2007/71 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Politie Hollands Midden
 
tegen
 
L. van den Oever, P. Logcher en de hoofdredacteur van het AD Groene Hart
 
Bij brief van 10 augustus 2007 met zes bijlagen heeft mr. M.C.S. de Boer, advocaat te Amsterdam, namens Politie Hollands Midden (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen L. van den Oever, P. Logcher en de hoofdredacteur van het AD (hierna: verweerders). Bij brief van 10 september 2007 met een bijlage heeft mw. mr. E.M. Polak, advocaat te Amsterdam, namens verweerders op het klaagschrift gereageerd. Ten slotte heeft mr. De Boer bij begeleidend schrijven van 8 oktober 2007 namens klaagster nog een bijlage overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 oktober 2007. Namens klaagster is daar mr. De Boer verschenen, vergezeld door D.G. van Gooswilligen, directeur communicatie van klaagster, en ir. R. Arends, directeur bedrijfsvoering van klaagster. Verweerders zijn ter zitting vertegenwoordigd door mw. mr. Polak en D. Mulkens, hoofdredacteur AD Groene Hart. Mr. De Boer heeft het standpunt van klaagster toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.
 
DE FEITEN
 
In de editie van mei 2007 van ‘HM Profiel’, het personeelsblad van Politie Hollands Midden, is een artikel gepubliceerd onder de kop “Al twee nieuwe collega's door actie ‘collega’s werven collega’s’”. De bedoelde actie houdt in dat indien een medewerker van klaagster een nieuwe collega werft, hij een bonus ontvangt bij zijn salaris. In het artikel wordt onder meer melding gemaakt van een succesvolle wervingsactie van een mannelijke medewerker, die een vrouwelijke oud-collega, die het korps had verlaten, heeft overgehaald opnieuw bij klaagster te komen werken. Daarbij wordt ook vermeld dat de desbetreffende personen een relatie hebben gekregen en binnenkort samen een huis gaan kopen. De volledige namen van die personen zijn in het artikel vermeld.
 
Vervolgens is op 13 mei 2007 op de website www.ad.nl/groenehart en op 14 mei 2007 in de papieren editie van het AD Groene Hart een artikel van de hand van Van den Oever verschenen onder de kop “Agent wint bonus én vriendin”. In het artikel wordt bericht over de actie van klaagster. Onder verwijzing naar het artikel in HM Profiel wordt vermeld dat twee personen een relatie hebben gekregen en een huis gaan kopen. In dit artikel zijn eveneens de volledige namen van deze personen vermeld.
 
Klaagster heeft tegen deze publicatie bezwaar gemaakt, naar aanleiding waarvan Van den Oever in een e-mail van 15 mei 2007 onder de kop “mea culpa” aan klaagster onder meer heeft geschreven:

“De informatie is afkomstig uit Profiel, waarin staat dat zonder toestemming niets mag
worden overgenomen. Dat heb ik niet geweten en ook niet gezien. (…) Het spijt me als het stuk niet in goede aarde is gevallen.”

Ten slotte is op 30 mei 2007 in het AD Groene Hart een column van de hand van Logcher verschenen onder de kop “Betaalde liefde bij de politie”, waarin eveneens aandacht wordt besteed aan het artikel in HM Profiel. De column begint als volgt:
“Da’s wat moois; agent (…) van de regiopolitie Hollands Midden heeft sinds kort een door u en mij betaalde vriendin.”
 Verder bevat de column de volgende passage:
“Agent (…) heeft 250 euro opgestreken, omdat hij zijn oud-collega (…) heeft teruggesmoesd naar het politiekorps Hollands Midden. Vervolgens haalde hij haar over niet alleen zijn werkkring, maar ook tafel en bed met hem te delen. Of was het andersom? Dat doet er niet toe. Het liefdesleven van (…) en (…) gaat ons niet aan, (…). Waar het me nu even om gaat, is dat er geld van de belastingbetaler aan te pas is gekomen.”
De column eindigt als volgt:
“Nogmaals: wat oom agent met tante doet, gaat ons niet aan. Maar die bonus van 250 euro kan niet door de beugel. Ik heb trouwens een sterk vermoeden dat agent (…) zijn (…) ook zonder zo’n beloning wel ingepalmd zou hebben. Of was het toch andersom?”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt ten eerste dat verweerders door de plaatsing van de artikelen afspraken hebben geschonden. Zij wijst in dat verband op het telefonisch contact dat heeft plaats gevonden tussen klaagster en Van den Oever voorafgaand aan de publicatie van 13 mei 2007. Volgens klaagster heeft Van den Oever toen gevraagd om toestemming om het artikel in HM Profiel te gebruiken voor een artikel in het AD. Na contact met de betrokken medewerkers is de volgende dag aan Van den Oever gemeld dat er bezwaren bestonden tegen het overnemen van de feiten uit het artikel in HM Profiel. Daarbij is verwezen naar de privacy van de betrokken medewerkers en is meegedeeld dat de gevraagde toestemming niet werd verleend. Klaagster benadrukt dat het personeelsblad niet algemeen verkrijgbaar is. Het wordt uitsluitend toegezonden aan personeelsleden en aan personen met een nauwe werkrelatie met het korps, waaronder Van den Oever, die politieverslaggever is.
Ondanks de afwijzing van het verzoek hebben verweerders toch het artikel uit het personeelsblad in gewijzigde bewoordingen overgenomen en daarbij tevens de volledige namen van de betrokken medewerkers vermeld. Toen dit artikel op de website werd aangetroffen, heeft klaagster direct contact opgenomen met verweerders. Hoewel verweerders het artikel vervolgens van de website hebben verwijderd, is het niettemin in de papieren editie van het AD Groene Hart van 14 mei 2007 gepubliceerd. Na deze publicatie is er herhaaldelijk contact geweest tussen klaagster en de chef redactie Verlegh. Daarin heeft klaagster onder meer gewezen op het colofon van het personeelsblad, waaruit blijkt dat zonder toestemming niets mag worden overgenomen. Volgens klaagster is haar tijdens dit contact toegezegd dat niet meer over de privékwestie van haar medewerkers zou worden bericht. Bovendien heeft Van den Oever per e-mail zijn excuses aangeboden. Desondanks is op 30 mei 2007 wederom aan deze feiten aandacht besteed. Volgens klaagster is door de hoofdredactie toegegeven dat dit artikel aan haar aandacht is ontsnapt.

Volgens klaagster hebben verweerders aldus tot tweemaal toe afspraken geschonden: de eerste keer (in het artikel van 13/14 mei 2007) door toch tot publicatie over te gaan nadat toestemming uitdrukkelijk is geweigerd, en de tweede keer (in het artikel van 30 mei 2007) door ondanks de toezegging dat niet te doen toch opnieuw over de privékwestie van de politiemedewerkers te publiceren.
Ter zitting erkent klaagster dat de tekst van het colofon niet geheel waterdicht is. Niettemin blijkt daaruit voldoende dat in geval van bezwaren van klaagster niet tot publicatie mag worden overgegaan, aldus klaagster. Zij acht de handelwijze van verweerders zeer onzorgvuldig. Ten gevolge daarvan zijn de betrokken twee medewerkers diep gekwetst en ernstig beledigd. Volgens klaagster brengen de artikelen een ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de politiefunctionarissen met zich. Daarbij speelt een rol dat het voor de medewerkers als bekleders van een openbare gezagsfunctie van belang is dat hun privéleven wordt afgeschermd. Tegenover dit zwaarwegende belang staat geen enkel gerechtvaardigd belang van verweerders om de namen van de betrokken personen bekend te maken en over hun privékwestie te berichten. Klaagster benadrukt dat het haar niet gaat om de kritische wijze waarop wordt geschreven over de gehanteerde bonusregeling. Het geeft echter geen pas dat deze kritische uitlatingen worden gedaan door middel van een publicatie over het privéleven van twee medewerkers. Het eerste artikel had zelfs enkel betrekking op dat privéleven.
Voorts acht klaagster het artikel van 30 mei 2007 nodeloos grievend en misleidend door de tendentieuze weergave van de feiten. In dat verband wijst klaagster op onder meer de aanduiding ‘betaalde liefde’ in de kop van het artikel. Volgens klaagster wordt aldus het liefdesleven van de twee medewerkers op denigrerende wijze beschreven.
Ten aanzien van haar rechtstreeks belang bij een oordeel van de Raad wijst klaagster erop dat zij als werkgeefster erover waakt dat de persoonlijke levenssfeer van haar werknemers in verband met de uitoefening van hun functie niet door derden wordt geschaad. Bovendien is klaagster uitgever van het personeelsblad, dat op grond van een wederzijdse vertrouwensrelatie met Van den Oever, als politieverslaggever, aan hem wordt toegezonden.
 
Verweerders stellen voorop dat zij betwijfelen of klaagster een rechtstreeks belang heeft bij een oordeel van de Raad voor zover de klacht betrekking heeft op schending van privacy. Klaagster is zelf niet in haar privacy geschaad, zodat zij op dit punt niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, aldus verweerders.
Ter zake van de gestelde noodzakelijke toestemming voor publicatie wijzen verweerders erop dat in het eerste telefonisch contact met klaagster is gevraagd of de betrokkenen mee wilden werken aan een interview. Toen dit niet het geval bleek te zijn, is er voor gekozen om het artikel van 13/14 mei 2007 te baseren op de gegevens zoals opgenomen in het personeelsblad van klaagster. Volgens verweerders volgt uit artikel 15 van de Auteurswet dat zij voor het overnemen van het bericht uit het personeelsblad geen toestemming nodig hadden.
Voorts betwisten verweerders dat sprake is van een schending van de privacy. Verweerders wijzen erop dat de betrokken medewerkers in het personeelsblad met naam en toenaam zijn genoemd. Dit blad kent een oplage van 3000 exemplaren en wordt toegezonden aan alle personeelsleden en geïnteresseerden met een nauwe werkrelatie met het korps. De namen van de betrokkenen waren derhalve al in ruime kring bekend. De publicaties in het AD voegen aan die bekendheid niets toe. Verweerders benadrukken dat geen foto's bij de artikelen zijn geplaatst en uitsluitend is vermeld dat de medewerkers een relatie hebben en een huis gaan kopen. Volgens verweerders is in dit geval geen sprake van een disproportionele aantasting van het privéleven van de betrokkenen.
Wat het artikel van 30 mei 2007 betreft stellen verweerders allereerst dat deze publicatie het gevolg is van onvoldoende communicatie tussen de redactie in Alphen en de eindredactie in Rijswijk. Klaagster heeft steeds contact gehad met de redactie in Alphen, maar daarvan waren noch de columnist noch de eindredactie in Rijswijk, die het artikel heeft geplaatst, op de hoogte. Ter zitting verklaart Mulkens verder dat hij vermoedt dat indien de columnist wel van de contacten met klaagster op de hoogte was geweest, het artikel niet op dezelfde wijze – met vermelding van de namen van de betrokken politiemedewerkers – tot stand was gekomen.
Verder is sprake van een column. Eén van de kenmerken van een column is dat het tendentieus kan zijn. Volgens de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek zijn stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten dan geoorloofd. Bovendien staat niet het liefdesleven van de betrokkenen centraal maar gaat het de columnist met name om het feit dat met geld van de belastingbetaler bonussen worden uitgekeerd, aldus verweerders.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
 
Kern van de klacht is dat verweerders met plaatsing van de artikelen afspraken hebben geschonden, dat sprake is van een disproportionele schending van de privacy van de betrokken politiemedewerkers en dat de column van 30 mei 2007 nodeloos grievend en tendentieus is.
 
Daaromtrent overweegt de Raad in de eerste plaats dat een journalist geen toestemming voor of instemming met een publicatie behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punt 1.3. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek)
 
Naar het oordeel van de Raad bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders door het publiceren van het artikel van 14 mei 2007 afspraken met klaagster hebben geschonden. Klaagster heeft het personeelsblad zelf aan Van den Oever toegezonden. Vervolgens, zo is ter zitting gebleken, heeft Van den Oever gevraagd om een interview met betrokken politiemedewerkers. Dat voor een dergelijk interview geen toestemming is verleend, laat onverlet dat het verweerders vrij stond om op basis van de gegevens waarover zij wel beschikten, een artikel tot stand te brengen. Bovendien is in het artikel vermeld waaruit de daarvoor gebruikte gegevens afkomstig waren.
 

Verder overweegt de Raad dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is. Dat de identiteit van de betrokkene door een publicatie bekend wordt, maakt de publicatie evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privéleven van de betrokkene vormt. Er dient dus een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds.
Dat de namen van de medewerkers ook zijn vermeld in het personeelsblad ontslaat verweerders niet van hun journalistieke verantwoordelijkheid om de ter zake vereiste belangenafweging te maken. Daarbij is in dit geval relevant dat het personeelsblad van klaagster een beperkte oplage kent, zeker in verhouding tot de krant van verweerders.
 
Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat met de vermelding van de namen van de betrokken politiemedewerkers een maatschappelijk belang is gediend, dat bovendien zwaarder weegt dan het individuele belang van die medewerkers.
Het artikel van 13/14 mei 2007 had voor wat betreft de aanduiding van de politiemedewerkers geanonimiseerd kunnen worden, zonder dat afbreuk zou zijn gedaan aan de inhoud en nieuwswaarde ervan. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad en vgl. onder meer: Van Loenen tegen De Telegraaf, RvdJ 2007/31) De Raad is van oordeel dat met het vermelden van de volledige namen van de betrokken politiemedewerkers hun privacy verder is aangetast dan redelijkerwijs noodzakelijk was.
 
Voorts is aannemelijk geworden dat naar aanleiding van het artikel van 13/14 mei 2007 tussen klaagster en verweerders afspraken zijn gemaakt betreffende de bescherming van de privacy van de betrokken politiemedewerkers. Hoewel de enkele toezegging dat niet verder over de privékwestie zou worden gepubliceerd niet de vrijheid van een columnist aantast, is met de vermelding van de volledige namen van de betrokkenen in de column van 30 mei 2007 hun privacy opnieuw onevenredig aangetast. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de strekking van de column niet de liefdesrelatie van de betrokkenen betrof. Het vermelden van de namen van de betrokkenen was dan ook niet noodzakelijk voor de essentie van de column.
 
Voor het overige overweegt de Raad dat aan columnisten een grote mate van vrijheid toekomt om hun mening te geven over gebeurtenissen en personen. Daarbij zijn stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten geoorloofd. De grenzen van het toelaatbare worden overschreden wanneer (passages in) columns in redelijkheid geen ruimte laten voor een andere karakterisering dan dat zij kwetsend en beledigend zijn voor personen of bevolkingsgroepen. (zie punt 3.1 van de Leidraad) Daarvan is hier echter geen sprake.
 

BESLISSING
 
Voor zover de klacht betrekking heeft op de schending van de privacy van de betrokken politiemedewerkers is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het AD Groene Hart te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 23 november 2007 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter,  M. Ülger, drs. L.W. Verhagen, mw. drs. I. Wassenaar en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.