2007/28 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X, Y en Toute Le Monde
 
tegen
 
de hoofdredacteur van AD Haagsche Courant
 
Bij brief van 4 maart 2007 met een bijlage heeft mr. M. van Stratum, advocaat te Den Haag, namens X, Y en Toute Le Monde (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van AD Haagsche Courant (hierna: verweerder). Hierop heeft D. Mulkens, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 27 maart 2007.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 april 2007. Namens klagers is daar mr. Van Stratum verschenen. Aan de zijde van verweerder was P.P. Marijnen, chef eindredactie/ vormgeving, aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 22 november 2006 is in AD Haagsche Courant een artikel verschenen onder de kop “Onderzoek naar beschuldiging van ontucht door Pijnackernaar”. Het artikel gaat over een strafzaak tegen X en bevat onder meer de volgende passage:
“De Pijnackernaar wordt verweten dat hij zich vanaf augustus 2005 gedurende tien maanden lang zou hebben vergrepen aan een minderjarige medewerker (15) van het Pijnackerse Partycentrum Toute Le Monde waar hij bedrijfsleider was. (…)
Volgens advocaat Van Stratum was zijn cliënt wel ‘uitbundig’ in zijn omgang met zijn collega’s, maar met ontucht zou dat niets te maken hebben gehad.”
Y is eigenaar van Toute Le Monde.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat verweerder journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door de naam van het partycentrum te vermelden. Door bovendien te berichten dat X daar als bedrijfsleider werkzaam is, is hij eenvoudig identificeerbaar. Overigens was hij geen bedrijfsleider, zoals door het Openbaar Ministerie was gesteld, maar werknemer.
Ter zitting heeft mr. Van Stratum hieraan nog toegevoegd dat verweerder, vanwege de gevoeligheid van de materie, extra behoedzaam had moeten zijn. Er had bijvoorbeeld kunnen worden volstaan met de vermelding dat het een horecagelegenheid in Pijnacker betrof. Het ging om een interne zaak, waarbij geen bezoekers waren betrokken. Het partycentrum c.q. de eigenaar was niet verdacht. De lezer behoefde dus niet te weten, waar de zaak zich had afgespeeld.
Gelet op de ernst van de beschuldiging is sprake van een bovenmatig gebruik van persoonsgegevens, aldus klagers. Dat klemt te meer, nu geen wederhoor is toegepast en X slechts verdachte was in een nog lopende strafzaak die nog geen media-aandacht had gekregen. Overigens is X na de publicatie vrijgesproken van misbruik van de 12-jarige jongen, waarover ook in het artikel is bericht.
 
Volgens klagers heeft verweerder onvoldoende terughoudendheid betracht en geen zorgvuldige afweging gemaakt, ten gevolge waarvan hun persoonlijke levenssfeer onevenredig is aangetast en zij zowel zakelijk als privé ernstige schade hebben geleden.
 
Verweerder stelt dat de verdachte niet met naam en niet met initialen is aangeduid, maar dat wel diens woonplaats, leeftijd en positie in de maatschappij zijn vermeld. Dat was nu ook juist in het kader van de rechtbankverslaggeving relevant. De verdachte werd immers vervolgd voor een strafbaar feit dat in relatie stond tot zijn functie bij het partycentrum.
Wat betreft het vermelden van de naam van het partycentrum merkt verweerder op dat er maar één partycentrum in Pijnacker is. Het zou daarom potsierlijk zijn de naam niet te noemen. Overigens was naamsvermelding ook toelaatbaar geweest, als was gesproken over een horecagelegenheid in Pijnacker. In dat geval had de naamsvermelding immers gediend ter onderscheiding van andere horecagelegenheden.
Verweerder concludeert dat hij heeft gedaan wat hij moest doen: zorgvuldig verslag doen van een redelijke verdenking ten aanzien van een misdrijf dat van belang was voor zijn regionale krant.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Een journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd. Dat de identiteit van de betrokkene door een reportage bekend wordt, maakt de reportage evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds.
 
De vermelding van initialen, leeftijd en woonplaats van verdachten en veroordeelden is gebruikelijk en niet onzorgvuldig. Het is derhalve de vraag of de naamsvermelding van de onderneming en de vermelding van de functie van X ontoelaatbaar zijn.
 
De Raad heeft eerder overwogen dat het niet zonder meer journalistiek onzorgvuldig is indien in een publicatie over een strafzaak de naam en het adres van een onderneming worden vermeld. Indien de desbetreffende onderneming een essentiële rol speelt in de strafzaak kan het van zodanig maatschappelijk belang zijn om de gegevens van die onderneming in de berichtgeving te vermelden, dat het privacybelang van de daardoor eenvoudig te identificeren ondernemer daarvoor moet wijken. (vgl. X en Y tegen Het Parool, RvdJ 2006/79)
In dit geval speelt de onderneming een belangrijke rol in de strafzaak. Daar zou immers het (vermeende) strafbaar feit hebben plaatsgevonden, en wel door een werknemer met een minderjarige collega. Kennelijk was bovendien door het Openbaar Ministerie gesteld dat X zou hebben gehandeld in zijn hoedanigheid van bedrijfsleider. Het is maatschappelijk en journalistiek relevant daarover te berichten op de wijze zoals verweerder heeft gedaan. Daarbij komt dat door de wijze waarop de onderneming is aangeduid, verwarring met andere horeca-ondernemers is voorkomen.
 
Gelet op het bovenstaande is de Raad van oordeel dat verweerder het belang van een volledige berichtgeving op een verantwoorde wijze heeft gediend en dat van een disproportionele aantasting van het privé-leven van klagers geen sprake is.
 
Ten slotte overweegt de Raad dat in het kader van rechtbankverslaggeving de regel van hoor en wederhoor, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aan de orde is. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken. (vgl. onder meer: X tegen de Stentor/Zwolse Courant, RvdJ 2006/14)
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in AD Haagsche Courant te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 31 mei 2007 door mr. A. Herstel, voorzitter, dr. M.J. Broersma, mw. F.W. Dresselhuys, mw. drs. P.C.J. van Schaveren en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.