2007/31 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
H.C. van Loenen
 
tegen
 
de hoofdredacteur van De Telegraaf
 
Bij brief van 23 maart 2007 met een bijlage heeft H.C. van Loenen te Haarlem (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerder). Verweerder heeft niet op de klacht gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 april 2007. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 13 maart 2007 is in De Telegraaf een artikel geplaatst over een familiedrama, dat heeft plaatsgevonden in de straat waar klager woont. Onder de subkop “Ramenlappen” zijn citaten opgenomen die afkomstig zouden zijn van klager. Daarbij is voorts de volledige naam van klager vermeld.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager stelt dat hij in het artikel wordt geciteerd door een journalist die hij niet van commentaar heeft voorzien. Hij is wel door een journalist van De Telegraaf aangesproken, maar heeft toen gezegd dat hij geen behoefte had om commentaar te geven. Verder is zonder overleg zijn naam vermeld.
Na het verschijnen van het artikel heeft hij contact opgenomen met de betrokken journalist. Volgens klager heeft deze journalist hem te kennen gegeven dat hij de citaten heeft opgesteld op basis van hetgeen andere omwonenden, die eerder op de dag wel met klager over het drama hadden gesproken, hem hebben verteld. Klager meent dat de journalist aldus op onjuiste wijze gebruik heeft gemaakt van informatie ‘uit tweede hand’ en deze informatie ten onrechte heeft opgenomen als citaten die van hem afkomstig zouden zijn.
Klager stelt verder dat de journalist in dat gesprek voorstelde dat hij een en ander kon rechtzetten door alsnog zijn verhaal te doen. Klager voelt zich door die gang van zaken enigszins gechanteerd. Een e-mail van zijn zoon naar de redactie met het verzoek tot excuses, bleef onbeantwoord, aldus klager.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Klager heeft gesteld dat hij geen commentaar op het familiedrama heeft gegeven aan de betrokken journalist en dat de citaten in het artikel dus niet van hem afkomstig zijn. Nu deze stellingen niet door verweerder zijn weersproken en deze de Raad niet als evident onjuist voorkomen, acht de Raad aannemelijk dat in het artikel ten onrechte citaten aan klager zijn toegeschreven.
Verder overweegt de Raad dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is. Dat de identiteit van de betrokkene door een publicatie bekend wordt, maakt de publicatie evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient dus een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds.
Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat met de vermelding van klagers naam een maatschappelijk belang is gediend, dat bovendien zwaarder weegt dan het individuele belang van klager. Het artikel had voor wat betreft de aanduiding van klager – áls hij informatie zou hebben gegeven – geanonimiseerd kunnen worden, zonder dat afbreuk zou zijn gedaan aan de inhoud en nieuwswaarde ervan. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek)
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 4 juni 2007 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. A.C. Diamand, T.R. Harkema, mw. E.J.M. Lamers en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.