2007/48 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
G.A.J.M. Haans
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Perspectief en uitgeverij Koninklijke Van Gorcum BV
 
Bij brief van 25 mei 2007 met drie bijlagen heeft G.A.J.M. Haans te Nieuwkuijk (hierna: klager) een klacht ingediend tegen H. van ’t Hek, hoofdredacteur van Perspectief en uitgeverij Koninklijke Van Gorcum BV te Assen (hierna: verweerders). Hierop hebben drs. R.M. Meijering, uitgever, en H. van ’t Hek geantwoord in brieven van respectievelijk 7 juni 2007 en 21 juni 2007. Klager heeft daarop nog gereageerd in een brief van 6 juli 2007 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 juli 2007, alwaar klager is verschenen.
 
DE FEITEN
 
In Perspectief nr. 3 van mei 2007 is een artikel verschenen van de hand van Van ’t Hek onder de kop “in het belang van het kind?”
 
In het artikel staat onder meer de volgende passage:
Ouderbegeleiding Gé Haans, behandelcoördinator Opvoedingsvariant van de Voorziening voor de Pleegzorg in Oss, is een fervent tegenstander van uithuisplaatsingen. Niet de toekomst van het mishandelde en verwaarloosde kind moet centraal staan, zegt hij, maar de ouder die het kind ziet vertrekken. Het is de ouder die toch al zoveel mist, dus waarom die ouder dan ook nog zijn kind afpakken? Gé Haans maakt het heel bont, als hij stelt dat “pleegouderschap gedelegeerd opvoederschap is”. De kwaliteit die je niet hebt, kun je ook niet delegeren. Nog erger maakt Gé Haans het, als hij betoogt dat “mishandeld te worden door de eigen ouders nog altijd een kleiner trauma oplevert dan een uithuisplaatsing”. Bij hem is en blijft de ouder het uitgangspunt en nooit het kind. Dat is fundamenteel fout. Visies als deze hebben juist in de afgelopen jaren tot een aantal drama’s met dodelijke afloop geleid.”
 
Bij e-mailbericht van 18 mei 2007 heeft klager een klacht ingediend bij de hoofdredactie van Perspectief en de uitgever van het tijdschrift. Daarin verzoekt hij om rectificatie van de publicatie door integrale plaatsing van de lezing die hij op het congres heeft uitgesproken.
 
In reactie hierop heeft Meijering bij e-mailbericht van 21 mei 2007 aangegeven zeer ongelukkig te zijn met de klacht en heeft hij klager in de gelegenheid gesteld in het eerstvolgende nummer van Perspectief een reactie te schrijven naar aanleiding van de gewraakte tekst.
 
Klager heeft hierop gereageerd bij e-mail van 22 mei 2007, waarin hij heeft aangegeven de reactie van verweerders onvoldoende te vinden om af te zien van het indienen van een klacht bij de Raad voor de Journalistiek.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers voornaamste bezwaar is dat in de publicatie een onjuiste en tendentieuze weergave wordt gegeven van een lezing die klager heeft gegeven op een congres op 4 april 2007 onder de titel “Uithuisplaatsing: in het belang van het kind?”. Zo wordt in de publicatie beweerd dat hij een tegenstander zou zijn van uithuisplaatsingen en dat hij gezegd zou hebben dat niet de toekomst van het kind, maar van de ouder centraal moet staan. Klager benadrukt dat dit niet zijn opvattingen zijn en dat dit ook geenszins blijkt uit de door hem gegeven lezing op het congres. Voorts is volstrekt onwaar dat klager gezegd zou hebben dat ‘mishandeld te worden door de eigen ouders een kleiner trauma oplevert dan een uithuisplaatsing’. Behalve onjuist en tendentieus is de berichtgeving jegens hem uiterst grievend. Klager ervaart het als zeer kwetsend dat in de publicatie wordt gesteld dat visies als de zijne in de afgelopen jaren tot een aantal drama’s met dodelijke afloop hebben geleid. Van ’t Hek heeft ten onrechte een eenzijdige en persoonlijke invulling gegeven aan de lezing en aldus journalistiek onbetamelijk gehandeld. De uitgever die desondanks volhoudt dat sprake is van een onafhankelijk tijdschrift neemt zichzelf niet serieus, aldus klager. Klager eist van verweerders excuses en een rectificatie, die zou moeten bestaan uit het integraal afdrukken van zijn lezing in Perspectief.
 
Namens de uitgeverij heeft Meijering gesteld deze zaak ongelukkig te vinden. Van ’t Hek stelt dat hij in de gewraakte publicatie verslag heeft gedaan van onder meer de lezing van klager op het congres van 4 april 2007. Hij heeft klager daarbij niet letterlijk geciteerd, maar verslag gedaan van de strekking van zijn betoog. Daarbij stelt hij dat het niet zijn journalistieke taak is om mensen letterlijk te citeren, maar om te duiden wat er wordt gezegd. Volgens Van ’t Hek heeft hij dat gedaan en heeft hij de duiding van wat klager heeft gezegd, opgenomen in het blad. Volgens Van ’t Hek heeft de verwijzing door klager naar de tekst van zijn lezing geen zin, aangezien klager deze tekst niet integraal heeft opgelezen tijdens het congres vanwege tijdsdruk. Van ’t Hek herhaalt dat hij de denkbeelden van klager schadelijk vindt en dat het zijn maatschappelijke plicht is daar verslag van te doen.
Verweerders concluderen dat zij klager al in de gelegenheid hebben gesteld een reactie te schrijven naar aanleiding van de gewraakte tekst en dat de bereidheid daartoe nog steeds bestaat.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht is dat het gewraakte artikel een onjuiste en grievende weergave bevat van de door klager gegeven lezing en dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten de onjuistheden te rectificeren.
 
Niet is in geschil dat met de gewraakte publicatie beoogd is verslag te doen van de lezingen op een congres over de uithuisplaatsingen van kinderen, waaronder een lezing die door klager is uitgesproken. Gebleken is dat de berichtgeving diverse feitelijke onjuistheden bevat. In de door klager overgelegde tekst van de lezing staat onder meer niet dat hij een fervent tegenstander is van uithuisplaatsingen, noch blijkt daaruit dat het belang van het kind altijd ondergeschikt is aan het belang van de ouders. Van 't Hek heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze lezing op het congres niet integraal is uitgesproken. Meijering heeft voorts erkend dat er een verschil is tussen hetgeen klager op het congres heeft bedoeld te zeggen en de wijze waarop Van ’t Hek dit heeft geïnterpreteerd.
Ten onrechte heeft Van ’t Hek de indruk gewekt dat hij de visie van klager, die klager daarmee in een kwaad daglicht stelde, letterlijk heeft opgetekend.
 
Kennelijk heeft Van ’t Hek zich niet beperkt tot een strikte weergave van de feiten, maar heeft hij een interpretatie vanuit zijn eigen visie van de feiten gebracht. Naar het oordeel van de Raad is Van ’t Hek daarbij onzorgvuldig te werk gegaan, door bepaalde interpretaties ten onrechte als feiten te presenteren. Het had op de weg van verweerders gelegen de onzorgvuldige berichtgeving recht te zetten.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders aldus grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Perspectief te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 21 augustus 2007 door mr. drs. G.J. Wolffensperger, waarnemend voorzitter, T.R. Harkema, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. E.H.C. Salomons en drs. L.W. Verhagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg secretaris, en mw. mr. L.F. Egmond, plaatsvervangend secretaris.