2007/23 ongegrond onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Vermist’ (TROS)
 
Bij brief van 1 februari 2007 heeft mw. mr. C. Grondsma, advocaat te Leeuwarden, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘Vermist’ (TROS) (hierna: verweerder). Hierop heeft de directie ad interim van de TROS geantwoord in een brief van 12 maart 2007 met drie bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 maart 2007. Partijen zijn daar niet verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een dvd-opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 1 september 2006 is in een uitzending van het televisieprogramma ‘Vermist’ aandacht besteed aan de (vermeende) ontvoering en gijzeling door klager van een vrouw en haar zoontje (hierna: de uitzending).
De uitzending wordt ingeleid als volgt:
Even verder hebben we dit…zeven dagen werd ze gegijzeld door een voortvluchtige moordenaar.
De uitzending bevat een vraaggesprek met de vrouw, die in de studio aanwezig is. In dat gesprek zegt de presentator onder meer:
Ja, een moordenaar zegt je moeder dat het is, het is in ieder geval een oplichter. Hoe viel jij in de klauwen van die crimineel?
en
Na een week wist jij, vanuit je plek waar je zat met hem, naar het politiebureau te lopen, in Antwerpen was dat. Waar is deze man, die oplichter, die X  zoals ie heet, nu?"
Verder bevat de uitzending (fragmenten van) vooraf opgenomen interviews met de moeder en stiefvader van de vrouw. Blijkens de uitzending kennen de stiefvader en klager elkaar uit de instelling waar zij beiden zijn gedetineerd.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat in de uitzending onjuiste, suggestieve uitspraken over hem zijn gedaan. Hij stelt onder meer dat ten onrechte wordt gezegd dat hij negen jaar voor moord in de gevangenis zou zitten. Hij is nooit voor moord veroordeeld, noch is hiervoor ooit aangifte tegen hem gedaan. Verder stelt klager dat van gijzeling en een daaropvolgende bevrijding van de vrouw en haar zoontje geen sprake is geweest.
Volgens klager had verweerder hem, gelet op de in de uitzending geuite ernstige en onjuiste beschuldigingen aan zijn adres, in de gelegenheid moeten stellen om op deze stellingen te reageren. Dat enkele opmerkingen niet van de programmamakers, maar van de gast en de geïnterviewden afkomstig waren, maakt dat niet anders.
Klager voert aan dat zijn persoonlijke belangen door de onjuiste en suggestieve stellingen en uitlatingen ernstig zijn geschaad. Hij stelt ten slotte dat verweerder tot op heden geen gehoor heeft gegeven aan zijn verzoek om de onjuiste en suggestieve uitspraken te rectificeren en schriftelijk excuses te maken.
 
Verweerder stelt voorop dat het opsporingsprogramma 'Vermist' een maatschappelijke, signalerende en waarschuwende functie heeft. Verder stelt hij zich op het standpunt dat hij niet verantwoordelijk of aansprakelijk is voor de eigen mening en de uitingen van ervaringen van mensen die in zijn programma's aan het woord worden gelaten. Hij geeft enkel de mening van derden weer, zonder zich achter een van de meningen te scharen.
Verweerder meent voldoende zorgvuldig te hebben gehandeld bij de totstandkoming van de uitzending en stelt zich ook daarna niet onzorgvuldig te hebben gedragen. Door de presentator wordt geen stelling genomen, hij haakt slechts in op de uitlatingen van zijn gasten, aldus verweerder. Voorts stelt hij dat in ‘Vermist’ eerder aandacht aan klager is besteed. Het staat TROS in het algemeen en 'Vermist' in het bijzonder vrij om later wederom te berichten over de handel en wandel van klager. Daarenboven hebben de makers van het programma gemeend de samenleving nogmaals voor klager en zijn praktijken te moeten waarschuwen in het kader van de signalerende en waarschuwende functie van het programma.
Ten slotte stelt verweerder dat de uitzending op correcte wijze tot stand is gekomen. Vóór de uitzending is diverse malen tevergeefs geprobeerd contact te krijgen met klager. Pas na de uitzending is een verlate reactie van de raadsvrouwe van klager ontvangen.
Verweerder concludeert dat hem geen enkel verwijt van journalistieke onzorgvuldigheid kan worden gemaakt.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht heeft allereerst betrekking op de vraag of verweerder de beschuldigingen aan het adres van klager had mogen uitzenden. Dat de uitzending voornamelijk is gebaseerd op uitlatingen van derden, ontslaat verweerder niet van zijn verantwoordelijkheid voor de inhoud van het programma. Die verantwoordelijkheid strekt echter niet zo ver dat alles wat door derden in de uitzending wordt gezegd, door de presentator behoeft te worden gecheckt of genuanceerd. De beschuldigingen zijn voornamelijk voor rekening van betrokkenen gelaten en niet als feit gepresenteerd. Bovendien moeten de uitlatingen worden bezien in de context van de uitzending. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door de beschuldigingen aan het adres van klager uit te zenden.
 

Het voorgaande neemt niet weg dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen als de onderhavige met bijzondere zorgvuldigheid te werk dient te gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat wederhoor moet worden toegepast. Dat de beschuldigingen zouden zijn geuit door een geïnterviewde, maakt dat niet anders.
Klager heeft aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld op de beschuldigingen aan zijn adres te reageren. Verweerder heeft daar tegenover gesteld dat hij voorafgaand aan de uitzending contact heeft gezocht met klager, maar zonder resultaat.
Gelet op de aard van de beschuldigingen hadden verweerders zich in ieder geval schriftelijk, per fax of per e-mail tot klager dan wel diens raadsvrouwe behoren te wenden, ten einde hun de mogelijkheid te bieden schriftelijk op de aan klagers adres geuite beschuldigingen te reageren. (vgl. onder meer: Volkert van der G. tegen Koolhoven en De Telegraaf, RvdJ 2007/7)
Nu de standpunten van partijen lijnrecht tegenover elkaar staan en er geen materiaal voorhanden is op grond waarvan de Raad kan vaststellen of verweerders al dan niet voldoende pogingen hebben ondernomen om van klager dan wel diens raadsvrouwe een reactie te krijgen, onthoudt de Raad zich op dit punt van een oordeel.
 
BESLISSING
 
Voor zover de klacht betrekking heeft op het toepassen van wederhoor onthoudt de Raad zich van oordeel, voor het overige is de klacht ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het televisieprogramma ‘Vermist’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus  vastgesteld door de  Raad op  15 mei 2007 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, drs. G.H.J.M.  Bueters, drs.  G.T.M.  Driehuis,  mw. drs. J.X.  Nabibaks en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L. Bultman‑den Haan, plaatsvervangend secretaris.