2007/32 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
het Inspraakorgaan Chinezen en Koninklijk Horeca Nederland, sector Chinees-Indische Bedrijven
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Netwerk (NCRV)
 
Bij brief van 2 maart 2007 met vier bijlagen heeft J. Chung, directeur, namens het Inspraakorgaan Chinezen te Utrecht (hierna: het IOC) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NCRV’s Netwerk (hierna: verweerder). Hierop heeft mw. mr. F.M. Bus, afdeling Juridische Zaken van de Stichting AKN, namens verweerder gereageerd in een brief van 26 maart 2007 met tien bijlagen. Bij faxbericht van 11 april 2007 met drie bijlagen heeft mr. D.Y. Li, advocaat te Groningen, namens Koninklijk Horeca Nederland, sector Chinees-Indische Bedrijven (hierna: de KHN) verzocht zich te voegen in de procedure aan de zijde van het IOC.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 april 2007. Aan de zijde van het IOC en de KHN (hierna tezamen: klagers) zijn daar verschenen mr. N. Hollander, advocaat te Groningen, mw. L.P. Lin, sectormanager Chinees-Indische Bedrijven van de KHN en tevens bestuurslid van het IOC, en mw. A. Boone, beleidsmedewerker van het IOC. Namens verweerder waren mr. Bus en P. de Blaauw, redacteur, aanwezig. Mr. Hollander en mr. Bus hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities.
 
De voorzitter van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door een der leden als waarnemend voorzitter tezamen met de resterende leden.
 
Vervolgens heeft mr. Bus bij brief van 19 april 2007 nog een nadere toelichting gegeven op het standpunt van verweerder. Daarop heef mr. Hollander ten slotte namens klagers gereageerd in een schrijven van 27 april 2007.
 
DE FEITEN
 
Op 29 januari 2007 heeft de NCRV in het televisieprogramma Netwerk een reportage uitgezonden onder de titel “Moderne slavernij in Chinese restaurants Nederland” (hierna: de uitzending). De uitzending is door de presentator ingeleid als volgt:
“Maar we beginnen met slavernij. Inderdaad, dat bestaat nog in Nederland. Mensen die het land worden binnen gesmokkeld en voor weinig tot niets moeten werken. Komende maand is het eerste grote proces tegen verdachten die in Chinese restaurants mensen als slaven hebben uitgebuit. Het probleem is dat veel slachtoffers niet durven te getuigen tegen hun voormalige bazen. Netwerk sprak met iemand die dat wél durft, weliswaar onherkenbaar in beeld. De reportage is van Piet de Blaauw.”
Nadat vervolgens kort de bedoelde anonieme getuige aan het woord is gelaten, wordt door een voice-over meegedeeld:
“Ergens in Nederland, deze week. We zijn op weg naar een geheime locatie waar een Chinese man door politie en justitie van de rest van de buitenwereld wordt afgeschermd. Deze man, we noemen hem ‘Shang’, is voorbestemd om een hoofdrol te spelen in een rechtszaak tegen mannen die hem, samen met andere slachtoffers, jarenlang hebben uitgebuit in Chinese restaurants (…)”
Daarna komt opnieuw de getuige aan het woord, gevolgd door de voice-over:
“Chinese restaurants zijn al jaren populair in Nederland, maar de sector heeft een probleem. In veel keukens vindt volgens politie en justitie op grote schaal uitbuiting van mensen plaats. Op die manier kunnen klanten goedkoop eten en Chinese organisaties achter de netwerken worden schatrijk.”
Direct daarop komt H. Brouwers, voorzitter van het College van Procureurs-Generaal, in beeld die het volgende zegt:
“Mensen worden door middel van dwang, door middel van geweld, door middel van misleiding, uitgebuit. Ten behoeve van zelfverrijking van anderen. En dat is iets wat wij niet willen in onze samenleving.”
Even later komt H. Spooren van de politie aan het woord, die zegt:
“In principe gaat men niet snel in tegen de chefs, waaronder ze gewerkt hebben. Slechts in enkele gevallen heeft het geleid tot het doen van een aangifte van mensenhandel, van moderne slavernij.”
De voice-over deelt daarop mee:
“Er is veel angst onder de Chinese illegalen. Hans Spooren noemt de toestanden die hij aantreft in de Chinese restaurants moderne slavernij. Spooren was tot voor kort teamleider mensenhandel bij de politie en leidde het onderzoek naar het restaurant waar getuige ‘Shang’ werkte. Hij komt mensonterende situaties tegen.”
Verder wordt door de voice-over nog bericht:
“ Afgelopen zomer is het zover. De politie doet in het zuiden van het land een massale inval in een groot Chinees restaurant waar veel illegalen werken. De paniek is enorm.”
en
“Dat het bij de zaak rond het Chinese restaurant om grote belangen gaat, is duidelijk. Tot nu toe werd mensenhandel en uitbuiting vooral aangepakt in de prostitutie. Maar dat wil justitie veranderen. Na het Chinese restaurant in Zuid-Nederland zal ook de rest van de horeca worden doorgelicht.”
Daarna wordt Brouwers weer in beeld gebracht, die zegt:
“Het ging aanvankelijk hoofdzakelijk om de gedwongen prostitutie, de vrouwenhandel. Nu is dat dus uitgebreid tot andere sectoren van het arbeidsproces, andere segmenten van de economie. En daar is dit, want het speelt zich af in de horeca, daar is dit een voorbeeld van.”
In de uitzending is overigens ook M. de Cock van de Stichting tegen Vrouwenhandel aan het woord gelaten.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat het IOC zich richt op alle in Nederland verblijvende personen van Chinese afkomst. Het is in eerste plaats opgericht als adviesorgaan voor de Nederlandse overheid, maar kaart ook opmerkingen, suggesties of problemen van de achterban aan bij de overheid. De doelstelling van het IOC zoals geformuleerd in de statuten moet zo worden uitgelegd dat het uiteindelijke doel is: het bevorderen van de integratie van de Chinese minderheid in Nederland. De KHN stelt zich ten doel de behartiging van de materiële en immateriële (bedrijfs)belangen van haar leden in de meest ruime zin des woords, alsmede van het hotel, restaurant, café en aanverwante bedrijf, eveneens in de ruimste zin des woords. Vanwege haar functie bij de KHN als sectormanager Chinees-Indische Bedrijven heeft Lin ook een functie bij het IOC. Aanvankelijk heeft de KHN aan het IOC verzocht de onderhavige klacht in te dienen. Nadien heeft de KHN besloten zich in de procedure te voegen. Klagers menen dat zij, gelet op hun doelstellingen, in de klacht ontvankelijk zijn. Lin is overigens, als sectormanager van de KHN, na de uitzending benaderd door leden die zich op de uitzending voelen aangesproken.
Klagers menen dat in de uitzending de Chinese gemeenschap ten onrechte in een kwaad daglicht is gesteld. In de uitzending wordt bij voortduring de Chinese gemeenschap genoemd. Vanaf het begin tot het eind van de uitzending wordt gerefereerd aan gepretendeerde misstanden in Chinese horecabedrijven. Het eerste beeld van de documentaire is een grote Chinese draak. Het laatste beeld en geluid van de documentaire bestaat uit een Chinese, althans oosters klinkende gong. De hele uitzending ademt de sfeer uit dat slechts, althans met name, in de Chinese horecabedrijven misstanden zouden voorkomen. Klagers wijzen verder op het bericht van de voice-over: “Chinese restaurants zijn al jaren populair in Nederland, maar de sector heeft een probleem. In veel keukens vindt volgens politie en justitie op grote schaal uitbuiting van mensen plaats. Op die manier kunnen klanten goedkoop eten en Chinese organisaties achter de netwerken worden schatrijk.” Direct daarna komt Brouwers aan het woord, die zegt dat uitbuiting plaatsvindt. Brouwers noemt echter de Chinese sector niet. Door de montage wordt aldus ten onrechte de indruk gewekt dat Brouwers bevestigt wat de voice-over heeft gezegd, namelijk dat vooral in Chinese horecabedrijven veelvuldig uitbuiting van mensen zou plaatsvinden. Volgens klagers is derhalve in de uitzending sterk de indruk gewekt dat juist in met name Chinese restaurants slavernij zou voortkomen. Klagers verzetten zich met klem tegen deze opgewekte onjuiste suggestie, die niet nader door verweerder is onderbouwd c.q. gecontroleerd.
Verder zijn klagers van mening dat verweerder op onjuiste wijze gebruik heeft gemaakt van zijn bronnen. In dat verband wijzen zij op de manier waarop in de uitzending de verschillende bronnen aan het woord zijn gelaten. Verder zijn de schriftelijke bronnen waarnaar verweerder heeft verwezen, zeer gedateerd en veelal onvolledig overgelegd. De bronnen rechtvaardigen niet de wijze van berichtgeving zoals door verweerder gedaan, aldus klagers.
Zij stellen voorts dat verweerder ten onrechte het beginsel van hoor en wederhoor niet heeft toegepast. Nu in de uitzending de indruk is gewekt dat zich in de hele sector van Chinese restaurants ernstige misstanden zouden voordoen, had het voor de hand gelegen dat verweerder het IOC – dat bestaat bij de gratie van de Chinese horeca-ondernemers – of in ieder geval de KHN om een reactie had gevraagd. Verweerder heeft echter geen enkele poging ondernomen om van klagers een reactie te krijgen.
Overigens heeft het IOC zich na de uitzending tot verweerder gewend en rectificatie verzocht. Volgens klagers heeft verweerder dat verzoek ten onrechte geweigerd.
Ten slotte merken zij op dat de in Nederland wonende Chinese gemeenschap grotendeels bestaat uit horeca-ondernemers. De gemeenschap heeft de afgelopen jaren hard gewerkt aan een verbetering van het oude imago. Misstanden die in het verleden nog wel eens voorkwamen, zijn tegenwoordig een zeldzaamheid. Verweerder heeft met oud bronnenmateriaal een onjuist beeld gecreëerd, te weten dat nog steeds op grote schaal misstanden zouden bestaan binnen de Chinese horecabedrijven, aldus klagers.
 
Verweerder stelt voorop dat het IOC, gelet op zijn beperkte statutaire doelstelling, niet in de klacht kan worden ontvangen.
Verder stelt hij dat gebruik is gemaakt van betrouwbare bronnen: politie en justitie. Deze hebben de uitzending van te voren gezien, zodat de informatie overeenkwam met de door hen in de voorgesprekken gegeven informatie. Verweerder heeft getracht de informatie van politie, justitie en het anonieme slachtoffer zorgvuldig weer te geven.
Van politie en justitie is vernomen dat het probleem van uitbuiting van illegalen niet beperkt is tot de prostitutie en dat er ondermeer onderzoeken liepen naar horecagelegenheden. Ook gaven politie en justitie aan dat ze het probleem duidelijk vaker tegenkwamen bij Chinese restaurants. Het geïnterviewde slachtoffer bevestigde dat hij niet de enige Chinese immigrant was die dit overkwam. Dat uitbuiting van illegalen in Chinese restaurants voorkomt, vindt bovendien veel steun in openbare bronnen. Verweerder verwijst in dit verband onder meer naar een rapport van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum uit 2002 getiteld “Georganiseerde criminaliteit in Nederland”, een publicatie uit 2006 in ‘Migrantenstudies’ met de titel “Unable to walk away. Slavernij-achtige uitbuiting van migranten in Nederland en de aanpak daarvan”, een publicatie uit 2006 op kennislink.nl getiteld “Chinese mensensmokkel geen nieuw fenomeen” en stukken van de Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999 met de titel “Aanpak illegale arbeid”. Volgens verweerder bood al het bronnenmateriaal bij elkaar meer dan voldoende steun voor de constatering dat in de horeca, en dan met name de Chinese horeca, uitbuitingsgevallen plaatsvinden. Specifieke personen, bedrijven of locaties zijn niet genoemd. Ook kon op basis van de bronnen gezegd worden dat sprake is van een probleem voor de sector, aldus verweerder.
Hij meent dat voor de kijker duidelijk is dat de omvang van het probleem bij politie en justitie onbekend is en dat binnenkort pas een eerste proces zou gaan plaatsvinden. Netwerk heeft een probleem gesignaleerd, meer niet. Verweerder wijst in dat verband op de in de uitzending gedane uitlatingen “de rest van de horeca zal worden doorgelicht”, “dit is de eerste procedure in de sector horeca” en “ik ben benieuwd hoe de rechter tegen de zaak aankijkt”.
Volgens verweerder was een weerwoord niet makkelijk te krijgen, nu het gaat om strafbare gedragingen van een nog niet geïdentificeerde groep Chinese restauranthouders. Verweerder weet niet wie om een weerwoord gevraagd had moeten worden. Bij het toepassen van wederhoor hanteert hij als uitgangspunt dat aan de verantwoordelijke(n) voor een misstand om een weerwoord wordt gevraagd. In dit geval was echter onbekend welke restaurants mensen uitbuiten en wie dus de verantwoordelijken waren. De KHN is niet verantwoordelijk voor de misstanden die plaatsvinden bij individuele restaurants. Verweerder meent dat hij niet gehouden was aan de KHN een reactie te vragen, nu de KHN geen reactie had kunnen geven namens de verantwoordelijke(n) van de belichte misstand, maar alleen de reactie had kunnen verwoorden van de rest van de horeca-branche. De reactie van de KHN zou dus oneigenlijke wederhoor zijn. Als in dergelijke gevallen toch om wederhoor gevraagd moet worden, zou dat niet tot een andere inhoud van het item leiden. Daarvoor is wederhoor niet bedoeld en op die manier schiet wederhoor zijn doel voorbij, aldus verweerder. Hij meent dat het voor de journalistiek bovendien ongewenste, verstrekkende gevolgen zou hebben, als hij wel bij een dergelijke organisatie wederhoor zou moeten toepassen. Hij zou dan in voorkomend geval op zoek moeten gaan naar een overkoepelend orgaan en daarbij moeten kiezen welke organisatie prioriteit heeft, of voor alle zekerheid alle organisaties moeten aanspreken. Dit zou leiden tot een onwerkbare situatie, juist bij de belichting van die misstanden waarvan de exacte omvang nog onbekend is.
Verweerder is voorts van mening dat hij zonder wederhoor tot uitzending kon overgaan, omdat er voldoende bronnenmateriaal beschikbaar was. Overigens is hem niet duidelijk welk weerwoord klagers hadden willen geven. De vraag is of dat voor het eindresultaat had uitgemaakt. Verweerder meent van niet. Klagers zullen zich moeten laten welgevallen dat er kritische items over Chinezen worden uitgezonden, als die items zorgvuldig tot stand zijn gekomen. En dat was hier het geval, aldus verweerder.
Hij stelt zich ten slotte op het standpunt dat de uitzending niet tendentieus, onnodig grievend of discriminerend was en dat rectificatie dan ook niet nodig was.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID
 
 
Klagers maken bezwaar tegen een uitzending die gaat over (met name) Chinese restaurants. In de uitzending wordt onder meer gezegd dat ‘de sector een probleem heeft’. Er is derhalve een collectief belang in het geding. De Raad acht de door klagers aan hun statutaire doelstellingen gegeven uitleg niet onredelijk en is van oordeel dat de klacht past binnen die doelstellingen. Klagers zijn derhalve in hun klacht ontvankelijk.
 
(vgl. onder meer: Vereniging tegen de Kwakzalverij tegen Koolhoven en De Telegraaf, RvdJ 2006/26).
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar (vermeende) misstanden in de horecasector. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
 
Naar het oordeel van de Raad laat de vormgeving van de uitzending – de wijze van presenteren van feiten en meningen in combinatie met de montage van de fragmenten van de interviews – de kijker weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat de handelwijze van met name een aanzienlijk deel van de Chinese horeca niet deugt.
Daarbij neemt de Raad onder meer in aanmerking dat door de voice-over wordt bericht“Chinese restaurants zijn al jaren populair in Nederland, maar de sector heeft een probleem. In veel keukens vindt volgens politie en justitie op grote schaal uitbuiting van mensen plaats. Op die manier kunnen klanten goedkoop eten en Chinese organisaties achter de netwerken worden schatrijk.” en dat direct daaropvolgend Brouwers aan het woord is gelaten als volgt: “Mensen worden door middel van dwang, door middel van geweld, door middel van misleiding, uitgebuit. Ten behoeve van zelfverrijking van anderen. En dat is iets wat wij niet willen in onze samenleving.”
Aldus wordt duidelijk de nadruk gelegd op de Chinese horecasector, die een probleem zou hebben, omdat volgens politie en justitie ‘in veel (Chinese) keukens’ uitbuiting zou plaatsvinden, hetgeen Brouwers lijkt te bevestigen.
 
Ook later in de uitzending wordt nog in de voice-over uitdrukkelijk gerefereerd aan de Chinese horecasector, waar wordt vermeld: “Er is veel angst onder de Chinese illegalen. Hans Spooren noemt de toestanden die hij aantreft in de Chinese restaurants moderne slavernij.”
De hiervoor bedoelde passages zijn bovendien ingebed in de reportage over de rechtszaak betreffende een specifiek, maar niet met name genoemd, Chinees restaurant, in welk verband het anonieme Chinese slachtoffer aan het woord is gelaten.
 
Voor een dergelijke zeer ernstige beschuldiging aan het adres van de Chinese horeca is bij uitstek een deugdelijke grondslag vereist. Deze grondslag kan niet worden ontleend aan de door verweerder opgevoerde bronnen. Gelet op de door verweerder aangevoerde bronnen bestond voldoende aanleiding om over (vermeende) misstanden binnen de horecasector in het algemeen te berichten, maar niet voor de suggestie dat deze misstanden de Chinese horecasector betreffen en te concluderen dat de handelwijze van met name een aanzienlijk deel van die specifieke sector niet deugt.
 
Verder dient, volgens het vaste oordeel van de Raad, een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat wederhoor dient te worden toegepast. Nu het gaat om beschuldigingen die betrekking hebben op een collectief – niet nader gespecificeerde Chinese horeca-ondernemers – had het op de weg van verweerder gelegen wederhoor toe te passen bij een organisatie die de belangen van dit collectief behartigt. Het was voor verweerder vrij eenvoudig zich bijvoorbeeld te wenden tot Koninklijk Horeca Nederland, die een specifieke afdeling heeft voor de Chinees-Indische bedrijven.
Niet ter discussie staat dat verweerder in het geheel geen poging heeft ondernomen om wederhoor toe te passen hetzij bij klagers dan wel bij enige andere belangenorganisatie als hiervoor bedoeld. Gesteld noch gebleken is van bijzondere omstandigheden die dat rechtvaardigen.
 
Verder hebben klagers bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder de uitzending te rectificeren. Hoewel verweerder voldoende bronnen heeft aangedragen ter ondersteuning van de bewering dat er misstanden in de horeca bestaan, is echter door de vormgeving van de uitzending te lichtvaardig de indruk gewekt dat het specifiek gaat om een aanzienlijk deel in de Chinese horeca. Het had op de weg van verweerder gelegen de uitzending op dit punt te rectificeren en hij heeft dat ten onrechte nagelaten.
 
De Raad komt derhalve tot de slotsom dat verweerder door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld, de grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
(vgl. onder meer: NVM e.a. tegen ‘Kassa’ (VARA), RvdJ 2006/21)
 
BESLISSING
 
Voor zover de klacht is gericht tegen de in de uitzending gewekte suggestie dat een aanzienlijk deel van de Chinese horeca niet deugt, het achterwege laten van wederhoor en de weigering tot rectificatie, is deze gegrond. Voor zover de klacht is gericht tegen de meer algemene wijze waarop verweerder van zijn bronnen gebruik heeft gemaakt, is deze ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van Netwerk en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 2 juli 2007 door mr. A.H. Schmeink, waarnemend voorzitter, dr. M.J. Broersma, mw. F.W. Dresselhuys en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.