2006/90 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Elsevier
 
Bij brief van 27 oktober 2006 met twee bijlagen heeft mr. P. Jeeninga, advocaat te Amsterdam, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Elsevier (hierna: verweerder). Bij brief van 10 november 2006 heeft J.A.S. Joustra, hoofdredacteur, laten weten dat hij niet via de Raad inhoudelijk op de klacht zal reageren, maar dat hij naar aanleiding van de klacht klager en diens raadsman heeft geschreven. Van de brief aan klager heeft Joustra ter kennisneming een kopie overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 1 december 2006. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. De zaak is behandeld door de voorzitter en resterende leden.
 
DE FEITEN
 
In uitgave nummer 30 van 29 juli 2006 is in Elsevier een artikel gepubliceerd onder de kop “Holleeders houdgreep”. In het artikel wordt een overzicht gegeven van verdenkingen en betrokkenen bij het strafproces tegen W. Holleeder. Onder de subkop “Verdachten” is klager genoemd als een van de ‘belangrijkste handlangers op financieel gebied’, hetgeen – aldus het artikel – betekent dat hij fungeerde als stroman en betrokken was bij ondoorzichtige witwasconstructies. In het artikel is de volledige naam van klager vermeld.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager maakt bezwaar tegen de vermelding van zijn volledige naam. Hij verwijst naar uitspraken van de Raad waaruit blijkt dat met het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten terughoudendheid is geboden. Volgens klager heeft verweerder deze terughoudendheid niet betracht en geen zorgvuldige afweging gemaakt. Door deze publicatie is klager geïdentificeerd, terwijl hij – anders dan de hoofdverdachte – geen bekende Nederlander is.
Klager acht de vermelding van zijn volledige voor- en achternaam niet in het belang van een volledige berichtgeving. Die vermelding kan niet worden beschouwd als essentieel voor de waarde van het bericht, aldus klager. Hij wijst erop dat de bekendmaking van zijn identiteit verstrekkende gevolgen heeft. Tot aan de strafzaak was hij nog nimmer in aanraking gekomen met justitie en bovendien ontkent hij alle beschuldigingen die thans jegens hem worden geuit.
Klager betoogt dat de inbreuk op zijn privacy niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en dat verweerder derhalve heeft gehandeld in strijd met de journalistieke ethiek.

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
 
Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Dat de identiteit van de betrokkene door een reportage bekend wordt, maakt de reportage evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds. (vgl. onder meer: X tegen Dagblad van het Noorden, RvdJ 2006/46)
 
Niet is gebleken dat verweerder de vereiste belangenafweging heeft gemaakt. Overigens is niet gebleken dat met de vermelding van klagers naam een maatschappelijk belang is gediend, dat bovendien zwaarder weegt dan het individuele belang van klager. Het artikel had voor wat betreft de aanduiding van klager geanonimiseerd kunnen worden, zonder dat afbreuk zou zijn gedaan aan de inhoud en nieuwswaarde ervan.
 
Onder deze omstandigheden vormt het vermelden van klagers naam in het gewraakte artikel een ongerechtvaardigde aantasting van zijn privé-leven. Verweerder heeft aldus de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Elsevier te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 18 december 2006 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. mr. H.M.A. van Meurs en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.