2007/67 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van het Ublad

Bij brief, ingekomen bij de Raad op 17 augustus 2006, met drie bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Ublad (hierna: verweerder).

Bij tussenbeslissing van 16 maart 2007 (RvdJ 2007/8) heeft de Raad klager in zijn klacht ontvankelijk verklaard.

Drs. A. Heijnen, hoofdredacteur van het Ublad, heeft bij schrijven van 4 april 2007 gereageerd op het klaagschrift. Ten slotte heeft klager zijn klacht nader toegelicht in een e-mail van 19 april 2007.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 april 2007. Heijnen is daar verschenen, vergezeld van mw. mr. C. de Vos, juridisch medewerkster bij de Universiteit Utrecht. Klager was daar met bericht van verhindering niet aanwezig.

Bij brief van 8 mei 2007 heeft de secretaris van de Raad voor de Journalistiek aan partijen meegedeeld dat de Raad het, gelet op de aard van de zaak, opportuun heeft geacht advies te vragen van een deskundige. Dit advies is vervolgens opgesteld door H. Blanken, journalist en publicist. Partijen hebben een exemplaar van dit advies ontvangen.

DE FEITEN

In november 1999 en juli 2001 zijn artikelen geplaatst in het Ublad, het magazine van de Universiteit Utrecht, waarin klager, destijds student aan die universiteit, wordt geïnterviewd. Zijn volledige naam is daarbij vermeld. De artikelen zijn op de website van het Ublad geplaatst en daar nog steeds te raadplegen.

In een e-mailbericht van 15 augustus 2006 heeft klager verweerder verzocht de artikelen te verwijderen van de site of in elk geval te anonimiseren. In een e-mailbericht van diezelfde dag heeft verweerder gereageerd als volgt:
“Alle artikelen uit het papieren Ublad worden al sinds jaar en dag in de week van verschijning integraal op onze website geplaatst, niet alleen als service voor potentiële lezers die niet over het papieren blad kunnen beschikken, maar ook als archief. Zoals te doen gebruikelijk worden uit archieven geen stukken verwijderd of gewijzigd, en zijn weekblad-archieven publiek toegankelijk. Ik vrees dan ook dat we niet op uw verzoek kunnen ingaan.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat verweerder journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door zijn verzoek om verwijdering c.q. anonimisering van de artikelen niet te honoreren. Daarbij betoogt hij dat hij wel toestemming heeft gegeven voor plaatsing in het blad, maar niet voor plaatsing op internet. Dat het artikel niettemin wel op internet geplaatst zal worden, is hem ook niet bekend gemaakt. Dit klemt volgens klager te meer nu hij één van de artikelen voor plaatsing niet heeft kunnen inzien. Zou van die inzage wel sprake zijn geweest dan had hij aanpassing of anonimisering bedongen, nu hij een aantal zaken die in het artikel zijn opgenomen niet op die wijze heeft gezegd.
Volgens klager lijdt hij schade door het niet verwijderen van de artikelen, nu hij als adviseur regelmatig negatief commentaar krijgt van potentiële klanten die hem via een zoekmachine hebben gevonden. Hij wenst dan ook dat de artikelen zo snel mogelijk worden geanonimiseerd dan wel verwijderd.

Verweerder stelt dat het gebruikelijk is dat artikelen in een archief niet worden geanonimiseerd en ook niet worden verwijderd. Door in te grijpen wordt het archief onbetrouwbaar gemaakt, aldus verweerder. Deze betrouwbaarheid is van belang voor de redacteuren van het Ublad, die minstens eens per dag gebruik maken van het archief. Voorts wijst verweerder er op dat uit de statistieken van het Ublad blijkt dat meer partijen dan alleen redacteuren de archieven raadplegen; dagelijks gemiddeld 380 keer.
Voor zover klager met name problemen heeft met het feit dat zijn naam via zoekmachines gemakkelijk is terug te vinden, brengt verweerder naar voren dat deze zogeheten ‘open access’ niet als een probleem maar als een verworvenheid moet worden gezien. De openbaarheid is daarmee ten zeerste gediend, volgens verweerder.
Dat het artikel is gepubliceerd zonder aan klager vooraf inzage te bieden, is een omstandigheid die zoveel jaar na dato niet meer te controleren is. Volgens verweerder is het bij het Ublad een gedragslijn om wel inzage vooraf te geven en is er geen enkele reden te veronderstellen dat dit thans niet is gebeurd.
Verweerder heeft met betrekking tot deze klacht voorts navraag gedaan bij collegae hoofdredacteuren van hogeschool- en universiteitbladen. Volgens verweerder is gebleken dat er geen uniforme gedragslijn is voor verzoeken als van klager. Bij een aantal collegae wordt per geval bekeken of de klager door de publicatie aantoonbare schade dreigt te lopen. Indien het gaat om zwaarwichtige redenen of gevallen waarin de publicatie ernstig ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer wordt eventueel het artikel geschrapt of de naam verwijderd.
Voor een dergelijke gedragslijn kiest verweerder niet, maar ook al zou dat wel het geval zijn, dan zou dat niet tot de door klager gewenste aanpassing van het archief leiden. Volgens verweerder is de hinder die klager van die artikelen ondervindt onvoldoende zwaarwichtig of persoonlijk bedreigend.

HET DESKUNDIGENADVIES

In het advies “Moeten de media kunnen vergeten?” geeft H. Blanken onder meer een inzicht in de belangen die meespelen bij de vraag in hoeverre dan wel onder welke omstandigheden van media verwacht kan worden dat zij eerder geplaatste artikelen verwijderen uit hun via internet te raadplegen archief. Volgens Blanken gaat het daarbij om zowel het particuliere, het publieke als het commerciële belang.

Verder stipt Blanken het bijzondere karakter aan van het medium internet. Eerder geplaatste artikelen worden niet langer als knipselkrant bewaard, maar kunnen vrijwel automatisch aan de oppervlakte komen. Daarmee lijken zij een eigen dynamiek te hebben, terwijl het artikel niet vandaag in de krant staat en ook op dat moment de daarin genoemde personen geen onderdeel van journalistiek handelen zijn. Ook wijst Blanken op het enorme succes van Google, waardoor een ieder een bekende Nederlander lijkt te zijn geworden.

Dit enorme succes van internet en Google heeft klager evenwel niet kunnen bevroeden. Hoewel hij op het moment van plaatsen van het artikel volledig heeft meegewerkt, heeft hij zich zeer waarschijnlijk daarbij niet gerealiseerd dat de daarin vermelde opvattingen nog jarenlang op internet zouden zijn te raadplegen. In zoverre heeft hij wel gekozen voor medewerking aan een artikel, maar niet ingestemd met de huidige ‘roem’. Dit raakt het particuliere belang van het recht op privacy. Het uitgangspunt van journalistieke ethiek is daarbij dat de privacy van personen niet verder wordt aangetast dan in het kader van de berichtgeving noodzakelijk is. Nu het artikel door middel van het internet is te raadplegen lijkt het evenwel of het artikel elke dag opnieuw wordt geplaatst zonder de afweging of de privacy van klager in het geding is.

Het publieke belang is er echter in gelegen dat de samenleving moet kunnen vertrouwen op de integriteit van archieven. In zoverre waken de media niet alleen over de betrouwbaarheid van nieuw nieuws, maar ook, in de hoedanigheid van archivarissen, over oud nieuws. Een ondeugdelijk bericht moet worden gerectificeerd, maar een onwelgevallig artikel wordt niet uit het archief verwijderd, evenmin als aan het archief met terugwerkende kracht artikelen kunnen worden toegevoegd omdat die een ‘beter’ beeld geven van het verleden, aldus Blanken.

Daarnaast is er volgens Blanken een commercieel belang van de media. Voorheen werden knipsels enkel voor de eigen archieven bewaard, waarbij de kosten van exploitatie meestal hoger waren dan de omzet uit ‘nabestellingen’. Met de komst van internet en de doorzoekbaarheid met Google beginnen krantenarchieven geleidelijk te veranderen in een verkoopbaar product. Daarbij wijst Blanken erop dat het evident is dat die archieven, gelijk de krant van vandaag, aan waarde inboeten als zij niet langer betrouwbaar zijn.

Wat het effect van verwijdering van de artikelen betreft, merkt Blanken op dat verwijdering uit de archieven van het Ublad er nog niet toe hoeft te leiden dat de artikelen geenszins meer te vinden zijn via Google. Dit in verband met het zogeheten cache-geheugen van Google, de kopie die het Amerikaanse bedrijf maakt van informatie op internet. Maar ook in andere digitale archieven zouden de artikelen kunnen voortleven. Zo wijst onderzoeksjournalist en zoekmachine-expert Henk van Ess er op dat veel informatie door derden wordt gekopieerd zonder dat de eigenaar van de informatie daar erg in heeft.

Het is waarschijnlijk dat het klager niet om absolute anonimiteit gaat, maar om relatieve onzichtbaarheid. Niettemin zal het verwijderen van het artikel sec materieel weinig opleveren voor klager aldus Blanken, zodat in zoverre de publieke en commerciële belangen zwaarder wegen.

Een verdergaande vraag is of van verweerder kan worden verlangd zoveel als mogelijk er voor te zorgen dat de naam van klager niet meer te raadplegen is. Medewerking van Google is dan van belang. En ook dan blijft een moreel dilemma over: men kan vinden dat klager niet hoeft te lijden onder het belang van het collectief, maar ook kan men stellen dat hij verantwoordelijk is voor zijn eigen verleden en dat hij het ongemak daarover niet mag afwentelen op de gemeenschap. Voorts is de vraag hoe groot het commerciële belang van verweerder moet worden geacht en in welke mate dat zou worden geschaad als klager in het gelijk werd gesteld.

Het is nu mogelijk archieven rendabel te exploiteren. Nieuwsconsumenten zijn er aan gewend dat online niet enkel nog het nieuws van vandaag te vinden is. Afgevraagd moet worden of zij daarbij ook erop vertrouwen, of erop zouden moeten kunnen vertrouwen, dat die historische berichtgeving net zo accuraat en betrouwbaar is als de actuele berichtgeving. Is dit het geval dan kan het imago van het medium schade oplopen indien bekend wordt dat het archief op verzoek van een individuele belanghebbende is gemanipuleerd. In zoverre is het commerciële belang groter. Anderzijds weten de meeste nieuwsconsumenten de waarde van de archieven te relativeren. Zij hebben leren leven met de onvolmaaktheid van internet. Het manipuleren van archieven is per saldo dan ook niet te vergelijken met het manipuleren van actueel nieuws, aldus Blanken.

Tot slot wijst Blanken op een pragmatische afweging. Een gegrondverklaring van de klacht zou er toe leiden dat media telkens artikelen moeten verwijderen indien daar om gevraagd wordt. Maar hoe kunnen media beoordelen of het verzoek terecht is. Teneinde daar een oordeel over te kunnen geven is een groot aantal journalistieke checks nodig. Dit maakt – simpel gezegd – dat het telkens op journalistiek verantwoorde wijze moeten ingrijpen in elektronische archieven zeer waarschijnlijk onbetaalbaar is.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat klager ten tijde van de publicatie van de artikelen daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Klager betoogt dat hij nimmer toestemming heeft gegeven voor plaatsing op internet. Het gaat klager in de eerste plaats om verwijdering van de artikelen, subsidiair om anonimisering.

Uit het advies van de deskundige valt op te maken dat in zaken als de onderhavige drie belangen om de voorrang strijden, te weten: het particuliere, het publieke en het commerciële belang. De centrale vraag is of, en zo ja: hoe, die belangen tegenover elkaar moeten worden afgewogen.

Noch door klager, noch door verweerder is hun commerciële belang met zoveel woorden aan de orde gesteld. De Raad kiest er dan ook voor om de geboden belangenafweging te betrekken op het particuliere en het publieke belang.

De Raad onderkent het grote belang van een betrouwbare en integere archivering. In navolging van het deskundigenrapport meent de Raad dat de samenleving is gebaat bij goed functionerende, zo volledig mogelijke en dus betrouwbare archieven, waarvan de inhoud niet kan worden gewijzigd.

Slechts in bijzondere gevallen acht de Raad het denkbaar dat op dit maatschappelijk belangrijke principe – na uiterst zorgvuldige belangenafweging – een uitzondering wordt gemaakt.

De Raad realiseert zich terdege dat de opkomst en het succes van internet met de daaraan gekoppelde ‘zoekmachines’ aan de praktijk van archivering en de toegankelijkheid van archiefbestanden een bijzondere dimensie heeft toegevoegd. De deskundige verwoordt dat treffend door de opmerking dat ‘wij allen bekende Nederlanders zijn geworden’.

Daar staat tegenover dat de (nieuws)consument de publicaties op internet naar waarde heeft leren inschatten. Zo kan het publiek bekend zijn met de mogelijkheid, dat de mening van een in enig bestand figurerende persoon in de loop der tijd is veranderd.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen kiest de Raad – mede gelet op de pragmatische afweging, zoals geformuleerd in het advies – in het kader van de belangenafweging tussen het particuliere belang van klager (dat hij niet jaren na dato geconfronteerd wenst te worden met meningen of opvattingen die hij niet meer heeft of huldigt) en het hiervoor genoemde publieke belang voor het laatste. Het belang van klager weegt naar het oordeel van de Raad minder zwaar dan het publieke belang van verweerder.

De Raad is dan ook van oordeel dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maarschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Ublad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 november 2007 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. A.C. Diamand, T.R. Harkema, mw. E.J.M. Lamers en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.