2007/56 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
de Pompestichting
 
tegen
 
P.M. Groenendijk en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad
 
Bij brief van 10 juli 2007 met zeven bijlagen heeft P.A.H. Aquarius, stafmedewerker communicatie, namens de Pompestichting te Nijmegen (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen P.M. Groenendijk, journalist, en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad (hierna: verweerders). Hierop heeft mr. O.G. Trojan, advocaat te Rotterdam, namens verweerders geantwoord in een brief van 7 augustus 2007 met een bijlage. Voorts heeft mr. Trojan per e-mail van 15 augustus 2007 nog twee bijlagen overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 augustus 2007. Namens klaagster is daar voornoemde Aquarius verschenen. Van de zijde van verweerders waren voornoemde Groenendijk en mr. Trojan aanwezig. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.
 
Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.
 
DE FEITEN
 
Op zaterdag 10 maart 2007 is op de voorpagina van het Algemeen Dagblad een artikel van de hand van Groenendijk verschenen onder de kop “Drugs, alcohol en gsm’s voorhanden in tbs-kliniek” en de onderkop “AD-verslaggever kijkt week mee in Nijmeegse inrichting”. De lead van het artikel luidt:
“In de Nijmeegse tbs-instelling de Pompekliniek zijn drugs en drank eenvoudig verkrijgbaar. Dat stellen patiënten in een reportage, vandaag in AD Weekend. Deze krant mocht een week meekijken in de Pompekliniek.”
Voorts is op pagina 2-3 een artikel verschenen onder de kop “Drugsgebruik tbs’ers schokt politici”. Dit artikel wordt ingeleid als volgt:
“Schokkend vinden CDA en VVD het dat in de Pompekliniek tbs’ers vrij eenvoudig aan drugs, drank en mobiele telefoons kunnen komen.”
Daarnaast is diezelfde dag in de weekendbijlage ‘AD Weekend’ een achtergrondartikel van Groenendijk over de praktijk van TBS op een verpleegafdeling van klaagster opgenomen.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt voorop dat zij door Groenendijk is benaderd voor medewerking aan de totstandkoming van een artikel over de praktijk van TBS op een verpleegafdeling. Partijen hebben vervolgens een overeenkomst gesloten, waarin staat dat klaagster Groenendijk toestemming verleent om een week op een afdeling van de Pompekliniek aanwezig te zijn, en wel ten behoeve van een éénmalige publicatie in de weekendbijlage van het Algemeen Dagblad.  
Verder is afgesproken dat klaagster in de gelegenheid zou worden gesteld de publicatie vooraf in te zien teneinde feitelijke onjuistheden te corrigeren.
Klaagster meent dat weliswaar de gemaakte afspraken met betrekking tot het achtergrondartikel in de weekendbijlage zijn nagekomen, maar dat dit niet het geval is met betrekking tot de twee nieuwsartikelen die in de normale editie van het Algemeen Dagblad zijn gepubliceerd. Klaagster heeft die nieuwsartikelen niet tevoren ter inzage ontvangen en heeft geen kans gekregen een weerwoord te geven op de uitspraken van de politici. Wel heeft Groenendijk op 7 maart 2007 laten weten dat in de krant van vrijdag 9 maart een vooraankondiging zou verschijnen. De tekst daarvan zou Groenendijk nog aan klaagster voorleggen, maar dat is niet gebeurd en uiteindelijk is er ook geen vooraankondiging gepubliceerd.
Ter zitting heeft Aquarius hieraan nog toegevoegd, dat als er over de aankondiging van zaterdag overleg is gevoerd, dat uiterst summier moet zijn geweest, in een telefoongesprek dat slechts 1 minuut en 24 seconden heeft geduurd. Zijn feitelijke verwachting voor de publicatie van zaterdag was dat het artikel in de bijlage hooguit met enige reclame bij de inhoudsopgave zou worden aangekondigd. Op grond van zijn contacten met Groenendijk heeft hij rekening gehouden met een vooraankondiging op vrijdag, waarvan de tekst zou worden voorgelegd; dat is niet doorgegaan. Over eventuele nieuwsartikelen in de krant van zaterdag heeft geen enkel overleg plaatsgevonden.
De nieuwsartikelen van 10 maart kwamen voor klaagster dan ook als een klap. Volgens klaagster is het voorpagina-artikel tendentieus. Een klein onderdeel van de reportage in de weekendbijlage is sterk uitvergroot. De suggestie dat de aanwezigheid van drank en drugs in een forensisch psychiatrische instelling groot nieuws zou zijn, is misleidend. Geen enkele psychiatrische instelling of gevangenis is gevrijwaard van deze problematiek. Van een structurele misstand in de Pompekliniek is geen sprake, aldus klaagster. Volgens haar wordt de suggestie dat het om bijzonder nieuws zou gaan, nog versterkt door de publicatie op pagina 2-3 als zou dit ‘actuele’ probleem onmiddellijke politieke aandacht verdienen. Het komt klaagster voor dat door deze voorstelling van zaken Tweede Kamerleden worden verleid om ‘geschokt’ te reageren. Door de tendentieuze nieuwsartikelen krijgen de nuanceringen in het achtergrondartikel in de weekendbijlage weinig kans meer, aldus klaagster.
Zij ervaart het geheel als zeer bezwaarlijk. Naar de mening van klaagster is de burger op deze wijze niet fatsoenlijk en adequaat voorgelicht. Bovendien is klaagsters vertrouwen in de journalistiek geschaad. Klaagster acht een en ander journalistiek niet verdedigbaar en onfatsoenlijk.
 
Verweerders stellen dat zij de concepttekst van het achtergrondartikel conform de afspraken aan klaagster hebben voorgelegd. Het overleg dat volgde, leidde tot een tweede concept, waarmee klaagster zich kon verenigen. De redactie is vervolgens tot de slotsom gekomen dat het artikel niet alleen beantwoordde aan zijn oorspronkelijke doelstelling, te weten het schetsen van een realistisch en genuanceerd beeld, doch tevens nieuwswaardige elementen bevatte. Dat gold met name voor het structurele drugsprobleem dat ook bij TBS-klinieken leek te bestaan. De redactie heeft daarop besloten hieraan aandacht te schenken op de pagina’s die doorgaans gereserveerd zijn voor de meer actuele aspecten van het nieuws. Deze gang van zaken is in de dagbladjournalistiek heel gebruikelijk, aldus verweerders. Zij menen dat deze gang van zaken niet in strijd is met de overeenkomst en dat zij zorgvuldig hebben gehandeld.
Verder stellen verweerders dat zij aanvankelijk een redactioneel stuk wilden plaatsen op een van de nieuwspagina’s in de krant van vrijdag 9 maart 2007. Groenendijk heeft daarover op 7 maart telefonisch contact opgenomen met Aquarius en toen nadrukkelijk meegedeeld dat het zou gaan om een redactioneel stuk waarin bepaalde (nieuwswaardige) elementen uit het verdiepende artikel prominent onder de aandacht zouden worden gebracht. Aquarius heeft toen laten weten dat hij het aanvullende stuk ook nog wilde voorleggen aan de directie. Vervolgens heeft Groenendijk op 8 maart nog een aantal malen telefonisch contact gezocht met Aquarius om te vernemen of directielid Poelmann bereid was medewerking te verlenen aan een interview. Toen Aquarius liet weten dat hij Poelmann niet had kunnen bereiken, deelde Groenendijk mee dat hij dat met de redactie zou bespreken. Aquarius nam die mededeling voor kennisgeving aan. Op geen enkel moment heeft Aquarius tot uitdrukking gebracht dat klaagster ongelukkig was met het voornemen een aanvullend stuk te plaatsen op een van de nieuwspagina’s. In het intern overleg dat volgde is besloten een redactioneel stuk te plaatsen op de voorpagina van dezelfde editie als waarin het achtergrondartikel zou verschijnen, de zaterdageditie. In dat overleg werd ook besloten het achtergrondartikel door de parlementaire verslaggeefster te laten voorleggen aan een of meerdere kamerleden. Dit resulteerde in het artikel dat op 10 maart op pagina 2-3 is verschenen. Op vrijdagmiddag 9 maart heeft Groenendijk nogmaals telefonisch contact opgenomen met Aquarius, om hem te informeren over de uitkomst van het overleg. De mededeling dat er een redactioneel stuk zou verschijnen op de voorpagina van het AD van zaterdag nam Aquarius wederom voor kennisgeving aan en hij maakte geen enkel bezwaar. Verweerders wijzen in dit verband ook nog op een e-mail van Groenendijk aan Aquarius van 9 maart 2007, waarin Groenendijk schrijft: “In deze vooraankondiging worden zoals gezegd enkele aspecten uit de reportage genoemd, laten we hopen dat zoveel mogelijk mensen hierdoor de reportage lezen!”
Verder achten verweerders van belang op te merken dat de overeenkomst met Groenendijk hen op geen enkele wijze beperkt in de mogelijkheid in een redactioneel stuk aandacht te schenken aan nieuwswaardige feiten die aan het licht komen naar aanleiding van het verblijf van Groenendijk in de Pompekliniek. Met het begrip ‘eenmalige publicatie’ hebben partijen tot uitdrukking gebracht dat de verkregen informatie zou worden verwerkt in één artikel dat in AD Weekend zou verschijnen, en niet gebruikt mocht worden voor een serie van artikelen. Partijen hebben echter geenszins beperkingen willen stellen aan de mogelijkheid van het AD in te haken op nieuwswaardige feiten die naar boven zouden komen.
Verweerders stellen verder dat zij klaagster geen concepten hebben gestuurd van de aanvullende nieuwsartikelen, aangezien dat niet was afgesproken. Afgesproken was slechts dat eventueel commentaar van de directie in concept zou worden voorgelegd. Aangezien er geen interview met een directielid heeft plaatsgevonden, was dat niet langer aan de orde. Overigens bestond geen aanleiding klaagster gelegenheid tot wederhoor te bieden, aldus verweerders. Het voorpagina-artikel is niets anders dan een compilatie van feiten zoals die blijken uit het achtergrondartikel, dat vooraf in concept aan klaagster is toegestuurd. Klaagster heeft dat concept beoordeeld en uiteindelijk geaccordeerd. En ook voor wat betreft het artikel dat op pagina 2-3 is gepubliceerd, is geen sprake van vermelding van nieuwe feiten die nog niet ter verificatie aan klaagster waren voorgelegd. Volgens verweerders gaat het te ver om te verlangen dat zij de reacties van de kamerleden weer voorlegt aan alle overige betrokkenen, onder wie klaagster. Dat zou slechts leiden tot een cascade van reacties over en weer. Ter zitting voegt Groenendijk hieraan desgevraagd toe, dat het niet had misstaan om klaagster vooraf erover te informeren dat aan kamerleden om commentaar was gevraagd, maar dat dat niet noodzakelijk was.
Verweerders betwisten ten slotte dat sprake is van eenzijdige, tendentieuze en suggestieve berichtgeving. In de nieuwsartikelen is verslag gedaan van onbetwiste en nieuwswaardige feiten. Daarbij zijn geen suggesties gewekt die onvoldoende grondslag vinden in die feiten. Dat een onderdeel van het achtergrondartikel op de voorpagina is uitvergroot, maakt het desbetreffende bericht nog niet tendentieus. Eenzijdig is de berichtgeving evenmin. Niet alleen de patiënten komen aan het woord, maar ook de behandelaars.
Verweerders concluderen dat de klacht in al zijn onderdelen moet worden afgewezen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Voorop moet worden gesteld dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Er is geen norm van journalistieke zorgvuldigheid die meebrengt dat een journalist toe- of instemming behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. Het is bovendien aan de journalist en zijn redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. Dat neemt niet weg dat de journalist wel steeds een afweging dient te maken tussen het belang dat met de publicatie is gediend en de belangen die door de publicatie worden geschaad, en dat moet worden vermeden dat nodeloos schade wordt toegebracht. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek en vgl. onder meer: Smit tegen Dirks, Meerhof en de Volkskrant, RvdJ 2007/17) Aard en inhoud van een publicatie kunnen bovendien meebrengen dat een journalist bij betrokkenen wederhoor dient toe te passen alvorens tot publicatie over te gaan.
 
Allereerst is aan de orde de vraag of de overeenkomst tussen klaagster en verweerders zo moet worden uitgelegd, dat verweerders slechts één enkele publicatie – het achtergrondartikel – aan de instellingen van klager mochten wijden althans dat zij de nieuwsartikelen vooraf aan klaagster ter inzage hadden moeten aanbieden, en dat zij door het publiceren van de twee nieuwsartikelen zonder deze vooraf ter inzage aan te bieden in strijd met die overeenkomst hebben gehandeld.
De Raad is van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord en dat de overeenkomst verweerders niet beperkt in de mogelijkheid in een redactioneel stuk aandacht te schenken aan nieuwswaardige feiten die eventueel aan het licht zouden komen. Een andere uitleg zou leiden tot een onaanvaardbare beperking van de journalistieke uitingsvrijheid, zoals verwoord in de punten 1.2. en 1.3 van de Leidraad van de Raad, en niet aannemelijk is geworden dat (klaagster ervan uit mocht gaan dat) verweerders daarmee hadden ingestemd.
 
Voorts overweegt de Raad dat van eenzijdige, tendentieuze en suggestieve berichtgeving geen sprake is. Gesteld noch gebleken is dat de twee nieuwsartikelen relevante onjuistheden bevatten. De feiten in deze artikelen verschillen niet van de feiten als vermeld in het achtergrondartikel, dat in concept aan klaagster is voorgelegd en door haar is goedgekeurd. Verweerders konden in redelijkheid het alcohol- en drugsgebruik in een TBS-kliniek als nieuwswaardige feiten aanmerken en het stond hen vrij die nieuwswaardige elementen uit het achtergrondartikel apart in redactionele nieuwsartikelen te belichten. Daarvoor was ook geen goedkeuring of inzage vooraf van klaagster nodig.
 
Daarnaast stond het verweerders vrij om deze nieuwswaardige elementen voor commentaar voor te leggen aan politici. Het had niet misstaan als verweerders klaagster daarover vooraf hadden ingelicht, maar dat zij dat hebben nagelaten is niet journalistiek onzorgvuldig jegens klaagster. Evenmin behoefde klaagster in de gelegenheid gesteld te worden om te reageren op de opmerkingen van de politici, nu de opvattingen van (medewerkers van) klaagster reeds voldoende bleken uit de nieuwsartikelen.
 
Het voorgaande in aanmerking genomen, kan niet worden geconcludeerd dat verweerders onvoldoende toepassing hebben gegeven aan het recht op wederhoor. Gesteld noch gebleken is dat de weergave van het standpunt van (de medewerkers van) klaagster relevante feitelijke onjuistheden bevat.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 19 september 2007 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. F.W. Dresselhuys, mr. A.H. Schmeink en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L. Bultman-den Haan, plaatsvervangend secretaris.