2007/21 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
K. Driehuis en J. van Dongen (‘Zembla’)
 
tegen
 
S. Berkeljon en H. Wansink 
 
Bij brief van 23 januari 2007 met elf bijlagen heeft mw. mr. B.V. Metsemakers, bedrijfsjurist bij omroepvereniging VARA, namens K. Driehuis en J. van Dongen - eindredacteur respectievelijk regisseur van het televisieprogramma ‘Zembla’ - (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen S. Berkeljon en H. Wansink (hierna: verweerders). Hierop heeft mw. mr. C. Wildeman, advocaat te Amsterdam, namens verweerders geantwoord in een brief van 1 maart 2007 met elf bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 maart 2007. Klagers zijn daar verschenen vergezeld van mw. mr. B. den Ouden, bedrijfsjurist bij omroepvereniging VARA. Verweerders waren aanwezig vergezeld van voornoemde mr. Wildeman. Den Ouden en Wildeman hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities.
 
DE FEITEN
 
In november 2006 is door uitgeverij Augustus een boek van de hand van Berkeljon en Wansink uitgebracht, getiteld “De orkaan Ayaan - verslag van een politieke carrière”. In de ‘Verantwoording’ schrijven verweerders onder meer:
“Ayaan Hirsi Ali had in 2005 al besloten niet in de Tweede Kamer terug te keren. (…) Ze benaderde ons op 19 maart met het idee voor een onafhankelijk journalistiek onderzoek naar het ‘Ayaan-effect’: wat heeft haar strijd voor de emancipatie van moslims en de verlichting van de islam nu eigenlijk opgeleverd? Die vraag hebben we voorgelegd aan tal van mede- en tegenstanders (…). Wij voerden in april, mei en juni lange gesprekken met Hirsi Ali en hadden inzage in haar persoonlijke archief. Toen de crisis rond de nationaliteit van Hirsi Ali uitbrak, zaten wij als het ware in het oog van de storm. Deze positie hebben wij benut om ‘van binnenuit’ een reconstructie te maken van de paspoortcrisis en het daaropvolgende einde van het tweede kabinet-Balkenende.”
 
In het hoofdstuk ‘Zembla’ zijn onder meer de volgende passages opgenomen:
“Aan het eind van de bijeenkomst is de sfeer gespannen. Van Dongen richt het woord tot de Engelse journaliste. ‘I know something you don’t know,’ zegt hij dreigend. Wat hij bedoelt, wil hij niet zeggen.” (hierna: citaat 1)
en
“Ook zegt hij tegen Hirsi Ali: ‘Het is eigenlijk jammer dat je mee wilde werken.’ Als zij had geweigerd op de beelden te reageren, was dat hem beter uitgekomen.” (hierna: citaat 2)

en
“Op 11 mei, de dag waarop Zembla zou worden uitgezonden werden de politiek assistent van Hirsi Ali en de persvoorlichter van de VVD op het mediapark in Hilversum uitgenodigd om het eindresultaat van de documentaire te bekijken. In een klein kamertje bekeken ze, samen met Jos van Dongen, De Heilige Ayaan. Beiden waren opgelucht: het was geen vriendelijke film, maar er zat geen belangrijk nieuws in. Van Dongen had dan wel geroepen dat hij 'iets' wist, maar kon dat in de uitzending niet waarmaken.
Eindredacteur Kees Driehuis kwam na de uitzending binnen. ‘En, is het hier nog gezellig?’ vroeg hij. De persvoorlichter en de persoonlijk assistent reageerden laconiek, waarop Driehuis ‘ontplofte’. ‘Dit kan toch niet!’ hoorden ze. ‘Ze heeft gelogen! Dit zal politieke consequenties hebben! En die Neelie, die heeft banden met de maffia. Wist zij dit? Wist zij dit?’ Driehuis schreeuwde, verklaart zowel de assistent van Hirsi Ali als de persvoorlichter.” (hierna: citaat 3)
direct gevolgd door:
“Zij liepen weg, naar buiten, gevolgd door Van Dongen. Hij probeerde de boel te sussen: ‘Kees is ook altijd zo emotioneel.’”
en
Zembla-eindredacteur Kees Driehuis verdedigde zich in Trouw. In een ingezonden stuk vertelde hij waarom Zembla een uitzending maakte over het asielverleden van Hirsi Ali (…)”
 
Op 28 oktober 2007 is een voorpublicatie van het boek in de Volkskrant verschenen, waarin ook citaat 2 is opgenomen. Naar aanleiding daarvan heeft Driehuis bij e‑mailbericht van 31 oktober 2006 aan Wansink bericht dat Van Dongen ten stelligste ontkent te hebben gezegd: “Het is eigenlijk jammer dat je mee wilde werken.”
 
In reactie hierop heeft Wansink bij e-mailbericht van 31 oktober 2006 aan Driehuis bericht dat het eerste hoofdstuk van het boek gaat over de gang van zaken rond de uitzending van Zembla en is gebaseerd op interviews met onder anderen Hirsi Ali zelf, en de ooggetuigen Ingrid Pouw en Iris van den Berg.
 
Bij e-mailbericht van 1 november 2006 heeft Driehuis Wansink verzocht de tekst van de voorpublicatie te rectificeren en ervoor te zorgen dat het onjuiste citaat niet in het boek zou komen te staan.
 
Wansink heeft daarop bij e-mailbericht van 6 november 2006 aan Driehuis meegedeeld dat voornoemde Pouw en Van den Berg nogmaals hebben bevestigd dat Van Dongen de betreffende woorden tegen Hirsi Ali heeft gezegd en dat hij derhalve geen reden ziet tot rectificatie.
 
Driehuis heeft het geschil vervolgens voorgelegd aan de ombudsman van de Volkskrant, Th. Meens. In zijn reactie schrijft Meens onder meer:
“Wie een citaat uit de tweede hand gebruikt moet het ten minste toeschrijven aan zijn bron: zegt hij volgens Hirsi Ali. Maar ook dan nog lijkt het me niet meer dan goed journalistiek gedrag de betrokkene om commentaar te vragen. Klopt het dat u dit heeft gezegd? De auteur meent dat dit in dit geval niet hoefde omdat hij immers drie mensen had die in afzonderlijke gesprekken hetzelfde beweerden. Dat kan zijn, maar het zijn wel alledrie mensen die eenzelfde belang hebben, dat van Hirsi Ali. Bovendien verbindt de auteur ook nog eens een beschuldiging aan het citaat, namelijk dat het de Zembla-regisseur beter zou zijn uitgekomen als zij niet had meegewerkt. Wie zoiets beweert, en daarmee de journalistieke integriteit van de regisseur in twijfel trekt, moet dat op zijn minst voorleggen bij de beschuldigde. Nu wordt het als een feit gepresenteerd, zonder weerwoord van de betrokkene.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers kunnen zich niet verenigen met de hiervoor onder ‘De Feiten’ weergegeven drie citaten. Zij stellen dat zij die uitspraken niet hebben gedaan. Verweerders hadden de uitspraken bij hen dienen te verifiëren, gelet op de ernstige beschuldigingen die daaraan worden gekoppeld. Daardoor wordt hun integriteit en die van ‘Zembla’ ernstig aangetast. Gelet op die gevolgen hadden verweerders wederhoor moeten toepassen. Door dat na te laten hebben verweerders journalistiek onzorgvuldig gehandeld, aldus klagers.
Ter toelichting op citaat 1 - “I know something you don’t know” - wijzen klagers erop dat op dat citaat later in het boek wordt teruggekomen, waar is geschreven: “Van Dongen had dan wel geroepen dat hij 'iets' wist, maar kon dat in de uitzending niet waarmaken.” Van Dongen ontkent dat hij de aan hem toegeschreven woorden heeft gezegd. Van dreiging was bovendien geen sprake. Klagers betogen dat Van Dongen aldus ten onrechte in een kwaad daglicht is gezet.
Ook met betrekking tot citaat 2 – “Het is eigenlijk jammer dat je mee wilde werken.” – stelt Van Dongen dat dit ten onrechte aan hem is toegeschreven. Dit wordt bevestigd door de aanwezige geluidsman en de cameraman, aldus klagers. Ter ondersteuning van hun standpunt verwijzen klagers naar een filmopname van de afronding van het gesprek tussen Hirsi Ali en Van Dongen. Hieruit blijkt dat Van Dongen juist blij was dat Hirsi Ali aan de uitzending wilde meewerken en haar mening wilde geven over de informatie die Van Dongen had verzameld. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat hij later zou hebben gezegd dat hij het jammer zou hebben gevonden dat ze mee wilde werken. Verder wijzen klagers op het standpunt van de ombudsman van de Volkskrant over de voorpublicatie.
Verder maken klagers bezwaar tegen citaat 3: “En, is het hier nog gezellig?’ vroeg hij. De persvoorlichter en de persoonlijk assistent reageerden laconiek, waarop Driehuis ‘ontplofte’. ‘Dit kan toch niet!’ hoorden ze. ‘Ze heeft gelogen! Dit zal politieke consequenties hebben! En die Neelie, die heeft banden met de maffia. Wist zij dit? Wist zij dit?” Driehuis heeft in de discussie niet gezegd dat Neelie Kroes banden met de maffia zou hebben. Door hem deze woorden toe te dichten en een zogenaamde emotionele uitbarsting van hem te beschrijven, hebben verweerders Driehuis ten onrechte in een kwaad daglicht gesteld.
Klagers stellen ten slotte dat het gaat om een boek met duidelijk journalistieke pretenties. In de ‘verantwoording’ wordt gesproken over een onafhankelijk journalistiek onderzoek. Volgens klagers gelden hiervoor derhalve dezelfde journalistieke regels als voor publicaties in media.
Ter zitting benadrukken klagers dat het hier niet gaat om kritiek op de Zembla-uitzending. Het gaat om het aan klagers toedichten van uitspraken die zij niet hebben gedaan. Aan de citaten zijn ernstige beschuldigingen gekoppeld, terwijl is nagelaten wederhoor toe te passen. Klagers betogen dat verweerders aldus de grenzen hebben overschreden van wat, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Verweerders stellen voorop dat voor zover de reputatie en integriteit van klagers c.q. ‘Zembla’ in het geding zijn, dat niet komt door de gewraakte citaten, maar door de eigen uitzending van ‘Zembla’ en de journalistieke keuzes die aan die uitzending ten grondslag liggen. Klagers bedrijven naar eigen zeggen kritische onderzoeksjournalistiek en moeten daarom zelf ook tegen een stootje kunnen, aldus verweerders.
Verder stellen zij dat de gewraakte citaten moeten worden bezien in de context van het hoofdstuk van het boek waarin ze zijn opgenomen. De citaten zijn uit eerste hand vernomen en door meerdere bronnen bevestigd. Ter onderbouwing hiervan hebben verweerders verklaringen overgelegd van Hirsi Ali, Ingrid Pouw, Iris van den Berg en een Engelse journaliste. Allen verklaren dat zij Van Dongen en Driehuis de gewraakte opmerkingen hebben horen maken. De omstandigheid dat de cameraman en geluidstechnicus van klagers verklaren de opmerkingen niet gehoord te hebben, betekent niet dat deze niet gemaakt zijn. Alle getuigen herinneren zich dat de geluidsman en cameraman op het moment van de opmerkingen al aan het pakken waren. Ook de opname was al gestopt, hetgeen verklaart waarom de gewraakte opmerkingen niet op de door klagers ingebrachte dvd te horen zijn. Verweerders hadden en hebben geen reden om aan de betrouwbaarheid van hun bronnen te twijfelen. Zij hebben dan ook niet getwijfeld of zij de citaten, die zij uit eerste hand hadden gekregen en door meerdere bronnen werden bevestigd, in hun boek konden opnemen. Nu deze verklaringen lijnrecht tegenover de ontkenningen van klagers staan, ligt het volgens verweerders voor de hand, gelet op de jurisprudentie van de Raad, om de klacht op dat punt ongegrond te verklaren, dan wel zich te onthouden van een oordeel.  
Verder bestrijden verweerders dat zij geen wederhoor hebben toegepast. Op het belangrijkste punt, de kritiek op de uitzending van ‘Zembla’, hebben zij Driehuis uitgebreid aan het woord gelaten. Zij hebben ter zake geciteerd uit een door Driehuis geschreven stuk waarin hij ‘Zembla’ verdedigt tegen alle kritiek die na de uitzending over ‘Zembla’ heen kwam. De kritiek op ‘Zembla’ zou als beschuldigingen kunnen worden opgevat en in dat licht vonden verweerders het vanzelfsprekend ‘Zembla’ op dit punt wederhoor te bieden.
Dat is echter anders met betrekking tot de citaten, die geen beschuldigingen inhouden. Verweerders hebben opgeschreven wat hun door verschillende bronnen is verteld en hebben daaraan geen waardeoordeel verbonden. De bronnen hebben verteld over hun ontmoetingen met klagers. De gewraakte uitlatingen van klagers zijn illustratief voor de sfeer tijdens die ontmoetingen, niets meer en niets minder. Onder deze omstandigheden was het niet nodig wederhoor toe te passen. Als de Raad daar anders over zou denken dan betekent dat een ernstige belemmering voor de geschiedschrijving zoals nu door verweerders bedreven.
Zij concluderen dat zij geen grenzen hebben overschreden van hetgeen maatschappelijk en journalistiek aanvaardbaar is.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat de klacht betrekking heeft op het boek ‘De orkaan Ayaan’ en de daarin opgenomen gewraakte citaten. De Zembla-uitzending over Ayaan Hirsi Ali staat hier derhalve niet ter discussie.
 
Verweerders presenteren zich in hun boek als journalisten, werkzaam bij de Volkskrant. Gezien de inhoud van het boek – en met name de verantwoording van verweerders als hiervoor weergegeven onder ‘De Feiten’ – moet worden geconcludeerd dat dit zodanig verband houdt met de beroepsuitoefening van verweerders, dat sprake is van een journalistieke gedraging, waarover de Raad bevoegd is te oordelen.
 
De kern van de klacht is dat voorafgaand aan de publicatie geen wederhoor is toegepast.
 
Volgens het vaste oordeel van de Raad dient een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan, hetgeen in het algemeen meebrengt dat hij wederhoor dient toe te passen. (vgl. onder meer: Marchand tegen Brabants Dagblad, RvdJ 2007/6)
 
Aan de orde is de vraag of de drie citaten dermate ernstige beschuldigingen inhouden, dat wederhoor plaats had dienen te vinden.
Verweerders hebben gesteld dat zij aan de citaten geen waardeoordelen hebben verbonden. De Raad volgt dit standpunt niet. Door de wijze waarop de citaten zijn gepresenteerd – als feitelijk juist – en bezien in hun context, wordt de lezer weinig ruimte gelaten voor een andere conclusie dan dat de handelwijze van klagers niet deugt. Deze suggestie tast de integriteit van klagers als programmamakers van ‘Zembla’ aan en is uitermate diffamerend. Verweerders hadden derhalve niet tot publicatie behoren over te gaan alvorens klagers in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.
 
Niet is in het geding dat verweerders voorafgaand aan de publicatie ten aanzien van de drie citaten geen wederhoor bij klagers hebben toegepast. Van een bijzondere omstandigheid die dat zou kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. Anders dan verweerders menen, doet hieraan niet af dat het gaat om een boek, dat op grond van journalistieke maatstaven moet worden beoordeeld. Weliswaar hebben verweerders geciteerd uit een ingezonden brief van Driehuis, maar die heeft geen betrekking op de gewraakte citaten. Het opnemen hiervan rechtvaardigt derhalve niet dat ten aanzien van de drie citaten geen wederhoor is toegepast.
 
De Raad laat overigens bij zijn oordeel in het midden of de citaten door klagers daadwerkelijk zijn uitgesproken. Wat er ook zij van het feit dat Hirsi Ali en drie bronnen verklaren dat zij deze opmerkingen door klagers hebben horen maken, deze bronnen kunnen niet als onafhankelijke bronnen worden gezien, nu zij allen min of meer aan elkaar gelieerd zijn. Datzelfde geldt voor klagers, de cameraman en de geluidsman. Relevant is dat de gewraakte citaten in het boek als feiten zijn gepresenteerd, zonder dat de visie van verweerders op de gebeurtenissen daartegenover is gezet en de lezer aldus geen mogelijkheid is geboden zich daar een eigen genuanceerd oordeel over te geven.
 
De Raad komt dan ook tot de slotsom dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door de gewraakte citaten te publiceren zoals zij hebben gedaan zonder wederhoor toe te passen.
 BESLISSING
 
De klacht is gegrond.    
 
De Raad verzoekt verweerders te bewerkstelligen dat deze beslissing integraal of in samenvatting op de website van uitgeverij Augustus wordt gepubliceerd.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 23 april 2007 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. C.J.E.M. Joosten, mw. mr. H.M.A. van Meurs, prof. drs. E. van Thijn en drs. L.W. Verhagen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L.F. Egmond, plaatsvervangend secretaris.