2007/55 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
S. de Jong, W. van de Pol en F. Sengers (Nieuwe Revu)
 
Bij brief van 5 juli 2007 met vier bijlagen heeft mr. H.J.A. Knijff, advocaat te Den Haag, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de verslaggevers S. de Jong en W. van de Pol en tegen F. Sengers, hoofdredacteur van Nieuwe Revu (hierna: verweerders). Hierop heeft mw. M. van der Werf, Juridische Zaken Sanoma Uitgevers B.V., namens verweerders geantwoord in een brief van 8 augustus 2007 met twee bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 augustus 2007. Klager is daar verschenen, bijgestaan door voornoemde mr. Knijff. Aan de zijde van verweerders waren Van de Pol en Sengers, bijgestaan door voornoemde Van der Werf, aanwezig. Mr. Knijff heeft het standpunt van klager toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.
 
Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.
 
Vervolgens heeft Van der Werf bij e-mailberichten van 20 augustus 2007 nog twee bijlagen overgelegd. Daarop heef mr. Knijff ten slotte namens klager gereageerd in een schrijven van 24 augustus 2007.
 
DE FEITEN
  
Op 13 juni 2007 is in De Telegraaf een artikel verschenen onder de kop “Seksdossiers in doofpot beland”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passage:
“Opsporings- en inlichtingendiensten zijn al jaren op de hoogte van aanwijzingen dat hoge vertegenwoordigers uit het overheidsapparaat zich schuldig zouden hebben gemaakt aan misbruik van minderjarige jongens. De aanwijzingen spitsen zich toe op de mogelijke betrokkenheid van een Haagse topambtenaar en een voormalig hoofdofficier van justitie.”
 
Naar aanleiding van dit artikel heeft het Openbaar Ministerie diezelfde dag een persbericht verspreid met de kop “Onjuiste berichtgeving in De Telegraaf”. Dit bericht bevat onder meer de volgende passage:
“Er wordt in het zelfde artikel ook gesproken over het zogenoemde ‘Rolodex-onderzoek’. In dat onderzoek, dat eind jaren 90 plaatsvond naar aanleiding van een verklaring over betrokkenheid van twee toenmalige hoofdofficieren van Justitie, is door de Rijksrecherche uitgebreid onderzocht of er sprake was van strafbare feiten. Dit was niet het geval.”
Vervolgens is op zaterdag 16 juni 2007 een artikel in De Telegraaf verschenen onder de kop “Topambtenaren in pedonetwerk”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passage:
“Het openbaar ministerie gaf deze week toe dat destijds twee topofficieren op de korrel waren genomen in een geheim onderzoek van de rijksrecherche. Die bevestiging kwam na een publicatie in De Telegraaf over de affaire. Zoals deze krant afgelopen woensdag meldde, zijn opsporings- en inlichtingendiensten al jaren op de hoogte van aanwijzingen dat hoge vertegenwoordigers uit het overheidsapparaat zich schuldig zouden hebben gemaakt aan misbruik van minderjarige jongens. De Telegraaf berichtte in dat verband over mogelijke betrokkenheid van een Haagse topambtenaar en een voormalig hoofdofficier van justitie. Die laatste persoon kwam samen met een collega van het OM in beeld bij het zogeheten Rolodexonderzoek. Volgens de justitieverklaring van deze week waren daarbij echter geen strafbare feiten met betrekking tot de hoofdofficieren aan het licht gekomen.”
 
Ten slotte is op 20 juni 2007 in Nieuwe Revu een artikel van de hand van De Jong en Van de Pol verschenen onder de kop “Voormalig superofficier betrokken bij pedo-affaire - Risico van chantage hoge ambtenaren justitie ligt op de loer”. De intro van het artikel luidt:
“Na topambtenaar (…) blijkt nu ook de voormalige hoofdofficier van justitie X tegenwoordig (….), in verband te worden gebracht met een pedofielennetwerk, zo achterhaalde Revu. De vraag werpt zich op of deze justitie-ambtenaren worden gechanteerd.”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
“Het pedoschandaal rond hoge ambtenaren lijkt zich uit te breiden als een olievlek. Eerst ging het nog alleen om topambtenaar (…). Volgens een Telegraaf-publicatie van afgelopen zaterdag maakten echter ook twee (voormalige) hoofdofficieren van justitie deel uit van een pedofielennetwerk. Een van hen was, zo hebben betrouwbare bronnen tegenover Nieuwe Revu bevestigd, (…): X.”
en
“Met name tegen hoofdofficier X zouden verklaringen liggen, zo vertelt een nauwbetrokkene bij het onderzoek.”
en
“Het Rolodex-onderzoek loopt in 1999 voor de hoofdofficieren met een sisser af. Kort nadat de informatie tactisch is gemaakt (dat wil zeggen: er is formeel een gerechtelijk vooronderzoek gestart) worden er plotseling geen relevante telefoongesprekken meer opgevangen. Er volgen huiszoekingen, waarbij kinderporno wordt aangetroffen, maar aanwijzingen voor uitwisseling op grote schaal zijn verdwenen. De verdachten lijken ook geenszins verrast door de invallen. Het kan haast niet anders of de betrokkenen zijn van binnenuit getipt, luidt de conclusie van het onderzoeksteam.”
en
“Hoe het ook zij: in het Rolodex-onderzoek zouden geen strafbare feiten aan het licht zijn gekomen over de twee hoofdofficieren.”
en
“Intrigerend in dit verband is de link die er bestaat tussen X en de affaire-De Kroes. Vleestycoon, vastgoedhandelaar en multimiljonair Eddy de Kroes (tevens suikeroom van Pim Fortuyn) werd in 1986 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar wegens fraude. Maar in 2003 onthulde tijdschrift Quote dat De Kroes nog nooit een dag van zijn gevangenisstraf had hoeven uitzitten. Opvallend was dat De Kroes een vrijbrief van officier van justitie Hans Vos kon laten zien waarin staat dat hij zijn straf niet hoefde uit te zitten. Vos had mogelijk onrechtmatig gehandeld, maar voor De Kroes maakte dat al niet meer uit: hij bleef op vrije voeten. Een opmerkelijke kwestie waar nimmer een bevredigend antwoord op is gekomen. Want hoe was het mogelijk dat De Kroes de dans ontsprong, waar elke andere Nederlander gewoon zijn straf moet ondergaan? In september 2003 openbaarde De Telegraaf de naam van de procureur-generaal van het Haagse hof die de zaak-De Kroes had behandeld: het bleek te gaan om X. Weliswaar was het niet zeker dat X zelf opdracht had gegeven voor het verstrekken van de vrijbrief, wel werd duidelijk dat de top van het OM erachter zat, aldus de krant. Waarmee de vraag kan worden opgeroepen: wist iemand van het strafonderzoek naar de vermeende pedofiele contacten van X en is hij daarmee gechanteerd?”
Bij het artikel is een foto van klager geplaatst met een zwarte balk over zijn ogen.
 
De klacht is gericht tegen het artikel in Nieuwe Revu van 20 juni 2007.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager betoogt dat verweerders ernstige inbreuk hebben gemaakt op zijn integriteit. De hele opmaak van het artikel – en met name de kop, de publicatie van de foto en de wijze waarop hij in de publicatie is aangeduid – is voor hem onnodig kwetsend, grievend en diffamerend. Daarnaast bevat het artikel ten onrechte passages, althans suggesties dat hij daadwerkelijk betrokken zou zijn geweest bij pedofiele praktijken en/of dat hij in zijn functie chantabel is (geweest).
Ter ondersteuning van zijn standpunten stelt klager dat verweerders de publicatie in De Telegraaf van 16 juni 2007 onjuist hebben aangehaald. Daarin wordt immers slechts bericht over ‘mogelijke betrokkenheid’ en wordt bovendien gerefereerd aan het persbericht van het OM van 13 juni 2007. Verweerders hadden behoren te weten dat hij nimmer verdachte is geweest en dat het feitenonderzoek niet heeft geleid tot enig strafbaar feit aan zijn zijde, aldus klager. Tegen deze achtergrond is het onzorgvuldig om in het bestreden artikel te suggereren dat hij verdachte is (geweest) respectievelijk veroordeeld is voor een strafbaar feit. Het artikel is voorzien van volstrekt onjuiste mededelingen, althans suggesties dat er huiszoeking bij klager is gedaan en dat daarbij kinderporno is aangetroffen. Bovendien wordt hij ten onrechte neergezet als een chantabel persoon en wordt zijn chantabiliteit in relatie gebracht tot de affaire-De Kroes. Volgens klager staat de publicatie bol van aangescherpte verwijzingen naar derden, alsmede hele en halve suggesties, ter ondersteuning van zijn vermeende betrokkenheid bij een pedofielennetwerk.
Klager stelt voorts dat verweerders zijn privacy onvoldoende hebben beschermd. Hij wijst in dat verband op een arrest van de Hoge Raad (NJ 2004/80). Daarin is overwogen dat door het afblokken of anderszins onherkenbaar maken van het gelaat het onrechtmatige karakter niet wordt weggenomen, maar eerder wordt geaccentueerd, aangezien bij het grote publiek de indruk zal ontstaan dat de aldus afgebeelde persoon als verdachte, zo niet als schuldige moet worden aangemerkt.
Ten slotte stelt klager dat hij tevoren niet op de hoogte is gesteld van de inhoud van het artikel noch is het artikel aan hem tevoren ter inzage verstrekt en evenmin heeft op andere wijze hoor of wederhoor plaatsgevonden. Klager was op 18 juni 2007 in het buitenland en zijn voorlichtster kan zich niet herinneren telefonisch contact te hebben gehad met De Jong. Bovendien heeft uitvoerig technisch onderzoek uitgewezen dat klagers voorlichtster geen e-mailbericht van De Jong heeft ontvangen. Overigens meent klager dat voor zover al juist zou zijn wat verweerders in dit verband stellen – hetgeen hij betwist – dan nog niet van een zorgvuldig hoor en wederhoor kan worden gesproken. Onder de gegeven omstandigheden is een termijn van hooguit enkele uren om te kunnen reageren onvoldoende om van een deugdelijke toepassing van wederhoor te kunnen spreken. Ter zitting voegt hij hieraan nog toe, dat in het artikel niet is opgenomen dat hij niet te bereiken zou zijn geweest voor commentaar.
Klager concludeert dat verweerders aldus de grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, ten gevolge waarvan hij aanmerkelijke (reputatie)schade lijdt.
 

Verweerders stellen dat in het gewraakte artikel correcte en goed onderbouwde feiten aan elkaar zijn gekoppeld, te weten de betrokkenheid van klager bij het Rolodex-onderzoek en het feit dat betrokken ambtenaren gevoelig zouden zijn voor chantage. Ook wordt terecht opgemerkt dat het opmerkelijk is dat de naam van klager opduikt in de zaak-De Kroes. Volgens verweerders staat vast dat klager in verband is gebracht met een pedofielennetwerk en onderwerp is geweest bij het Rolodex-onderzoek. Uit gesprekken met twee zeer nauw betrokken personen bij dat onderzoek blijkt dat er tegen klager een aantal belastende verklaringen liggen. Nergens wordt beweerd of gesuggereerd dat klager daadwerkelijk schuldig is bevonden. Integendeel, in het artikel staat: “Hoe het ook zij: in het Rolodex-onderzoek zouden geen strafbare feiten aan het licht zijn gekomen over de twee hoofdofficieren.” De kop van het artikel dekt dan ook de lading en van suggestieve berichtgeving is geen sprake, aldus verweerders. Zij voeren verder aan dat personen in openbare functies een voorbeeldfunctie hebben voor de maatschappij en dat het gevaar voor chantage bij personen in dergelijke functies daarbij een belangrijke rol speelt. Het is de taak van de media de maatschappij ervan op de hoogte te brengen wanneer naar deze personen onderzoek wordt gedaan in bepaalde gevoelige zaken als hier het geval is.
Ter zitting voegt Van der Werf hieraan toe dat de passage waarin wordt verwezen naar de publicatie in De Telegraaf, wellicht te stellig is gebracht en zorgvuldiger neergezet had kunnen worden.
Ten aanzien van de publicatie van de foto en de wijze waarop klager in het artikel is aangeduid, stellen verweerders dat zij – ondanks dat klager niet als formeel juridische verdachte aangemerkt kan worden – hebben besloten klager voor het grote publiek onherkenbaar te maken. Het is niet de bedoeling geweest klager te stigmatiseren. Verweerders hebben voorafgaand aan de publicatie de verschillende belangen nauwkeurig afgewogen en gehandeld in de geest van de Code van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren en de richtlijnen van de Raad. Klagers foto is op een gebruikelijke manier geanonimiseerd, door het plaatsen van een brede balk over de ogen, en zijn naam is op de gebruikelijke wijze afgekort. Verweerders hebben wel de oude en nieuwe functie van klager vermeld, omdat het de lezer wel duidelijk moet zijn om wat voor functie het gaat, mede met het oog op de mogelijkheid van chantage in dergelijke functies. Door de wijze waarop klager is aangeduid, is bovendien voorkomen dat de belangen van het gehele ambtenarenapparaat of in ieder geval ambtsdragers met een vergelijkbaar profiel zijn aangetast, hetgeen te meer van belang is nu het een gevoelig onderwerp betreft.
Wat betreft de toepassing van wederhoor stellen verweerders dat het conceptartikel op zondag 17 juni 2007 is geschreven. Op maandagochtend heeft De Jong zo vroeg mogelijk telefonisch contact gezocht met klagers werkgever in een poging klager om wederhoor te vragen. Nadat hij kort had gesproken met de voorlichtster van klager heeft hij haar om 8.57 uur een e-mail gestuurd met het bericht dat hij klager enige vragen wilde stellen, onder de vermelding dat zijn deadline 12.30 uur was. In afwachting van een reactie heeft de hoofdredactie vervolgens bij hoge uitzondering het ter perse gaan met anderhalf uur uitgesteld, maar een reactie bleef uit. Verweerders menen dat zij niet lichtzinnig tot publicatie zijn overgegaan. Zij wilden inspelen op de publicaties die de week ervoor waren verschenen en de informatie over de chantabiliteit was belangwekkend genoeg om publicatie niet langer uit te stellen. Overigens hebben zij ook na de publicatie geen reactie van klager ontvangen.
Verweerders concluderen dat geen sprake is van onzorgvuldige berichtgeving. Gezien de maatschappelijke impact van het onderwerp en de inhoudelijke onderbouwing op basis van verschillende betrouwbare en onafhankelijke bronnen, mochten zij overgaan tot publicatie van het gewraakte artikel.
 

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat een journalist in de berichtgeving een duidelijk onderscheid dient te maken tussen feiten, beweringen en meningen. (zie punt 1.4. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek)
Bij het publiceren van beschuldigingen behoort de journalist voorts te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
 
Naar het oordeel van de Raad laat het artikel de lezer weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat klager daadwerkelijk deel heeft uitgemaakt van een pedofielennetwerk. Deze beschuldiging is zodanig ernstig dat deze niet zonder deugdelijke feitelijke grondslag gepubliceerd had mogen worden. Een dergelijke grondslag ontbreekt echter. In de publicatie in De Telegraaf van 16 juni 2007, waaraan in het gewraakte artikel wordt gerefereerd, wordt gesproken over de ‘mogelijke betrokkenheid’ van klager. Bovendien is in die publicatie verwezen naar het persbericht van het Openbaar Ministerie van 13 juni 2007, waarin is vermeld dat blijkens het destijds door de Rijksrecherche verrichte onderzoek geen sprake was van strafbare feiten. Ook overigens is niet gebleken dat voor deze beschuldiging voldoende feitelijke grondslag bestaat. Hetzelfde geldt voor de mededeling dat huiszoeking is gedaan en dat daarbij kinderporno is aangetroffen, welke mededeling vanwege de context de suggestie wekt dat dit op klager betrekking zou hebben.
Bezien in de context van de berichtgeving wordt de stelligheid van de formuleringen onvoldoende weggenomen door de zinsnede Hoe het ook zij: in het Rolodex-onderzoek zouden geen strafbare feiten aan het licht zijn gekomen over de twee hoofdofficieren.”, te meer nu in deze zinsnede – door het gebruik van het woord ‘zouden’ – juist wél een voorbehoud ten aanzien van de juistheid ervan is gemaakt.
 
Voorts hebben verweerders de vraag opgeworpen of klager chantabel zou zijn en daarover gespeculeerd op zodanige wijze dat de lezer zich moeilijk aan de indruk zal kunnen onttrekken dat daarin wel een kern van waarheid moet zitten. Ook ten aanzien van deze beschuldiging, waardoor klager in de uitoefening van zijn voormalige functie wordt gediskwalificeerd, is niet gebleken dat die op een deugdelijke grondslag is gebaseerd. Daarbij komt dat het, zoals de Raad eerder heeft overwogen, voor een betrokkene bijna ondoenlijk is zich adequaat te verdedigen tegen ernstige verdachtmakingen die als speculatie worden gebracht. (vgl. Melchers tegen Het Parool, RvdJ 2005/70)
 
Ten aanzien van de toepassing van wederhoor hebben verweerders gesteld dat De Jong in de ochtend van 18 juni 2007 eerst kort telefonisch contact heeft gehad met de voorlichtster van klager en haar even later om 8.57 uur een e-mail heeft gestuurd, onder de vermelding dat de deadline diezelfde dag om 12.30 uur was. Klager heeft daar tegen aangevoerd dat zijn voorlichtster zich geen telefoongesprek met De Jong kan herinneren en dat zij de e-mail van De Jong nooit heeft ontvangen.
 

De Raad beschikt niet over de mogelijkheden om te beoordelen welk standpunt ter zake juist is, maar is van oordeel dat de e-mail van De Jong van 8.57 uur – als die is verstuurd – onvoldoende was om te voldoen aan de eis van hoor en wederhoor. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het hier gaat om uitermate ernstige beschuldigingen, die zowel betrekking hebben op klager persoonlijk als op klager in de uitoefening van zijn voormalige functie. In de e-mail krijgt klager slechts 3,5 uur om te reageren (zonder dat verweerders duidelijk kon zijn of dit voor klager redelijkerwijs mogelijk was), en voorts blijkt uit de bewoordingen van de e-mail onvoldoende dat het om een voor de persoon van klager negatieve publicatie zou gaan. Na de e-mail van 8.57 uur hebben verweerders kennelijk geen pogingen meer ondernomen om in contact te komen met klager c.q. zijn voorlichtster alvorens tot publicatie over te gaan. Verweerders hebben aldus onvoldoende ondernomen om met klager in contact te komen. Van zwaarwichtige redenen van algemeen belang die dat kunnen rechtvaardigen, is de Raad niet gebleken. Niet valt in te zien waarom verweerders niet hebben gewacht met publicatie totdat klager voor commentaar bereikbaar was. Overigens hadden zij kunnen vermelden dat klager niet voor commentaar bereikbaar was; dat hebben zij echter eveneens nagelaten. (vgl. onder meer: Rutten tegen IJmuider Courant en Noordhollands Dagblad, RvdJ 2005/60)
 
Ten slotte overweegt de Raad dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad) Bovendien dient een journalist te voorkomen dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. Aan deze regel is de journalist niet gehouden wanneer bijvoorbeeld de naam een wezenlijk bestanddeel van de berichtgeving is en/of door het niet vermelden van de naam verwarring kan ontstaan met anderen die hierdoor voorzienbaar kunnen worden geschaad. (zie punt 2.4.5 van de Leidraad)
 
Verweerders hebben klager onvoldoende onherkenbaar gemaakt. Het zwarte balkje over de ogen van klager en de afkorting van zijn naam voldoen niet. Door de vermelding van andere persoonlijke gegevens – met name zijn huidige functie – is het vrij eenvoudig om klager te identificeren. Klager is stigmatiserend in de publiciteit gebracht, op een wijze waardoor de onjuiste indruk wordt gewekt dat hij als verdachte, zo niet als schuldige moet worden aangemerkt. Verweerders hebben aangevoerd dat zij met de wijze waarop zij klager hebben aangeduid, verwarring met anderen hebben willen voorkomen. De publicatie had echter terughoudender kunnen zijn, zonder dat afbreuk was gedaan aan de aard en inhoud ervan, en met behoud van de bescherming van de belangen van derden. Naar het oordeel van de Raad is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van klager en is sprake van een inbreuk op zijn privacy die verder gaat dan in het kader van de berichtgeving noodzakelijk was. (vgl. onder meer: X tegen ‘Undercover in Nederland’, RvdJ 2006/44)
 
Door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld hebben verweerders derhalve de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk toelaatbaar is.
 

BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Nieuwe Revu te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 19 september 2007 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. F.W. Dresselhuys, mr. A.H. Schmeink en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L. Bultman-den Haan, plaatsvervangend secretaris.