2007/43 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Koop Holding B.V.
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden
 
Bij brief van 7 mei 2007 met vijf bijlagen heeft H. Koop namens Koop Holding B.V. gevestigd te Groningen (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden (hierna: verweerder). Hierop heeft P. Sijpersma, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 31 mei 2007.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 juni 2007. Namens klaagster is daar P.A.M. van Soest, secretaris van klaagster, verschenen die de klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van verweerder was H. Blanken, adjunct-hoofdredacteur, aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 12 april 2007 is in het Dagblad van het Noorden op de voorpagina een artikel verschenen onder de kop “Jan vangt van broer Henk Koop 1 miljoen na conflict”. Het artikel begint met de volgende passage:
“Bijna stonden ze gisteren tegenover elkaar in de rechtbank: Jan met zijn 'grote' broer Henk Koop. Maar op het laatste moment kwam er een schikking tussen beiden en werd het kort geding afgeblazen. Daarmee is de laaiende ruzie tussen de broers allerminst gesust”.
In dit bericht staat verder onder meer:
“De oorsprong van het conflict ligt in het ontslag van Jan Koop als CEO (hoogste directeur) bij pijpleidingenlegger Nacap, een dochter van de Koop Groep. Dat gebeurde al op 1 april 2006.”
en
“Het conflict tussen Henk en Jan Koop spitste zich toe op de afkoopsom. Jan Koop, inmiddels aan het werk bij Nacap-concurent Bohlen & Doyen uit het Duitse Wiesmoor, kreeg vorig jaar een bedrag van 1,2 miljoen toegezegd van Nacap maar de inkt van de overeenkomst was nog niet droog of de Duitse Nacap Gmbh kwam met een tegenclaim van 1,6 miljoen euro. Vanaf dat moment was het meer hommeles dan ooit tevoren. Jan Koop had daarom Nacap gedagvaard in een kort geding. Dat geding werd een uur voor aanvang afgeblazen. Raadsman Peter Fousert van Nacap c.q. Koop wilde niet meer zeggen dan dat "er niets meer te kortgedingen viel."”
 
Het artikel wordt vervolgd op pagina 25 onder de kop “Verhouding tussen broers Henk en Jan Koop helemaal kapot”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Jan Koop spreekt in de dagvaarding aan Nacap c.q. Henk Koop over "gezeur" en "gechicaneer" als hij het heeft over de manier waarop hij wordt bejegend.”
en
“Het boterde al langere tijd niet meer tussen Henk en Jan Koop. Daar kwam nog eens bovenop dat Nacap over 2005 heel slecht presteerde. In het jaarverslag van de Koop Groep wordt gerept van onbetaalde nota’s ter hoogte van 10 miljoen euro en twee keer een kostenoverschrijdende operatie in Duitsland en Thailand. Daarvoor werd Jan Koop verantwoordelijk gehouden. Waar Henk Koop misschien vroeger in staat was geweest om zijn broer de hand boven te hoofd te houden, daar was hem dat in elk geval nu onmogelijk tenzij hij instemming kreeg van het duo Cor Boonstra-Ralph Sonnenberg. Henk Koop was eerder helemaal in zijn eentje de baas over het concern van zijn naam maar door de bijwerkingen van de Bouwfraude raakte de Koop Groep aan de rand van de afgrond en moest hij de meerderheid van de aandelen verkopen om het bedrijf te redden.”
en
“Jan Koop kreeg bij zijn vertrek 1,2 miljoen euro toegezegd, maar even later kreeg hij een claim van 1,6 miljoen euro van de Duitse Nacap aan zijn broek. Volgens Jan Koop raakte die vordering "kant noch wal". Voor de rechtbank in Assen én na een telefonisch onderhoud met broer Henk werd die vordering teruggebracht tot 1,5 ton.”
en
“Maar, tot op de dag van gisteren, had Jan Koop zijn centjes nog niet gebeurd. De raadslieden van de broers moesten op papier zien te krijgen dat Jan Koop "niet meer zou worden lastig gevallen door het Koop-concern" en daar kwamen ze niet uit. Er leek begin maart overeenstemming, maar vervolgens bleek Henk Koop zich nog eens over de stukken te moeten buigen en wilde Nacap pas betalen nádat Jan Koop de beslagen had opgeheven.”
en
“Te elfder ure werd het kort geding gisteren afgeblazen, omdat Jan Koop ongeveer 1 miljoen euro kreeg bijgeschreven op zijn rekening.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat het artikel verschillende onjuistheden bevat en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens klaagster schetst verweerder een foutief beeld van de zakelijke en persoonlijke verhoudingen binnen de Koop Groep. Het artikel is suggestief en op sensatie belust, aldus klaagster. Bovendien lijkt het artikel gebaseerd te zijn op oude en achterhaalde berichtgeving en heeft verweerder ten onrechte geweigerd te rectificeren.
Klaagster wijst er op dat de omstandigheden waarop zij haar werk uitvoert nadelig zijn beïnvloed door de wijze waarop zij sinds het najaar van 2001 in het nieuws wordt gebracht. Naar aanleiding van de negatieve publiciteit rond de bouwfraude heeft klaagster, die een bancair gefinancierde organisatie is, problemen ondervonden rond onder meer de herstructurering en strategische heroriëntatie. Inmiddels zijn de cijfers evenwel aanmerkelijk verbeterd en maakt klaagster weer winst. Aldus hebben zich sinds 2004 verschillende nieuwe ontwikkelingen voorgedaan, waaronder het aantrekken van een nieuw aandelenkapitaal en het ontwikkelen van een nieuwe strategie. Ook is in het kader van die nieuwe strategie onder meer het management van Nacap B.V. gereorganiseerd. Volgens klaagster worden de positieve ontwikkelingen door verweerder miskend en wordt de gang van zaken rond de organisatie van klaagster ten onrechte in het artikel weergegeven als een ruzie tussen broers. Daarbij miskent verweerder dat niet de broer van J. Koop doch zijn voormalige werkgever Nacap B.V. de ontslagvergoeding heeft betaald. Volgens klaagster wordt nergens in de artikelen zorgvuldig onderscheid gemaakt tussen rechtspersonen en natuurlijke personen. Het betoog van verweerder dat dit onderscheid niet hoeft te worden gemaakt nu H. Koop zijn naam heeft verbonden aan het concern volgt klaagster niet, temeer nu het geschil bestond tussen J. Koop en Nacap B.V. In de benaming van dit bedrijf is op geen enkele wijze een relatie met de naam van H. Koop terug te vinden.
Daarnaast is onjuist vermeld dat de ontslagdatum van J. Koop 1 april 2006 is, nu eerst op 1 januari 2007 de arbeidsverhouding is ontbonden. Door deze onjuistheid wordt de indruk gewekt dat er tussen Nacap B.V. en J. Koop lange tijd onderhandeld is. Ook is de vermelding dat J. Koop werkzaam zou zijn bij Bohlen & Doyen onjuist, nu deze arbeidsovereenkomst reeds vóór het verschijnen van het artikel was beëindigd. Voorts wordt in de artikelen ten onrechte vermeld dat klaagster op de rand van de afgrond zou zijn geweest. Dit zou zijn gebaseerd op een citaat van Haverkamp in eerder in het Dagblad van het Noorden verschenen artikelen dat klaagster ten tijde van de bouwfraude-affaire bijna failliet was. Evenwel is van faillissement geen sprake geweest. Klaagster had te maken met een zeer hoge solvabiliteitseis. Daarvan uitgaande zou verweerder van vrijwel elk bedrijf kunnen stellen dat zij op de rand van de afgrond staan, aldus klaagster.
Ten slotte stelt klaagster dat verweerder geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan naar de feiten, maar kennelijk enkel oog heeft gehad voor sensatie. Dit klemt te meer nu verweerder het verzoek van klaagster om de gestelde onjuistheden te rectificeren heeft geweigerd. Door de vele onjuistheden in deze artikelen maar ook gezien de slordigheden die andere door verweerder gepubliceerde artikelen bevatten, is klaagster zeer terughoudend in het verstrekken van informatie aan verweerder. Volgens haar blijkt ook weer uit deze artikelen dat het verstrekken van informatie aan verweerder geen garantie zal bieden voor zorgvuldige berichtgeving.
 
Verweerder stelt voorop dat de verhouding tussen hem en H. Koop ernstig verstoord is. Volgens verweerder wordt de indruk gewekt dat het Dagblad van het Noorden kwaadwillend is, maar dit is onjuist. De belangstelling van het Dagblad voor klaagster is groot, hetgeen zijn oorsprong vindt in het grote belang van klaagster voor de regio. Gelet op het feit dat H. Koop een bekende Groninger is, zou het ook bevreemdend zijn indien door verweerder niet over hem of zijn bedrijf zou worden bericht.
Verweerder begrijpt dat de negatieve publiciteit over klaagster in de tijd van de bouwfraude negatieve gevolgen kan hebben voor klaagster. Evenwel kan op basis daarvan niet worden gesteld dat de gewraakte artikelen geen evenwichtige berichtgeving bevatten. Daarbij is volgens verweerder van belang dat verweerder bij de totstandkoming van de berichtgeving geen enkele medewerking van klaagster ontvangt; ook niet bij het melden van positieve cijfers van klaagster. Positieve berichtgeving geschiedt dan ook op eigen initiatief. Verweerder acht het onbegrijpelijk dat H. Koop systematisch contact met hem weigert, nu Koop stelt aan een goede interactie met de samenleving te hechten en Dagblad van het Noorden van belang te achten bij het bewaken van een goede naam.
Wat het onderscheid tussen zakelijke en persoonlijke verhoudingen betreft, merkt verweerder op dat J. Koop in de dagvaarding spreekt van zijn broer. Ook J. Koop ziet het geschil derhalve kennelijk anders dan klaagster doet voorkomen. Bovendien heeft H. Koop zich altijd vereenzelvigd met het bedrijf en is zijn naam in Noord-Nederland een begrip. In de publieke opinie vallen directeur en bedrijf derhalve vrijwel samen.
Voorts merkt verweerder ten aanzien van de ontslagdatum op dat er reeds op 1 april 2006 een opvolger was voor J. Koop. Kort daarna is J. Koop in dienst getreden bij Bohlen & Doyen. Volgens informatie, die verweerder heeft ingewonnen naar aanleiding van geruchten rond ontslag, is J. Koop daar nog steeds werkzaam. Met betrekking tot de vermelding in de artikelen dat klaagster enige tijd in slecht weer verkeerde, merkt verweerder op dat deze vermelding is gebaseerd op uitlatingen van een directeur van klaagster. Bovendien acht verweerder de wijze waarop klaagster het begrip faillissement interpreteert wel erg ruim en zeer ongeloofwaardig voor een ondernemer.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht spitst zich toe op de gestelde onjuistheden in de gewraakte artikelen.
 
De Raad overweegt dat blijkens de stukken kan worden gesteld dat de gewraakte artikelen een aantal onjuistheden bevatten. Naar het oordeel van de Raad zijn deze onjuistheden en slordige formuleringen evenwel niet van dien aard dat van journalistiek onzorgvuldig handelen sprake is. Daarbij acht de Raad van belang dat door klaagster niet is betwist dat zij niet tot nauwelijks ingaat op pogingen van verweerder om nadere informatie te verkrijgen over de zaak waarover hij wenst te publiceren. Aldus wordt verweerder belemmerd in goede nieuwsvinding. De door klaagster naar voren gebrachte onjuistheden dan wel slordigheden hadden door het niet weigeren van elke informatie aan verweerder wellicht kunnen worden voorkomen.  
In de geconstateerde onjuistheden ziet de Raad, gezien het voorgaande, geen grond voor het oordeel dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen - uit een oogpunt van journalistieke verantwoordelijkheid - aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad van het Noorden te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 2 augustus 2007 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, mw. A.C. Diamand, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. E.H.C. Salomons en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.