2007/30 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X en Y
 
tegen
 
de hoofdredacteur van de Harlinger Courant
 
Bij brief van 5 maart 2007 met drie bijlagen heeft mr. G. van De Nesse, advocaat te IJsselstein, namens X en Y (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Harlinger Courant (hierna: verweerder). Dit klaagschrift is bij schrijven van 12 maart 2007 aangevuld. Bij e-mailbericht van 23 april 2007 heeft H. Drost, directeur Harlinger Courant, op het klaagschrift gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 april 2007 waar klagers en mr. Van De Nesse zijn verschenen. Verweerder was niet aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 27 februari 2007 is in de Harlinger Courant op de pagina ‘HC Familieberichten’ een schrijven geplaatst onder de kop “Gezocht: Onze papa X en zijn vrouw Y”.  Het bericht eindigt met: “Afz. een wanhopige broer en zus (jullie zoon en dochter)”.
In het bericht wordt vermeld dat de opstellers op zoek zijn naar hun vader en dat zij zich afvragen waarom hij geen contact meer met hen opneemt. Behalve de naam van klagers is ook die van hun zoon in het artikel vermeld.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat verweerder had kunnen weten dat het schrijven met kwade bedoelingen is opgesteld. Zij hebben de indruk dat de brief is opgesteld door de ex-vrouw van X en niet door de kinderen uit zijn eerdere huwelijk, aangezien die pas 12 en 14 jaar oud zijn. Van een zoektocht naar klagers kan geen sprake zijn, nu hun telefoonnummer en adres zowel bij de kinderen uit het eerdere huwelijk van X als bij zijn ex-vrouw bekend zijn. Verweerder had bovendien gemakkelijk kunnen achterhalen dat een opsporing niet noodzakelijk is, omdat klagers abonnee zijn van de Harlinger Courant. Van de zijde van verweerder was dus nauwelijks speurwerk nodig om te constateren dat het schrijven onjuistheden bevat, aldus klagers.
Zij menen dat verweerder had moeten inzien dat plaatsing van een dergelijk schrijven groot leed voor hen met zich zou brengen. Daarbij wijzen zij erop dat Harlingen een betrekkelijk kleine gemeenschap is, waar klagers vanaf hun geboorte wonen en waar veel personen hen kennen. Plaatsing van het schrijven heeft voor hen dan ook grote gevolgen, te meer nu zij een kind verwachten.
Volgens klagers is verweerder, door het schrijven te plaatsen, mede daarvoor verantwoordelijk. Dat het schrijven is geplaatst bij de familieberichten maakt dit niet anders.
Klagers menen dat geen sprake is van een advertentie, waarvoor verweerder niet verantwoordelijk zou zijn. Desgevraagd heeft verweerder aan klagers namelijk geen nota of bewijs van betaling kunnen overleggen.
Klagers concluderen dan ook dat verweerder verantwoordelijk is voor plaatsing van het schrijven en daarmee grenzen van het journalistiek toelaatbare heeft overschreden.
 
Verweerder stelt dat het schrijven hem was aangeboden als ingezonden brief. Na redactieberaad is evenwel besloten het schrijven te beschouwen als een verzoek tot opsporing en deze te plaatsen als advertentie bij de familieberichten. Als zodanig is deze dan ook geplaatst buiten de verantwoordelijkheid van de redactie. Het spijt verweerder dat de advertentie tot zoveel commotie heeft geleid. Hij is echter overtuigd van de goede bedoelingen van de opsteller.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Naar het oordeel van de Raad is de gewraakte publicatie – gelet op de vorm en de inhoud – aan te merken als een ingezonden brief. Blijkens de verklaring van verweerder is het schrijven aanvankelijk ook zo aangeboden.
Of een dergelijke brief wordt geplaatst, staat ter beoordeling van de redactie. Plaatsing kan onder bijzondere omstandigheden leiden tot het oordeel dat de grenzen zijn overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien in de ingezonden brief zonder enige (behoorlijke) feitelijke toelichting ernstige beschuldigingen jegens een derde worden geuit. (zie punt 5. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek)
 
Aan de hiervoor bedoelde journalistieke verantwoordelijkheid kan niet worden ontkomen door een schrijven dat is aangeboden als ingezonden brief, op de pagina met familieberichten als ‘opsporingsbericht’ te plaatsen.
 
In het gewraakte schrijven worden klagers – met vermelding van hun naam – ervan beschuldigd dat zij zich onbereikbaar maken voor de kinderen uit het eerdere huwelijk van X en het contact met hun broertje onmogelijk maken. Gesuggereerd wordt dat klagers voor hun (stief)kinderen onvindbaar zouden zijn. Klagers hebben aannemelijk gemaakt dat een en ander onjuist is. Het schrijven bevat aldus ernstige, grievende beschuldigingen aan het adres van klagers, terwijl niet is gebleken dat daarvoor voldoende grondslag bestond.
 
Naar het oordeel van de Raad heeft verweerder derhalve met plaatsing van het stuk journalistiek onzorgvuldig jegens klagers gehandeld.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.  
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 4 juni 2007 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. A.C. Diamand, T.R. Harkema, mw. E.J.M. Lamers en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.