2007/10 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad
 
Bij brief van 23 december 2006 met zes bijlagen heeft mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad (hierna: verweerder). Hierop heeft A. Kalmann, lid van de hoofdredactie van AD Nieuwsmedia, geantwoord in een brief van 18 januari 2007.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 februari 2007. Namens klager was voornoemde mr. Soeteman aanwezig. Verweerder is daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Klager wordt verdacht van het plegen van diverse ernstige zedenmisdrijven. Op 11 april 2006 zijn op last van de Officier van Justitie de volledige naam en herkenbare foto van klager vrijgegeven voor publicatie in de landelijke media, met het doel om informatie te verkrijgen teneinde klager te kunnen aanhouden. Op 27 juni 2006 is klager aangehouden in Brazilië.
 
Vervolgens zijn in het Algemeen Dagblad en op www.ad.nl de volgende artikelen verschenen:
-         op 27 juni 2006 met de kop “Zedenverdachte opgepakt”;
-         op 30 juni 2006 met de kop“’Vriendin hielp X’”;
-         op 7 november 2006 met de kop “X wil snel naar Nederland”;
-         op 10 november 2006 met de kop“Brazilië levert zedenverdachte uit”  
In alle artikelen, die gaan over de strafzaak tegen klager, is de volledige naam van klager vermeld.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat het Openbaar Ministerie openbaarmaking van zijn personalia in april 2006 gerechtvaardigd achtte vanwege de wens hem zo snel mogelijk aan te houden. Dat doel was met zijn aanhouding op 27 juni 2006 bereikt, zodat vanaf dat moment voor het Openbaar Ministerie geen noodzaak meer bestond klagers achternaam in publicaties te vermelden. Klager wijst in dat verband op een persbericht van het Openbaar Ministerie van 30 juni 2006, waaruit volgt dat vanaf het moment van zijn aanhouding ook het Openbaar Ministerie klager nog slechts met de eerste letter van zijn achternaam heeft aangeduid. Ook de meeste dagbladen hebben hem vanaf het moment van zijn aanhouding op die wijze aangeduid.

Klager betoogt dat verweerder journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld, door ook ná zijn aanhouding zijn achternaam te vermelden. Overigens heeft klagers raadsman zich naar aanleiding van de publicatie van 27 juni 2006 tot verweerder gewend, met het verzoek klagers achternaam voortaan niet meer te plaatsen. Verweerder heeft daarop echter laten weten geen redenen te zien om klagers achternaam niet meer weer te geven.
 
Verweerder stelt voorop dat het bij het Algemeen Dagblad niet gebruikelijk is om in publicaties namen van verdachten voluit te noemen. In gevallen waarbij de privacy van de betrokkene al is geschonden, dient het gebruik van initialen in plaats van de volledige naam echter geen enkel doel meer. Waar de opsporing van klager in dit geval gepaard is gegaan met veel door het Openbaar Ministerie zelf in gang gezette publiciteit met de volledige naam plus foto van klager, is het niet zinvol en daarom onnodig in de volgende publicaties initialen te gebruiken, aldus verweerder. Hij wijst er ten slotte op dat op diverse internetsites de naam van klager volledig wordt vermeld.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.
 
Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Een journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd. Dat de identiteit van de betrokkene door een publicatie bekend wordt, maakt die publicatie evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds.

De foto en persoonsgegevens van klager zijn op 11 april 2006 door het Openbaar Ministerie aan de landelijke media verstrekt met het verzoek deze te publiceren teneinde de opsporing en aanhouding van klager te bevorderen. Het doel van het publiceren van de foto en de persoonsgegevens van klager was op de datum van zijn aanhouding bereikt. Of met de publicatie van die gegevens daarna grenzen zijn overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, hangt af van de omstandigheden van het geval.

In dit geval is n
iet gebleken dat met de vermelding van klagers naam een maatschappelijk belang is gediend, dat bovendien zwaarder weegt dan het individuele belang van klager. Klager had anoniem kunnen worden genoemd of hoogstens met initialen kunnen worden aangeduid, zonder dat afbreuk was gedaan aan de aard en inhoud van de berichtgeving. Het enkele feit dat het ‘niet zinvol’ zou zijn klager met initialen aan te duiden nu zijn gegevens al eerder waren gepubliceerd, is in dit verband onvoldoende en geeft geen blijk van de ter zake vereiste belangenafweging in bovengenoemde zin.
 
Verder is van belang dat de bekendmaking van klagers gegevens door het Openbaar Ministerie al geruime tijd vóór de gewraakte publicaties had plaatsgevonden. Voorts is niet gebleken dat klagers naam sindsdien zó bekend is geworden dat zijn belang bij de bescherming van zijn privacy ten tijde van de gewraakte publicaties niet of nauwelijks betekenis had.
 
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat verweerder niet op verantwoorde wijze het belang van klager bij de bescherming van diens privacy heeft afgewogen tegen het maatschappelijke belang dat met de publicatie is gediend.
 
Onder deze omstandigheden vormt het vermelden van de volledige naam van klager in de gewraakte publicaties een ongerechtvaardigde aantasting van zijn privé-leven. Verweerder heeft aldus grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
(vgl. onder meer: X tegen De Telegraaf, RvdJ 2007/5 en X tegen Dagblad van het Noorden, RvdJ 2006/46).

BESLISSING
 
De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad en op de website www.ad.nl te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 21 maart 2007 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter,
drs. B.J. Brouwers, drs. G.H.J.M. Bueters, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman en
mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. drs. M.M. van der Smissen, plaatsvervangend secretaris.