2007/4 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van het ANP
 
Bij brief van 20 november 2006 met twee bijlagen, door de Raad ontvangen op 27 december 2006, heeft X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het ANP (hierna: verweerder). Hierop heeft J. van Vegchel, chef redactie binnenland, geantwoord in een brief van 15 januari 2007.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 februari 2007 waar klaagster, in het bijzijn van haar echtgenoot Y, is verschenen. Namens verweerder zijn voornoemde Van Vegchel en R. Roemer, journalist, verschenen.  
 
DE FEITEN
 
In 1999 heeft een ongeluk plaatsgevonden waarbij familieleden van klaagster zijn omgekomen. Op 6 november 2006 is in het regionale dagblad De Stentor een artikel verschenen, waarin melding wordt gemaakt van plannen van een filmmaatschappij om het desbetreffende ongeluk te verfilmen. Klaagster heeft naar aanleiding van dit bericht contact opgenomen met De Stentor met het doel nadere informatie over de verfilming te verkrijgen. De redactie van De Stentor meldde haar dat het bericht afkomstig was van verweerder. Vervolgens heeft klaagster telefonisch contact gehad met een medewerker van verweerder en verzocht om nadere informatie over de verfilming. Na dit gesprek heeft voornoemde Roemer klaagster teruggebeld.
 
Op 10 november 2006 is op de site van verweerder een artikel geplaatst waarin is vermeld dat de nabestaanden niet blij zijn met de verfilming. Klaagster wordt in het artikel genoemd en geciteerd.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat Roemer haar bij het tweede telefoongesprek ten onrechte niet heeft gemeld dat sprake was van een interview en dat het gesprek mogelijk zou worden gebruikt voor publicatie. Zou haar gemeld zijn dat verweerder haar wilde interviewen dan had ze daar nooit toestemming voor gegeven, aldus klaagster. Bovendien is ten onrechte in het artikel vermeld dat zij namens de familie sprak. Hoewel zij namens de familie om informatie heeft verzocht, is het nooit de bedoeling geweest ook namens de familie informatie te verschaffen. Dat dit wel zo zou zijn, is door haar ook nooit gezegd.

Naar aanleiding van het ANP-bericht van 10 november 2006 is klaagster door andere media benaderd. Klaagster benadrukt dat zij en haar familie publiciteit juist altijd zoveel mogelijk hebben vermeden. Vandaar ook dat zij het niet eens is met de verfilming van het ongeluk en op zoek was naar meer informatie daarover.
Volgens klaagster is de handelwijze van verweerder journalistiek onzorgvuldig.
 
Verweerder stelt dat klaagster in het eerste telefoongesprek is gemeld dat zij zou worden teruggebeld omdat verweerder nog nadere vragen voor haar had. Vervolgens was tijdens het tweede telefoongesprek duidelijk sprake van een vraag-en-antwoord-gesprek. Daarbij heeft Roemer meerdere keren de antwoorden van klaagster kort samengevat teneinde zeker te weten of hij haar goed had begrepen. Ook heeft Roemer klaagster uitgelegd dat het ANP nieuws verzamelt en dat diens nieuwsberichten door vele andere media worden gebruikt. Volgens verweerder kon er dan ook geen twijfel over bestaan dat sprake was van een interview.
Terugkijkend begrijpt verweerder dat de berichtgeving klaagster verdriet heeft gedaan, maar hij meent dat van onzorgvuldig handelen geen sprake is.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht is dat Roemer niet heeft gemeld dat zijn telefoongesprek met klaagster een interview betrof en dat de daarin door klaagster gegeven informatie voor publicatie is gebruikt.
 
Het is de Raad gebleken dat voor verweerder kennelijk geen twijfel bestond dat klaagster op de hoogte was van het feit dat zij in het tweede telefoongesprek (met Roemer) zou worden geïnterviewd voor eventuele verdere publicatie over het onderwerp. Tegelijkertijd was klaagster in de veronderstelling dat het contact met verweerder geen ander doel had dan dat zij informatie zou krijgen over de verfilming. Aldus bestond tussen partijen een misverstand over de kwalificatie en reden van het telefoongesprek.
 
De Raad overweegt dat het hier gaat om een zeer gevoelige kwestie; klaagster is familielid van personen die bij een tragisch ongeluk zijn omgekomen.
Verweerder had dan ook wellicht meer terughoudendheid kunnen betrachten en meer aandacht kunnen schenken aan de mogelijke wens van klaagster dat niet verder over het ongeluk of de eventuele verfilming daarvan zou worden bericht.
Daar staat tegenover dat klaagster op de hoogte was van de activiteiten van het ANP als nieuwsdienst en wist dat het ANP reeds over de zaak had gepubliceerd. Het had daarom in de rede gelegen dat klaagster tijdens het telefoongesprek met Roemer in elk geval op enig moment uitdrukkelijk te kennen had gegeven geen publiciteit te wensen en dat van een interview geen sprake was.
 
Hoewel het spijtig is dat door voormeld misverstand een publicatie tot stand is gekomen, waaraan klaagster geen medewerking had willen verlenen, kan naar het oordeel van de Raad niet worden geconcludeerd dat verweerder zodanig heeft gehandeld dat hij daarbij grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 23 februari 2007 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. A.C. Diamand, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. drs. P.C.J. van Schaveren, drs. L.W. Verhagen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.