2007/50 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
het ministerie van Defensie
 
tegen
 
A. Dijkstra, M. Ruepert en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad
 
Bij brief van 29 mei 2007 met vier bijlagen, heeft drs. J.B. Veen, directeur Voorlichting en Communicatie, namens het ministerie van Defensie (hierna: klager) een klacht ingediend tegen A. Dijkstra, M. Ruepert en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad (hierna: verweerders). Hierop heeft D. van der Meer, plaatsvervangend hoofdredacteur AD NieuwsMedia, geantwoord in een brief van 10 juli 2007 met vier bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 juli 2007. Namens klager zijn daar verschenen drs. O. Beeksma, plv. directeur Voorlichting en Communicatie, en majoor R. Middel, hoofd afdeling Woordvoering Operaties. Van de zijde van verweerders waren A. Dijkstra, D. van der Meer en A. Besse, editor, aanwezig. Van der Meer heeft het standpunt van verweerders toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.
 
DE FEITEN
 
Op 11 april 2007 is in het Algemeen Dagblad een artikel verschenen van de hand van Dijkstra en Ruepert onder de kop “Defensie laat militairen met alcohol uitrazen op Kreta”.
In het artikel staat onder meer de volgende passage:
“Defensie laat uit Uruzgan terugkerende Nederlandse militairen die voor een debriefing op Kreta verblijven ’s avonds gratis en onbeperkt alcohol drinken in hun hotel. Dit blijkt uit onderzoek van deze krant, waarbij twee verslaggevers zich anoniem onder de militairen begaven.”
In het bij dit artikel geplaatste kader onder de kop “Waarom anoniem?” staat de volgende passage:
“Het is voor de Nederlandse journalistiek moeilijk goed inzicht te krijgen in de missie van Defensie in Afghanistan. De militairen zijn zich permanent bewust van de aanwezigheid van ‘embedded’ journalisten. Het AD wil van militairen de ongekuiste verhalen horen. Bovendien waren we getipt over mogelijke misstanden tijdens het verblijf van terugkerende militairen op Kreta. Om dit te onderzoeken hebben twee verslaggevers van het AD zich onder de manschappen begeven zonder zich kenbaar te maken als journalist. Deze vorm van journalistiek gebruiken we alleen als we geen andere mogelijkheid zien om de informatie boven water te krijgen.”
 
Op 12 april 2007 zijn in het Algemeen Dagblad artikelen verschenen onder de kop “’Kreta-uitje’ op de tocht” en “’Bierverlof kan als toezicht beter wordt’”.
Op 14 april 2007 zijn in het Algemeen Dagblad artikelen verschenen onder de kop “Frustratie en verveling bij militairen in Uruzgan” en “Afkicken van Afghanistan”. De artikelen gaan onder meer over het verblijf op Kreta van Nederlandse militairen die terugkeren uit Uruzgan, en met name over het overmatig alcoholgebruik van deze militairen en onderlinge vechtpartijen. In de artikelen wordt daarnaast melding gemaakt van kritiek van Nederlandse militairen op de wederopbouwmissie in Afghanistan. De krant heeft de informatie uit anonieme gesprekken met de militairen verkregen.
 
Klager heeft zijn bezwaren tegen de wijze van vergaren van informatie in een brief van 16 april 2007 aan verweerders uiteengezet en verweerders om een reactie daarop verzocht.
 
Bij brief van 24 april 2007 hebben verweerders onder meer geantwoord dat undercover-journalistiek een over de hele wereld gehanteerde en geaccepteerde vorm van journalistiek is. Verder hebben verweerders aangegeven nog steeds achter de gehanteerde journalistieke werkwijze te staan.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt voorop dat hij geen bezwaar heeft tegen de inhoud van de artikelen, maar dat zijn klacht is gericht tegen de wijze waarop deze informatie is verkregen. Volgens klager was er geen enkele reden voor de verslaggevers om de militairen ‘undercover’ te benaderen. Daarbij benadrukt klager dat journalisten de mogelijkheid krijgen om mee te gaan naar Afghanistan, als zogenaamde ‘embedded’ journalisten. Journalisten van onder meer het Algemeen Dagblad hebben dat in het recente verleden ook gedaan. Uit veiligheidsoverwegingen voor de missie mogen daaruit voortvloeiende publicaties geen operationele informatie bevatten. De publicaties worden daarop vooraf door klager gelezen. Klager benadrukt dat hij bij dit voorafgaand toezicht enkel ziet op het verwijderen van operationele informatie en dat eventuele kritische uitlatingen van militairen niet worden verwijderd. Ter onderbouwing hiervan verwijst klager naar een artikel in het Algemeen Dagblad van 26 mei 2007, waarin een ‘embedded’ journalist van het Algemeen Dagblad de kritiek verwoordt van Nederlandse militairen over de missie in Afghanistan. Gelet hierop is het argument van verweerders dat zij de ongekuiste verhalen van militairen wilden horen derhalve geen reden om undercover te werk te gaan, aldus klager. Ook de situatie op Kreta was niet zodanig dat er voor verweerders aanleiding bestond om ‘undercover’ te werk te gaan. De militairen werden op Kreta niet afgeschermd van de buitenwereld, het hotel waar ze verbleven was toegankelijk voor andere gasten en de militairen gingen naar openbare uitgaansgelegenheden.
Klager concludeert dat de verslaggevers mogelijke informatie over het drankgebruik en de misdragingen van militairen ook hadden kunnen verkrijgen door zich bekend te maken als journalisten. Klager meent dat de gebruikte undercover werkwijze onder deze omstandigheden in strijd is met de journalistieke regels.
 
Verweerders stellen dat de undercover-journalistiek voor hen ongebruikelijk is, maar dat er in dit specifieke geval voldoende journalistiek en maatschappelijk belang was om op deze wijze te handelen. Daartoe voeren zij aan dat zij een aantal serieus te nemen aanwijzingen hadden binnengekregen dat Nederlandse militairen zich zouden misdragen op Kreta. De aanwijzingen waren echter niet zo concreet dat deze aan klager voorgelegd konden worden voor commentaar. Voorts verwachtten verweerders niet dat militairen openhartig zouden praten als zij zich zouden voorstellen als journalisten. Uit ervaringen in het verleden met ‘embedded’ journalisten is gebleken dat mensen tijdens officiële gesprekken andere dingen zeggen dan bij een informeel praatje. Ook stellen verweerders dat militairen in openbare gelegenheden in hoge mate geremd zijn als zij weten dat journalisten meekijken en hun woorden optekenen.
Ter zitting voegen verweerders hieraan nog toe dat hen is gebleken dat er veel angst heerste onder de militairen om hun ervaringen met buitenstaanders te delen. Gelet op dit alles was de informatie over de misstanden op Kreta nooit naar boven gekomen en aldus het artikel niet tot stand gebracht zonder gebruik te maken van de undercover-methode. Daarnaast hadden verweerders aanwijzingen binnengekregen dat er binnen legereenheden die aan de Uruzgan-missie deelnemen breed werd getwijfeld aan de haalbaarheid van het opbouwaspect van de missie. Verweerders wilden de echte, 'spontane' verhalen hierover achterhalen en verwachtten ook ten aanzien hiervan niet dat militairen hierover openhartig zouden praten tegen journalisten.
Verweerders concluderen dan ook dat de bijzondere omstandigheden van dit geval de gebruikte undercover‑methode rechtvaardigen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Volgens het vaste oordeel van de Raad behoort een journalist degene over wie hij publiceert met ‘open vizier’ tegemoet te treden, dat wil zeggen zijn hoedanigheid aan hem bekend te maken. Slechts indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden kan rechtvaardiging bestaan voor het niet naleven van deze regel. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn gelegen in het maatschappelijk belang dat met een publicatie wordt gediend. Dit belang betreft niet alleen het aan de kaak stellen van misstanden, teneinde te bewerkstelligen dat zij onderzocht worden, doch tevens het informeren van het publiek over feiten en bijzonderheden die de ernst van een situatie scherper naar voren doen komen en die zonder de gevolgde werkwijze niet aan het licht gebracht zouden kunnen worden. (zie punt 2.1.1. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek en vgl. onder meer: X tegen Stegeman en ‘Undercover in Nederland’, RvdJ 2006/44)
 
Verweerders hebben aangevoerd dat zij met hun werkwijze hun lezers hebben willen informeren over misstanden bij het verblijf van Nederlandse militairen op Kreta – onder meer gelegen in drankmisbruik en vechtpartijen – en over de kritiek van de Nederlandse militairen op het opbouwaspect van de missie in Afghanistan.
De Raad acht het in dit geval aannemelijk dat verweerders ook zonder toepassing van de gevolgde werkwijze het al dan niet bestaan van bedoelde misstanden aan het licht hadden kunnen brengen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de militairen niet van de buitenwereld werden afgeschermd. Het hotel en de uitgaansgelegenheden waar de militairen zich hebben misdragen zijn openbare gelegenheden. Voorts stond er naar het oordeel van de Raad niets in de weg dat de verslaggevers zelfstandig naar Kreta waren gereisd en zich aldaar als verslaggevers hadden voorgesteld. Het betoog van verweerders dat militairen door druk van bovenaf niet met journalisten zouden willen praten, acht de Raad – gelet op het openbare karakter van het verblijf van de militairen en de mogelijkheid tot het anonimiseren van de gesproken militairen – niet waarschijnlijk.
Ook ten aanzien van de kritiek van militairen op de missie in Afghanistan acht de Raad het aannemelijk dat verweerders zonder toepassing van de undercover-methode dergelijke informatie aan het licht hadden kunnen brengen.

Naar het oordeel van de Raad is aldus geen sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat verslaggevers Dijkstra en Ruepert
bij hun gesprekken op Kreta aan de militairen hun hoedanigheid niet bekend hebben gemaakt.
 
Verweerders hebben derhalve met hun handelwijze jegens klager journalistiek onzorgvuldig gehandeld en grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 21 augustus 2007 door mr. drs. G.J. Wolffensperger, waarnemend voorzitter, T.R. Harkema, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. E.H.C. Salomons en drs. L.W. Verhagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg secretaris, en mw. mr. L.F. Egmond, plaatsvervangend secretaris.