2007/11 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X

tegen
 
de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden
 
Bij brief van 23 december 2006 met twee bijlagen heeft mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden (hierna: verweerder). Hierop heeft H. Blanken, adjunct-hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 26 januari 2007.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 februari 2007. Namens klager was voornoemde mr. Soeteman aanwezig. Verweerder is daar niet verschenen.
 
DE FEITEN

Klager wordt verdacht van het plegen van diverse ernstige zedenmisdrijven. Op 11 april 2006 zijn op last van de Officier van Justitie de volledige naam en herkenbare foto van klager vrijgegeven voor publicatie in de landelijke media, met het doel om informatie te verkrijgen teneinde klager te kunnen aanhouden. Op 27 juni 2006 is klager aangehouden in Brazilië.
 
Op 28 juni 2006 is op de website www.dvhn.nl een artikel verschenen met de kop “Serieverkrachter en RUG-promovendus gepakt”.
Diezelfde dag is in Dagblad van het Noorden een artikel verschenen onder de kop
“‘Hij verdooft zijn slachtoffers en gaat er gruwelijk op los’”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passage:
“Op de internetsite pinkpower.nl schrijft iemand die hem heeft gekend: ‘Ik vond het altijd zo’n leuke en gezellige jongen, ik zat bij hem op de sportschool, daar was ‘ie erg vaak te vinden. Toevallig ken ik via via iemand die hij heeft verkracht… Hij verdooft ze met drugs en gaat er gruwelijk op los.. om het maar even zo te zeggen.’”
In beide artikelen, die gaan over de strafzaak tegen klager, is de volledige naam van klager vermeld.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat het Openbaar Ministerie openbaarmaking van zijn personalia in april 2006 gerechtvaardigd achtte vanwege de wens hem zo snel mogelijk aan te houden. Dat doel was met zijn aanhouding op 27 juni 2006 bereikt, zodat vanaf dat moment voor het Openbaar Ministerie geen noodzaak meer bestond klagers achternaam in publicaties te vermelden. Klager wijst in dat verband op een persbericht van het Openbaar Ministerie van 30 juni 2006, waaruit volgt dat vanaf het moment van zijn aanhouding ook het Openbaar Ministerie klager nog slechts met de eerste letter van zijn achternaam heeft aangeduid. Ook de meeste dagbladen hebben hem vanaf het moment van zijn aanhouding op die wijze aangeduid.
Klager betoogt dat verweerder journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld, door ook ná zijn aanhouding zijn achternaam te vermelden.
Verder maakt klager bezwaar tegen het gebruik van het zeer belastende citaat van de website pinkpower.nl. Uit bestudering van die site is het klager gebleken dat het citaat door een anonieme bezoeker/bezoekster van deze site is geplaatst als reactie op een artikel op de site over klager. Volgens klager had verweerder het citaat niet mogen gebruiken, althans ten minste dienen te vermelden dat het een anoniem citaat betrof.
Ter zitting voegt mr. Soeteman hieraan nog toe dat het citaat afkomstig is van een provocerende site. Verweerder had de aard van de anonieme bron in acht moeten nemen. De aard van de beschuldiging is bovendien zó ernstig, dat deze niet op basis van één anonieme bron gepubliceerd had mogen worden, aldus mr. Soeteman.
 
Verweerder stelt dat de naam van klager in april 2006 door het Openbaar Ministerie naar buiten is gebracht in het belang van het onderzoek. Die bijzondere actie van het Openbaar Ministerie was op zichzelf nieuws, omdat het zelden gebeurt dat justitie een delict zo ernstig acht dat de privacy van een verdachte wordt geschonden. Verweerder heeft dat element in zijn berichtgeving meegenomen. Omdat de lezer moet weten hoe zo’n ernstige zaak afloopt, kon de achternaam van klager in het vervolg van de berichtgeving over het justitiële onderzoek niet worden weggelaten. Door de volledige naam weg te laten zou immers een onaanvaardbare onduidelijkheid bestaan, aldus verweerder.
Hij stelt voorts dat het gebruik van anonieme bronnen op zichzelf journalistiek normaal is. Verweerder wijst erop dat het artikel uitdrukkelijk vermeldt dat het citaat afkomstig is van een website, en van welke website. Het is algemeen bekend dat reacties op internetfora anoniem zijn, zodat het overbodig was om expliciet te vermelden dat het een anoniem citaat betrof.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht bevat de volgende onderdelen:
  1. door de vermelding van zijn volledige naam is klagers privacy onnodig aangetast;
  2. verweerder heeft ten onrechte gebruik gemaakt van een anoniem citaat.

Ad 1.

Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.

Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Een journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd. Dat de identiteit van de betrokkene door een publicatie bekend wordt, maakt die publicatie evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds.

De foto en persoonsgegevens van klager zijn op 11 april 2006 door het Openbaar Ministerie aan de landelijke media verstrekt met het verzoek deze te publiceren teneinde de opsporing en aanhouding van klager te bevorderen. Het doel van het publiceren van de foto en de persoonsgegevens van klager was op de datum van zijn aanhouding bereikt. Of met de publicatie van die gegevens daarna grenzen zijn overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, hangt af van de omstandigheden van het geval.

In dit geval is niet gebleken dat met de vermelding van klagers naam een maatschappelijk belang is gediend, dat bovendien zwaarder weegt dan het individuele belang van klager. Klager had anoniem kunnen worden genoemd of hoogstens met initialen kunnen worden aangeduid, zonder dat afbreuk was gedaan aan de aard en inhoud van de berichtgeving. Niet valt in te zien dat door het weglaten van klagers volledige naam een onaanvaardbare onduidelijkheid voor de lezer zou zijn ontstaan.

Verder is van belang dat de bekendmaking van klagers gegevens door het Openbaar Ministerie al geruime tijd vóór de gewraakte publicaties had plaatsgevonden. Voorts is niet gebleken dat klagers naam sindsdien zó bekend is geworden dat zijn belang bij de bescherming van zijn privacy ten tijde van de gewraakte publicaties niet of nauwelijks betekenis had.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat verweerder niet op verantwoorde wijze het belang van klager bij de bescherming van diens privacy heeft afgewogen tegen het maatschappelijke belang dat met de publicatie is gediend.

Onder deze omstandigheden vormt het vermelden van de volledige naam van klager in de gewraakte publicaties een ongerechtvaardigde aantasting van zijn privé-leven. Verweerder heeft aldus grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

(vgl. onder meer: X tegen De Telegraaf, RvdJ 2007/5 en X tegen Dagblad van het Noorden, RvdJ 2006/46)

 
Ad 2.
 

Indien een journalist ten behoeve van een artikel put uit een eerdere publicatie, ontslaat hem dat in het algemeen niet van de plicht tot het verrichten van een eigen onderzoek naar de juistheid van beweringen die een betrokkene diskwalificeren. (vgl. onder meer: Verkijk tegen NRC Handelsblad, RvdJ 2006/57)
 
Overigens heeft de Raad eerder overwogen dat bij publicaties van ernstige beschuldigingen hoge eisen moeten worden gesteld aan de controle van de juistheid van de feitelijke c.q. als feitelijk gepresenteerde elementen daarin. Een journalist die zich in zo een geval beroept op een geheimhoudingsplicht tegenover bronnen die anoniem wensen te blijven, behoeft die bronnen weliswaar niet te noemen, maar dient wel aannemelijk te kunnen maken dat hij de van die bronnen verkregen informatie elders geverifieerd heeft. (vgl. onder meer: Roebroek tegen Thimister, Dagblad De Limburger en Limburgs Dagblad, RvdJ 2006/41)
 
Verweerder heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat hij de verkregen informatie op enigerlei wijze heeft geverifieerd. Aldus is niet gebleken dat voor de publicatie voldoende grondslag bestond. Ook dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Dagblad van het Noorden en op de website www.dvhn.nl te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 maart 2007 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter,
drs. B.J. Brouwers, drs. G.H.J.M. Bueters, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman en
mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. drs. M.M. van der Smissen, plaatsvervangend secretaris.