2007/7 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Volkert van der G. 
 
tegen
 
M. Koolhoven en de hoofdredacteur van De Telegraaf
 
Bij brief van 23 december 2006 met twaalf bijlagen heeft mr. Q.J.A. Meijnen, advocaat te Amsterdam, namens Volkert van der G. (hierna: klager) een klacht ingediend tegen M. Koolhoven en de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerders). Hierop heeft mr. R.S. Le Poole, advocaat te Amsterdam, namens verweerders geantwoord in een brief van 31 januari 2007 met twee bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 februari 2007, waar mr. Meijnen namens klager is verschenen. Aan de zijde van verweerders waren mr. Le Poole, Koolhoven en A. Reekers, adjunct-hoofdredacteur, aanwezig.
 
Namens klager zijn ter zitting stukken overgelegd, die niet tevoren aan de wederpartij zijn toegezonden. De wederpartij noch de Raad heeft daarvan vóór de zitting kennis kunnen nemen. Gelet hierop en nu verweerders bezwaar hebben gemaakt tegen het toelaten van de stukken in het dossier, zal de Raad deze stukken buiten beschouwing laten bij de beoordeling van de klacht.
 
Mr. Meijnen en mr. Le Poole hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities.
 
DE FEITEN
 
Op 7 juli 2006 is in De Telegraaf een artikel van de hand van Koolhoven gepubliceerd onder de kop “’Bewijs tegen Van der G. steeds concreter’” en de subkop “Rapport recherche over moord op milieubeambte”.  De intro van het artikel luidt:
“Uit een geheim rapport van de Nationale Recherche blijkt dat justitie wel degelijk over sterke aanwijzingen beschikt dat Volkert van der G., de moordenaar van Pim Fortuyn, ook verantwoordelijk is voor de liquidatie van de 43-jarige milieuambtenaar Chris van der Werken in 1996 op landgoed Welna in Nunspeet.”
Het artikel vervolgt:
“Van der Werken werd op 22 december van dat jaar tijdens zijn werk van achteren met drie kogels neergeschoten. Deze brute moord is nooit opgehelderd. Naar nu blijkt heeft de Nationale Recherche (NR) van het KLPD na de moord op Pim Fortuyn in het diepste geheim onderzoek gedaan naar ,,feiten waarmee Van der G. buiten de moord op Fortuyn in verband mee is gebracht”, maar die onopgehelderd zijn gebleven.”
Onder de tussenkop “Milieuactivist” wordt verder bericht:
“Een van deze zaken is de onopgeloste moord op Van der Werken, waarvan al eerder werd vermoed dat de milieuactivist Van der G. ermee te maken zou kunnen hebben. Van der G. en Van der Werken waren in 1995 en 1996 met elkaar in conflict gekomen over de aanpak van het zogenaamde ammoniakreductieplan. (…)
Uit het onderzoek van de Nationale Recherche blijkt dat:
* Van der Werken kort voor zijn dood tegenover een getuige (boer B.) heeft verklaard dat Volkert van der G. hem met de dood had bedreigd.
* getuigen kort na de liquidatie op landgoed Welna o.a. een rode Opel Kadett hebben waargenomen. Van der G. had, zo blijkt uit het onderzoek van de Nationale Recherche, in 1996 een rode Opel Kadett;
* net als Fortuyn is ook Van der Werken van achteren in de bovenrug neergeschoten;
* de huisbaas van de woning in Amersfoort, waar Van der G. in 1996 woonde, heeft verklaard dat hij in de zomer van 1996 in hun woning in een fruitkistje een vuurwapen had ontdekt.
 * Van der G. geen sluitend alibi heeft voor de moord op de milieuambtenaar.
De schokkende conclusies hebben niet geleid tot heropening van het onderzoek. Maar ,,nieuw vervolgonderzoek is niet ondenkbaar”, dus de NR.”
 
Op dezelfde dag is op de website www.telegraaf.nl een artikel geplaatst onder de kop “’Bewijs tegen Van der G. stapelt zich op’”. De tekst van dit artikel komt, afgezien van de kop, overeen met die van het artikel in De Telegraaf. Deze artikelen worden daarom hierna gezamenlijk aangeduid als ‘het artikel’. Bij de publicatie op de website is een link opgenomen naar een publicatie van delen van het vertrouwelijke rapport van de Nationale Recherche.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt ten eerste dat verweerders journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld door gebruik te maken van het vertrouwelijke rapport van de Nationale Recherche voor het artikel en delen van het rapport te publiceren op het internet. Hij wijst in dat verband op de ambtshalve uitspraak van de Raad inzake het gebruik van onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens door journalisten (RvdJ 1995, 32). Volgens klager zijn meerdere van de daarin neergelegde normen geschonden. Zo heeft geen juiste en zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden. Het rapport is aangemerkt als vertrouwelijk, waarbij is vermeld dat de belangen van opsporing en vervolging van de dader van de moord op Van der Werken nog tot tenminste vijf jaar na de onherroepelijke veroordeling van klager zwaarder wegen dan het recht op kennisneming. Volgens klager raakt dit opsporingsbelang ook hem, omdat het vinden van de moordenaar(s) van Van der Werken de enige manier lijkt om journalisten te overtuigen dat hij niet bij die moord is betrokken. Daarnaast bevat het rapport informatie die de persoonlijke levenssfeer van klager raakt en is het rapport niet voldoende geanonimiseerd. Verweerder heeft voorts geen contact opgenomen met de Nationale Recherche of met klager alvorens tot publicatie over te gaan en uit niets blijkt dat verweerder de betrouwbaarheid van het rapport heeft onderzocht. Bovendien is eenzijdig en onjuist uit het rapport geciteerd. Klager stelt voorts dat het publiceren van delen van het vertrouwelijke rapport geen enkele nieuwswaarde had. Niet alleen dateert het rapport uit 2003, maar bovendien komt Justitie naar aanleiding van dit rapport tot de conclusie dat klager juist níet als verdachte van de moord op Van der Werken wordt aangemerkt. Door te besluiten het rapport te publiceren en door de wijze waarop dat is gebeurd, hebben verweerders grenzen overschreden, aldus klager.
Ter zitting voegt mr. Meijnen hieraan toe dat in het artikel geen misstanden aan de kaak worden gesteld, zodat van een publiek belang bij publicatie van het rapport geen sprake is.
Daarnaast wijst hij erop dat de bron die het rapport aan verweerders heeft toegespeeld uit rancune lijkt te hebben gehandeld. Verweerders hadden zich dan ook moeten afvragen of die bron een bijzonder eigen belang bij openbaarmaking heeft.
Verder stelt klager dat sprake is van eenzijdige, onnodig grievende, tendentieuze berichtgeving, waardoor ten onrechte de indruk is gewekt dat hij betrokken zou zijn geweest bij de moord op Van der Werken. Zo wordt bijvoorbeeld in de kopteksten ten onrechte vermeld dat ‘het bewijs zich opstapelt’ dan wel ‘concreter wordt’. Van bewijs is geen sprake, nu in het rapport over ‘handvatten voor verdenking’ wordt gesproken. De termen ‘opstapelen’ en ‘concreter worden’ impliceren voorts ten onrechte dat reeds bewijs tegen klager bestond en dat de verdenking van klager is versterkt. Verder is vermeld dat hij geen sluitend alibi heeft, maar daarbij is achterwege gelaten dat daar destijds door de politie geen onderzoek naar is gedaan, zoals ook blijkt uit het rapport. De publicatie bevat meer onjuist- en onvolledigheden. Zo is onder meer ten onrechte als feit gepresenteerd dat Van der Werken zou hebben verklaard dat klager hem had bedreigd. Daarnaast wordt nergens vermeld dat klager juist níet is aangemerkt als verdachte van de moord. In het rapport wordt weliswaar een opsomming gegeven van vijf redenen waarom hij het eventueel gedaan zou kunnen hebben, maar vervolgens wordt vermeld dat er niet veel andere handvatten voor verdenking zijn en dat er bovendien te veel andere hypothesen zijn die niet gefalsifieerd kunnen worden. Van ‘schokkende conclusies’ is dan ook geen sprake. Overigens blijkt ook uit een reactie van 14 augustus 2003 van toenmalig minister Donner op Kamervragen van de heer Eerdmans, dat nader onderzoek geen aanleiding gaf om klager alsnog aan te merken als verdachte.
Naar de mening van klager bevat het artikel aldus ernstige beschuldigingen aan zijn adres, die geen steun vinden in de feiten c.q. het rapport van de Nationale Recherche.
Klager stelt voorts dat verweerders ten onrechte geen wederhoor hebben toegepast bij hem dan wel zijn raadslieden. Hij betwist uitdrukkelijk dat verweerders voorafgaand aan de publicatie contact hebben opgenomen met zijn raadslieden. Hij stelt dat hij aldus niet de kans heeft gehad om de gestelde conclusies in het artikel te weerleggen.
Ten slotte wijst klager erop dat het Openbaar Ministerie op de dag van de publicatie daarop heeft gereageerd met een persbericht. Daarin staat onder meer “Het naast elkaar leggen van de onderzoeksresultaten uit 1996/1997 en die van 2002 heeft het OM destijds niet tot de conclusie kunnen brengen dat alsnog bewijs zou kunnen worden geleverd voor de betrokkenheid van Van der G. bij de dood van Van der Werken.” Gezien de ernst van de in de gewraakte publicatie geuite beschuldigingen en de onmiddellijke weerlegging daarvan in het persbericht van het OM had het op de weg van verweerders gelegen om aandacht te besteden aan het voor hem ontlastende persbericht. Verweerders hebben dat echter nagelaten, aldus klager.
 
Verweerders stellen voorop dat klager schuldig is bevonden aan de moord op Pim Fortuyn, hetgeen de Nederlandse rechtsorde ernstig heeft geschokt. In het kader van het onderzoek naar de moord op Fortuyn heeft de Nationale Recherche tevens de mogelijke betrokkenheid van klager bij niet opgeloste misdrijven onderzocht, waaronder de moord op Van der Werken. Het Openbaar Ministerie heeft toen besloten klager niet als verdachte van die moord aan te merken. Een aantal rechercheurs liet vervolgens in de media weten dat zij zich niet in dat oordeel konden vinden.
Het rapport van de Nationale Recherche is in het voorjaar van 2003 opgesteld en bevat de onderzoeksconclusies voor het al dan niet aanmerken van klager als verdachte op de moord op Van der Werken. In het rapport wordt niet tot deze verdenking geconcludeerd, maar dit wordt ook niet uitgesloten. Zo staat in het rapport vermeld: “Van der G. zou het met zijn radicale instelling gedaan kunnen hebben”. Dit rapport is echter geheim gebleven.
Volgens verweerders dient de publicatie van delen van het rapport een groot maatschappelijk belang, omdat mogelijke misstanden binnen de Nederlandse rechtsorde aan de kaak worden gesteld. Immers, destijds heeft het Gerechtshof te Amsterdam in de strafzaak tegen klager aangaande de moord op Fortuyn een beroep op strafvermindering (deels) gehonoreerd in verband met publicaties die klager in verband brengen met de moord op Van der Werken. De uitspraak van het Hof dateert van 18 juli 2003. Zou het Hof op de hoogte zijn geweest van de inhoud van het rapport, dan had deze strafvermindering wellicht niet plaatsgevonden. Alleen al dit gegeven rechtvaardigt publicatie van delen van het rapport, aldus verweerders.
Zij stellen verder dat het rapport niet door onrechtmatig handelen is verkregen, maar van een anonieme bron die het rapport rechtmatig onder zich had. Die bron heeft het rapport aan verweerders doorgespeeld uit frustratie over de gang van zaken bij de Nationale Recherche. Gezien de positie en autoriteit van die bron hebben verweerders mogen uitgaan van de betrouwbaarheid van het rapport.
Het feit dat een onderzoeksrapport is opgesteld (onder andere) naar aanleiding van het onderzoek van de rol van klager in de moord op Van der Werken is nieuws op zich. Immers, zowel het Hof als het Openbaar Ministerie en de minister van Justitie hebben publiekelijk bekend gemaakt dat klager niet als verdachte kan worden gezien in de zaak-Van der Werken. Dat uit het rapport blijkt dat klager wel degelijk in verband kan worden gebracht met de moord op Van der Werken heeft ook heden ten dage nog nieuwswaarde.
Daarnaast is volgens verweerders voldaan aan de verplichting tot melding en wederhoor. Zij wijzen er in dat verband op dat klager verblijft in een penitentiaire inrichting en zelf niet telefonisch bereikbaar is. De enige mogelijkheid om klager te bereiken was via het advocatenkantoor dat tot voor kort de belangen van klager behartigde. Ten tijde van de strafzaak tegen klager en in de jaren daarna was de relatie tussen dat kantoor en journalisten van De Telegraaf niet optimaal. De journalisten werden of in het geheel niet te woord gestaan of hen werd standaard meegedeeld ‘geen commentaar’. Niettemin heeft Koolhoven voorafgaand aan de publicatie telefonisch contact opgenomen met het advocatenkantoor en daar weer opnieuw te horen gekregen ‘geen commentaar’. Het toepassen van wederhoor was dus niet mogelijk en had gezien de ervaringen van Koolhoven in de afgelopen jaren geen zin. Ter zitting heeft Koolhoven hieraan desgevraagd toegevoegd dat hij om die reden niet heeft overwogen zich per e-mail tot de raadslieden van klager te wenden. Verder wijzen verweerders erop dat de Nationale Recherche achteraf geen bezwaar heeft gemaakt tegen de publicatie.
In het verlengde daarvan stellen verweerders verder dat het belang van opsporing van de moordenaar van Van der Werken een belang van de Nationale Recherche is en aldus geen belang is waar klager zich op kan beroepen. Ook het belang van klager om journalisten van zijn onschuld te overtuigen, is geen belang dat zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gediend met publicatie. Het onderzoek naar de zaak-Van der Werken ligt momenteel stil en zowel het Openbaar Ministerie als de minister van Justitie heeft reeds publiekelijk verklaard dat klager in die zaak niet als verdachte kan worden aangemerkt.
Wat de privacy van klager betreft merken verweerders op dat klager al sinds 2002 met naam en toenaam bekend is bij het Nederlandse publiek. Zowel in de landelijke als de internationale media wordt zijn volledige naam gebruikt. In zoverre ontbreekt de noodzaak om zijn naam in het rapport uit privacybelangen te anonimiseren. Overigens zijn wel de andere gegevens met betrekking tot klager en derden geanonimiseerd, aldus verweerders.
Wat betreft de inhoud van het artikel zijn verweerders van mening dat van tendentieuze of misleidende berichtgeving geen sprake is. In het artikel zijn de essentie van het onderzoek en de mogelijke handvatten voor verdenking samengevat. Daarbij heeft Koolhoven gebruik gemaakt van termen die gangbaar zijn in het dagelijks spraakgebruik. Voor het grote lezerspubliek zijn de door klager gewenste nuances van ondergeschikt belang. Zo laat de omstandigheid dat geen onderzoek is gedaan naar het alibi van klager onverlet dat hij geen sluitend alibi heeft. De ‘handvatten voor verdenking’ bestaan uit bewijsmateriaal dat is gevonden, zoals in het rapport is uiteengezet. De term ‘bewijs’ in de kop is dan ook niet misleidend. Dat sprake is van ‘sterke aanwijzingen’ blijkt uit het feit dat klager het volgens het rapport ‘gedaan zou kunnen hebben’. Verder worden in het rapport zeer concrete feiten vermeld, die de betrokkenheid van klager bij de moord op Van der Werken aannemelijker maken dan vóór openbaarmaking van het rapport bekend was bij het publiek. De termen ‘zich opstapelen’ en ‘concreter worden’ zijn dus in overeenstemming met de feitelijke situatie. Voorts is de afgelopen jaren bij het publiek de indruk gewekt dat klager buiten iedere vorm van verdenking staat. De inhoud van het rapport geeft echter een andere indruk. In dat kader is het gebruik van de term ‘wel degelijk’ geoorloofd. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de term ‘schokkende conclusies’. Het is immers schokkend om drie jaar na de verklaringen van het Openbaar Ministerie en de minister van Justitie een onderzoeksrapport onder ogen te krijgen waaruit blijkt dat klager niet buiten elke verdenking staat, maar dat er enkel niet voldoende bewijs was om klager als verdachte in de zin van het Wetboek van Strafrecht aan te merken.
Verweerders concluderen dat zij geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bevat – samengevat weergegeven – de volgende onderdelen:
 
1. Met betrekking tot de publicatie van het vertrouwelijke rapport:
a. verweerders hebben journalistiek onzorgvuldig gehandeld door het artikel te publiceren op basis van een onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemd rapport en delen van dat rapport op hun website te plaatsen;
b. ten onrechte is de naam van klager bij publicatie van het rapport niet geanonimiseerd;
 
2. Verweerders hebben ten onrechte in het artikel de indruk gewekt dat klager betrokken is bij de moord op Van der Werken en nagelaten wederhoor toe te passen.
 
Ad 1a.
Verweerders hebben gemotiveerd aangevoerd dat het rapport niet onrechtmatig is verkregen, hetgeen niet namens klager is betwist. Aldus is de ambtshalve uitspraak van de Raad inzake het gebruik van onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens door journalisten (RvdJ 1995/32) niet op het onderhavige geschil van toepassing. Niettemin is sprake van niet voor publicatie bestemde gegevens, waarbij van de betrokken journalist mag worden verwacht dat hij niet eerder tot publicatie overgaat dan na een zorgvuldige afweging van alle betrokken belangen.
 
De hier af te wegen belangen zijn enerzijds het onbelemmerd laten van de voortgang van het onderzoek naar de moord op Van der Werken en de bescherming van de eer en goede naam van klager voor zover daaraan afbreuk wordt gedaan door hem ongefundeerd in verband te brengen met de moord op Van der Werken, anderzijds die van het publiek om op de hoogte te worden gesteld van niet eerder openbaar geworden feiten, waarvan publicatie een groot maatschappelijk belang dient.
 
Verweerders hebben gesteld dat het belang van publicatie enerzijds was gelegen in het aan de orde stellen van een misstand binnen de Nederlandse rechtsorde, aangezien het Gerechtshof in Amsterdam niet op de hoogte was van het rapport toen het klagers beroep op strafvermindering (deels) heeft gehonoreerd in verband met publicaties die klager in verband brachten met de moord op Van der Werken. Nog daargelaten dat hierover in het artikel in het geheel niet wordt gerept, is niet aangetoond dat van een dergelijke misstand sprake is. De strafvermindering van klager is immers gestoeld op de gedachte dat hij in de media veelvuldig in verband is gebracht met de moord op Van der Werken, terwijl hij niet was aangemerkt als verdachte. De inhoud van het rapport doet aan die gedachte geen afbreuk.
Anderzijds was het belang van publicatie, aldus verweerders, gelegen in de nieuwswaarde van het rapport. Met verweerders is de Raad van oordeel dat het journalistiek relevant is het publiek te informeren over het feit dat de Nationale Recherche reeds in 2003 een rapport heeft opgesteld waarin onder meer de mogelijke betrokkenheid van klager in de zaak-Van der Werken is besproken, terwijl het bestaan van dat rapport en de inhoud ervan vóór publicatie door verweerders bij het publiek onbekend waren.
 
Aan de orde is vervolgens de vraag in hoeverre het belang van publicatie zwaarder weegt dan het door klager gestelde algemene belang van opsporing en vervolging van de moordenaar op Van der Werken en diens persoonlijk belang.
 
Wat betreft het algemene belang van opsporing en vervolging overweegt de Raad dat dit belang de overheid in algemene zin dan wel de Nationale Recherche in het bijzonder raakt. Klager kan ter zake niet als ‘rechtstreeks belanghebbende’ worden aangemerkt. Dat ook hij er mogelijk belang bij heeft dat de moordenaar van Van der Werken wordt vervolgd, is daarvoor onvoldoende. Het zou op de weg van de overheid c.q. Nationale Recherche hebben gelegen voor dit belang op te komen. Van die zijde is echter kennelijk, afgezien van het persbericht dat naar aanleiding van de publicatie is opgesteld, geen actie ondernomen.
 
Verder heeft klager gesteld dat zijn persoonlijk belang erin is gelegen dat hij wordt gevrijwaard van een onterechte inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Voor zover dit standpunt van klager ertoe zou strekken dat vermeld belang zodanig zwaar weegt dat het belang van publicatie daarvoor had moeten wijken, gaat dat niet op. Immers, volgens het vaste oordeel van de Raad is een journalist vrij in zijn selectie van nieuws. Er is geen norm van journalistieke zorgvuldigheid die meebrengt dat een journalist toe- of instemming behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. (vgl. onder meer: X, Y en Z tegen de Gelderlander, RvdJ 2005/7)
 
Gezien het voorgaande ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat verweerders niet hadden mogen overgaan tot publicatie van het artikel op basis van het vertrouwelijke rapport c.q. van delen van dit rapport. In zoverre is de klacht ongegrond.

Ad 1b.
Het voorgaande neemt niet weg dat de journalistieke verantwoordelijkheid met zich mee brengt dat de persoonlijke levenssfeer over wie wordt gepubliceerd niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.
 
Voorts is ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Een journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd. Dat de identiteit van de betrokkene door een publicatie bekend wordt, maakt die publicatie evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds. (vgl. onder meer: X tegen Dagblad van het Noorden, RvdJ 2006/46)
 
Niet is gebleken dat met de vermelding van klagers naam in het rapport een maatschappelijk belang is gediend, dat bovendien zwaarder weegt dan het individuele belang van klager. Gelijk het anonimiseren van overige persoonlijke gegevens van klager en het anonimiseren van derden in het rapport, waartoe verweerders wel zijn overgegaan, zou ook het anonimiseren van klagers naam geen afbreuk hebben gedaan aan de strekking en informatie van het rapport. Daarbij overweegt de Raad voorts dat verweerders in het artikel slechts de voornaam en initialen van klager hebben vermeld.

De omstandigheid dat de naam van klager ten tijde van de moord op Pim Fortuyn in grotere kring bekend is geraakt, is in deze onvoldoende. Naarmate een langere periode is verstreken na het plaatsvinden van het criminele gebeuren, mag van de journalist een grotere mate van zorgvuldigheid worden verlangd met het oog op het belang van de verdachte c.q. veroordeelde.
 
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat verweerders niet op verantwoorde wijze het belang van klager bij de bescherming van zijn privacy hebben afgewogen tegen het maatschappelijke belang dat met de publicatie is gediend.
 
Onder deze omstandigheden vormt het niet anonimiseren van klagers naam in het gepubliceerde rapport een ongerechtvaardigde aantasting van zijn privé-leven. Dit onderdeel van de klacht is gegrond.
 
Ad 2.
Naar het oordeel van de Raad laat het artikel de lezer weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat klager betrokken is bij de moord op Van der Werken en dat de Nationale Recherche in toenemende mate over bewijs ter zake beschikt. Deze beschuldiging is zodanig ernstig dat deze niet zonder deugdelijke feitelijke grondslag gepubliceerd had mogen worden. Een dergelijke grondslag ontbreekt echter, nu uit het rapport volgt dat klager juist níet als verdachte kan worden aangemerkt.
 
Ook overigens is sprake van eenzijdige, selectieve berichtgeving. Zo hebben verweerders nagelaten te vermelden dat nooit onderzoek is gedaan naar het alibi van klager en hebben zij geen melding gemaakt van het feit dat de Nationale Recherche andere hypothesen rond de moord op Van der Werken heeft verwoord in het rapport. Voorts vermelden zij niet dat het rapport dateert uit 2003, waardoor bij de gewraakte publicaties ten onrechte de indruk wordt gewekt dat recentelijk nieuw bewijsmateriaal tegen klager zou zijn gevonden. Daarbij hebben verweerders geen melding gemaakt van het feit dat reeds in 2003 de toenmalige minister van Justitie, in een reactie op Kamervragen over de eventuele betrokkenheid van klager, heeft geconcludeerd dat klager juist níet als verdachte kan worden aangemerkt. Bovendien zijn de kopteksten tussen aanhalingstekens geplaatst, waarmee ten onrechte de indruk is gewekt dat dit letterlijke conclusies zijn uit het rapport.
 
Verder moet een journalist, volgens het vaste oordeel van de Raad, bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Koolhoven stelt telefonisch contact te hebben opgenomen met het advocatenkantoor dat voorheen de belangen van klager behartigde. Klager betwist dat dat daadwerkelijk is gebeurd. De Raad kan niet vaststellen welk standpunt ter zake juist is. Echter, gelet op de aard van de beschuldigingen hadden verweerders zich in ieder geval schriftelijk, per fax of per e-mail tot klager of diens raadslieden behoren te wenden, ten einde hun de mogelijkheid te bieden schriftelijk op de aan klagers adres geuite beschuldigingen te reageren. Niet ter discussie staat dat verweerders dat niet hebben gedaan. Aldus hebben verweerders onvoldoende pogingen ondernomen om van klager zijn visie op de kwestie te vernemen. De enkele veronderstelling dat van klager c.q. zijn raadslieden geen inhoudelijke reactie te verwachten was, biedt daarvoor onvoldoende rechtvaardiging. (vgl. onder meer: X en familie tegen Veerman en Panorama, RvdJ 2006/71 en Kouwenhoven tegen Karskens en Nieuwe Revu, RvdJ 2006/73)
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door in het artikel te berichten zoals zij hebben gedaan en daarbij onvoldoende wederhoor toe te passen. Ook dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond.
 
BESLISSING
 
Voor zover de klacht is gericht tegen de vermelding van klagers naam in het vertrouwelijke rapport en tegen de wijze waarop in het artikel is bericht, zonder voldoende toepassing van wederhoor, is deze gegrond. Voor zover de klacht is gericht tegen het publiceren van het artikel op basis van het vertrouwelijke rapport c.q. van (delen van) het vertrouwelijke rapport als zodanig, is de klacht ongegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf en op de website www.telegraaf.nl te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 9 maart 2007 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. A.C. Diamand, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. drs. P.C.J. van Schaveren en drs. L.W. Verhagen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.