2007/46 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Stichting Omnicum en A.M. van Brandwijk-Vogelaar
 
tegen
 
Omroepvereniging VARA
 
Bij brief van 25 mei 2007 met drie bijlagen heeft mr. L. Nix, advocaat te Amsterdam, namens de Stichting Omnicum en haar bestuursvoorzitter A.M. van Brandwijk-Vogelaar (hierna: klaagsters) een klacht ingediend tegen Omroepvereniging VARA (hierna: verweerster). Bij brief van 29 mei 2007 hebben klaagsters nog een nader stuk ingediend. Mw. mr. B. den Ouden, bedrijfsjurist van de VARA, heeft op de klacht gereageerd in een brief van 16 juni 2007 met twee bijlagen, waaronder een dvd-opname van de gewraakte gebeurtenissen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 juni 2007. Namens klaagsters zijn daar verschenen mr. Nix, die het standpunt van klaagsters heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie, en M. de Vries. Aan de zijde van verweerders waren mr. Den Ouden en B. Molenaar aanwezig.
 
Tijdens de zitting heeft de Raad de dvd-opname van de gewraakte gebeurtenissen bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 13 mei 2007 vond een bijeenkomst plaats van de Stichting Omnicum (hierna: Omnicum) in muziekschool De Kwinkelier te Bilthoven. Cameraman Molenaar, in dienst van de VARA, was daar aanwezig en heeft daar opnamen gemaakt. Terwijl Molenaar aan het filmen was, is – kort gezegd – irritatie ontstaan bij bezoekers van de bijeenkomst en bij Molenaar.
De opnamen van Molenaar zijn op 12 juni 2007 door de VARA uitgezonden in het televisieprogramma NOVA.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagsters stellen voorop dat Omnicum helende manifestaties organiseert, die onder leiding staan van Van Brandwijk-Vogelaar. De bijeenkomsten kunnen na vooraanmelding worden bijgewoond door belangstellenden. Klaagsters laten belangstellenden met een spirituele leer en leefwijze kennismaken, om zo hun lichamelijke en geestelijke problemen de baas te kunnen. Sinds mei 2007 is Omnicum in een publicitair negatief daglicht komen te staan, waardoor de houding van betrokkenen bij Omnicum tegenover de pers niet onbevangen is.
Volgens klaagsters heeft Molenaar enkele bezoekers van de bijeenkomst van Omnicum, meer in het bijzonder de ter zitting verschenen M. de Vries en diens broer, op zeer hinderlijke wijze gefilmd. Toen één van hen aangaf daarvan niet gediend te zijn, simuleerde Molenaar dat hij werd aangevallen door woorden als ‘blijf van me af’ te roepen, terwijl de bezoeker geen fysieke agressie toonde. Volgens getuigen van het voorval was het duidelijk dat de cameraman zijn eigen nieuwsfeiten aan het creëren was. Overigens is Molenaar na het incident ondervraagd door de politie, aldus klaagsters.
Zij betogen dat de gedraging van Molenaar strijdig is met artikel 2.1.2. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek. Daargelaten dat het ongeoorloofd is dat een journalist nieuwsincidenten uitlokt, is het ensceneren van het nieuwsincident zeer onbetamelijk te noemen, aldus klaagsters.
 
Verweerster werpt allereerst de vraag op of klaagsters kunnen worden ontvangen in hun klacht nu de gebeurtenissen niet direct hen betreffen, maar bezoekers van de bijeenkomst die echter niet de klacht (mede) hebben ingediend.
Verder stelt zij dat van het uitlokken c.q. ensceneren van een incident geen sprake is geweest. Overigens onderschrijven verweerster en Molenaar de richtlijn als vervat in punt 2.1.2. van de Leidraad van de Raad volledig.
Volgens verweerster ging Molenaar uit journalistieke belangstelling mee met zijn partner, die voor het televisieprogramma NOVA werkt, omdat het onderwerp wellicht iets zou zijn voor het televisieprogramma Kassa of een ander VARA-programma. Bij de muziekschool aangekomen heeft Molenaar zijn camera gepakt en openlijk het exterieur van het gebouw gefilmd. Daarna heeft hij zich voor iedereen duidelijk zichtbaar opgesteld naast de loopbrug naar de ingang van het gebouw. Volgens verweerster is op de beelden duidelijk te zien dat Molenaar zich op geen enkel moment heeft gedragen op een wijze die onaanvaardbaar is. Molenaar sprak de bezoekers niet aan en liet hun alle ruimte om het pand te betreden. Hij filmde de bezoekers niet in het gezicht, maar op afstand op de rug. Wanneer de bezoekers waren doorgelopen, zouden zij niet herkenbaar in beeld zijn geweest. De bewuste bezoekers zochten echter zelf de confrontatie met Molenaar en lokten een incident uit. Zíj creëerden een nieuwsfeit. Het stond Molenaar vrij om het gedrag van de bezoekers/organisatoren vast te leggen; hij zou het vak van journalist zelfs slecht verstaan indien hij dit niet had gedaan, aldus verweerster.
Tot slot merkt zij op dat Molenaar niet is ondervraagd door de politie, maar dat hem slechts is gevraagd naar zijn perskaart, waarmee de kous was afgedaan.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek, moet een klaagschrift worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte journalistieke gedraging direct betrokken is en hij door die gedraging persoonlijk in zijn belang is geraakt.
Vaststaat dat Molenaar en zijn partner naar de muziekschool zijn gekomen vanwege de bijeenkomst die Omnicum op die bewuste dag in die muziekschool hield. De gewraakte gebeurtenissen – waarbij bezoekers van de bijeenkomst zijn betrokken – zouden zonder die bijeenkomst niet hebben plaatsgevonden. Voorts heeft M. de Vries ter zitting desgevraagd meegedeeld dat hij aanhanger is van Omnicum, de manifestaties volgt en hoort tot de ‘inner circle’ van Omnicum. De Raad is van oordeel dat onder deze omstandigheden klaagsters rechtstreeks belang hebben bij de beoordeling van de klacht en dat zij daarin derhalve ontvankelijk zijn.

Klaagsters hebben gesteld dat de gedraging van Molenaar in strijd is met punt 2.1.2. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek, dat luidt:
De journalist lokt geen incidenten uit met de kennelijke bedoeling nieuws te creëren.”
 
Uit de overgelegde dvd-opname van de gebeurtenissen, de daarvan gemaakte afzonderlijke afdrukken en de nadere toelichting daarop van partijen, komt het beeld naar voren dat aan de kant van zowel de bezoekers van de bijeenkomst als die van Molenaar irritatie is ontstaan, die in korte tijd is geëscaleerd.
 
Hoewel van beide kanten kennelijk weinig is ondernomen om de gemoederen tot bedaren te brengen, biedt de beschikbare informatie naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond voor de conclusie dat Molenaar het incident heeft uitgelokt met de kennelijke bedoeling nieuws te creëren. De klacht moet dan ook worden afgewezen.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerster bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van NOVA en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op haar website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 3 augustus 20007 door mr. A.H. Schmeink, plaatsvervangend voorzitter, drs. C.M. Buijs, T.R. Harkema, mw. mr. H.M.A. van Meurs-Bergsma en mw. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. drs. M.M. van der Smissen, plaatsvervangend secretaris.