiende eeuw in gebruik is, eerst in handschriften en vanaf de achttiende eeuw ook in druk.
Die breuk met de klassieke schrifttraditie is geen toeval want Smitshuijzen (1965), van oorsprong Libanese, wil bewust de banden met het verleden kappen.
“De Arabische wereld heeft nooit vrijheid gekend”, zegt ze. “Dat is de oorzaak van alle stagnatie. Ook dat oude schrift is een symbool van onderdrukking.”
En daarmee is een onderwerp, dat op het eerste gezicht puur technisch of artistiek van aard leek, in Midden-Oosters politiek vaarwater beland. Waarmee het een brisante lading heeft gekregen, die de doorsneebezoeker van het symposium vermoedelijk zal ontgaan.”
en
“Op het symposium is de elite van de Nederlandse en ook internationale typografie aanwezig. Opvallend áfwezig is de expert Thomas Milo van de Nederlandse firma Decotype, dat het computerzetsysteem Tasmeem ontwikkelde voor de klassieke Arabische tekstletter.
Aan die uitvinding gingen vele jaren van onderzoek vooraf. Trouw besteedde op 24 maart aandacht aan Tasmeem in het katern Letter & Geest.”
en
“Milo voert in de hele wereld het woord op symposia en congressen over Arabische typografie, maar op conferenties waar Smitshuijzen de scepter zwaait lijkt hij niet meer welkom. In Doebai bijvoorbeeld was hij in januari 2006 uitgenodigd als spreker. Op het laatste moment werd hij van de lijst geschrapt, omdat de conferentie met twee dagen zou zijn ingekort, wat later niet bleek te kloppen.
Milo: “Smitshuijzen heeft de mond vol over onvrijheid in de Arabische wereld. Je zou denken dat de oorzaak daarvan moet worden gezocht in onbekendheid met vrijheid en democratie maar zij legt de schuld bij de schrifttraditie – die nota bene het Midden-Oosten als beschaving op de kaart heeft gezet.”
Het was de bedoeling dat er op deze plaats een inhoudelijk debat zou staan tussen Milo en Smitshuijzen. Smitshuijzen had daarmee ingestemd. Maar na een voorgesprek van twee uur trekt ze zich terug. Publiciteit staat overigens wel hoog op de agenda van Smitshuijzen, in de Nederlandse media gonst het sinds kort van de Arabische typografie.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat het voorgesprek met haar in een verkeerde context is geplaatst. Mulder heeft volgens klaagster motivaties voor haar doen en laten verzonnen die nergens op zijn gebaseerd. Het interview is volgens klaagster uitsluitend gebruikt om het werk van een goede vriend van Mulder onder de publieke aandacht te brengen.
Voorts stelt klaagster dat verweerders ten onrechte hebben geweigerd wijzigingen in de tekst aan te brengen alvorens tot publicatie over te gaan.
 
Verweerders stellen dat zij geen andere motieven hebben gehad dan journalistieke. De hoofdredactie heeft daar ook op toegezien, juist omdat er onder de bronnen een goede bekende van Mulder was. Volgens verweerders is de publicatie gebaseerd op verscheidene bronnen en eigen deskundigheid van Mulder.
Verder stellen verweerders dat klaagster na een voorgesprek met Mulder zonder opgaaf van redenen haar medewerking aan een reeds afgesproken tweegesprek met Milo introk. Vervolgens heeft Mulder zijn artikel geschreven en daarin de visie van klaagster verwoord zoals hij die had vernomen in hun voorgesprek en uit andere bronnen. Hij heeft het artikel voor publicatie aan klaagster voorgelegd om eventuele feitelijke onjuistheden te corrigeren. Aangezien de op- en aanmerkingen van klaagster geen feitelijke correcties betroffen, maar onder meer het intrekken van uitlatingen die zij had gedaan, heeft Mulder geweigerd de tekst te wijzigen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
  1. verweerders hebben slechts het doel gehad om het werk van een persoonlijke vriend van Mulder onder de aandacht te brengen;
  2. verweerders hebben op journalistiek onzorgvuldige wijze citaten van klaagster gebruikt.
 
Ad 1.
De Raad stelt voorop dat een journalist eenzijdige en tendentieuze berichtgeving vermijdt, geen misbruik maakt van zijn positie, zijn werk in onafhankelijkheid verricht en (de schijn van) belangenverstrengeling vermijdt. (zie punt 1.5. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek)
 
Verweerders hebben ter zitting uiteengezet dat de hoofdredactie extra aandacht heeft besteed aan controle van de publicatie, juist omdat het onder meer ging om een goede bekende van Mulder. Mulder heeft daar ook zelf om gevraagd. Verweerders hebben aldus voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op dit punt de journalistieke zorgvuldigheid in acht hebben genomen. Niet is gebleken dat zij in strijd met de hiervoor geformuleerde norm hebben gehandeld. Dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.
 
Ad 2.
Met betrekking tot het gebruik van de citaten die klaagster in het voorgesprek heeft geuit, overweegt de Raad het volgende.
 
De journalist die iemand wil interviewen dient diegene te laten weten met welk doel hij informatie vergaart. De te interviewen persoon moet voldoende geïnformeerd kunnen beslissen of hij aan een publicatie wil meewerken. Van onzorgvuldige journalistiek is sprake wanneer een citaat van de geïnterviewde wordt gebruikt in een andere context dan hij mocht verwachten op grond van hetgeen hem door de interviewer is meegedeeld. De geïnterviewde moet opnieuw worden gevraagd of hij ermee instemt dat zijn uitlatingen worden gepubliceerd indien de aard of inhoud van een publicatie in de loop van het redactionele proces zozeer wordt gewijzigd dat niet meer wordt voldaan aan wat hij redelijkerwijs mocht verwachten.  (zie punten 2.7.1. en 2.7.2. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek)

Mulder heeft een voorgesprek met klaagster gehad ter voorbereiding op een tweegesprek tussen klaagster en Milo. In dat gesprek heeft zij bepaalde dingen gezegd. Vervolgens heeft klaagster niet willen meewerken aan het geplande tweegesprek. Niettemin heeft Mulder citaten van hetgeen klaagster in het voorgesprek heeft verteld opgenomen in zijn publicatie. Daarmee heeft hij de citaten gebruikt in een andere context dan klaagster mocht verwachten. Er was immers slechts sprake van een voorbereiding op een tweegesprek. Door vervolgens het verzoek van klaagster om bepaalde passages te schrappen niet in te willigen heeft Mulder – in het licht van de weigering van klaagster om aan een tweegesprek mee te werken –  niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen. Dit onderdeel van de klacht is dan ook gegrond.
 
BESLISSING
 
Voor zover de klacht is gericht tegen de wijze waarop citaten van klaagster zijn gebruikt is de klacht gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Trouw te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 12 december 2007 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. F. Santing, drs. P.C.J. van Schaveren en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. drs. M.M. van der Smissen, plaatsvervangend secretaris.