2006/9 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van www.nu.nl

Bij brief van 13 juli 1005 heeft mr. J.A.W. Knoester, advocaat te Den Haag, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van www.nu.nl (hierna: verweerder). Hierop heeft mr. R.D. Chavannes, advocaat te Amsterdam, namens verweerder geantwoord in een brief van 29 september 2005 met 26 bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 november 2005, waar klager is vertegenwoordigd door mr. F.P. Holthuis. Aan de zijde van verweerder zijn verschenen mr. Chavannes en R. Swagerman, hoofdredacteur. Mr. Chavannes heeft het standpunt van verweerder toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.

DE FEITEN

Klager ondergaat een terbeschikkingstelling (TBS). Op 7 juni 2005 heeft hij zich onttrokken aan zijn begeleid verlof. Naar aanleiding hiervan zijn op last van de Officier van Justitie op 12 juni 2005 de volledige naam en herkenbare foto van klager vrijgegeven voor publicatie in de landelijke media, met het doel om informatie te verkrijgen teneinde klager te kunnen aanhouden. Op 14 juni 2005 is klager aangehouden op verdenking van een nieuw strafbaar feit.

Op 29 juni 2005 is op www.nu.nl een artikel verschenen onder de kop “Voorarrest [X] verlengd”. Bij het artikel is een foto van klager geplaatst.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager maakt bezwaar tegen de publicatie van zijn gegevens in het artikel. Hij stelt dat vanaf het moment van zijn aanhouding op 14 juni 2005 zijn status veranderde van voortvluchtige TBS-er in die van verdachte. Op 20 juni 2005 heeft hij per fax aan verscheidene media verzocht niet langer gebruik te maken van zijn volledige personalia en zijn herkenbare foto. In de verschillende faxberichten is aangegeven dat het verder verspreiden van zijn gegevens niet langer gerechtvaardigd werd door enig ander te respecteren belang. Op maandag 27 juni 2005 is dat standpunt nog eens onderstreept via een persbericht van het ANP. Verschillende media hebben daar eveneens aandacht aan besteed. Klagers raadsman heeft het standpunt van klager op 27 juni 2005 ook uiteengezet in een interview op Radio 1 en BNR Nieuwsradio.
Klager meent dat dus in ieder geval vanaf 27 juni 2005 voor alle media duidelijk moet zijn geweest dat hij de mening is toegedaan dat het verder verspreiden van zijn persoonsgegevens en foto als onrechtmatig handelen jegens hem moet worden aangemerkt, althans in ieder geval dat dat moet worden beschouwd als een ontoelaatbare inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Tegen deze achtergrond maakt hij bezwaar tegen de vermelding van zijn naam en het tonen van zijn herkenbare foto vanaf 27 juni 2005.
De omstandigheid dat de gegevens eerder op last van het Openbaar Ministerie zijn verspreid met de bedoeling klager aan te houden, maakt volgens klager nog niet dat het verspreiden van die gegevens niet moet worden begrensd. Wanneer er niet langer argumenten zijn, die het voortduren van de desbetreffende inbreuken rechtvaardigen, moet het gebruik van die vrijgegeven gegevens worden beëindigd, aldus klager.
Klager betoogt dat er onvoldoende zwaarwegende argumenten zijn om zijn volledige personalia en herkenbare foto in de gewraakte publicatie te openbaren. Hij heeft er daarentegen wel degelijk een voldoende redelijk belang bij dat de inbreuk op zijn recht op privacy niet langer voortduurt. In dat verband wijst hij er nog op dat herhaling de kracht van de herinnering is. Voortdurende herhaling van zijn gegevens leidt tot een onnodige, onevenredig langdurige inbreuk op zijn rechten, aldus klager.
Volgens klager moeten journalisten telkens opnieuw beoordelen of publicatie van zijn gegevens gerechtvaardigd is. Daarbij moet de vraag worden gesteld of anonimisering afbreuk doet aan de berichtgeving of dat publicatie van de gegevens voor de berichtgeving noodzakelijk is. Aangezien dit naar het oordeel van klager hier niet het geval was, acht hij de publicatie van 29 juni 2005 onrechtmatig, althans ontoelaatbaar en beklagwaardig.

Verweerder stelt voorop dat het in deze zaak gaat om berichtgeving over klager, die in de weken voorafgaand aan het gewraakte artikel op massale schaal en op verzoek van het Openbaar Ministerie met volledige naam en portret in alle Nederlandse media te zien, lezen en horen was. Door het onrechtmatig handelen van klager en het rechtmatig handelen daarop van het Openbaar Ministerie werd de identiteit van klager prijsgegeven aan het publiek, aldus verweerder. Hij wijst erop dat de klacht zich niet richt tegen publicatie van klagers gegevens in de periode tussen het verspreiden daarvan door het Openbaar Ministerie en klagers aanhouding. Volgens verweerder gaat het in deze zaak om de vraag of, gegeven het feit dat hij aanvankelijk de gegevens van klager wèl mocht publiceren, hij die vrijheid op enig moment niet meer had en in het bijzonder op 29 juni 2005, een tweetal weken nadat klagers identiteit door het Openbaar Ministerie en de media onder de aandacht van het publiek werd gebracht.
Verweerder meent dat door de verspreiding van klagers gegevens door het Openbaar Ministerie die gegevens bij een buitengewoon groot publiek bekend zijn geworden. Klager is door de verspreiding van zijn portret en naam, de publicatie en herhaling daarvan in de media en als onderdeel van het maatschappelijke debat een publieke, of althans zeer bekende, persoon geworden. Ten tijde van de gewraakte publicatie waren klagers naam en portret tot feiten van algemene bekendheid verworden. Van verweerder kon niet worden verwacht dat hij ten tijde van die publicatie was overgegaan tot het anonimiseren van klagers gegevens.
Bovendien was de publicatie van klagers gegevens als integrerend onderdeel van het artikel essentieel voor een adequate berichtgeving en had klager er geen, althans een minder zwaarwegend belang bij om niet langer met portret en volledige naam te worden aangeduid. Verweerder wijst erop dat de publicatie plaatsvond op het moment dat naar aanleiding van klagers onttrekking aan TBS en de daaropvolgende verdenking van moord – hetgeen een diepe maatschappelijke schok teweeg heeft gebracht – een publiek debat was losgebarsten ten aanzien van het TBS-stelsel in het algemeen en klagers zaak in het bijzonder. Dat debat werd gevoerd aan de hand van klagers volledige naam en portret.
Overigens is de publicatie van klagers gegevens in lijn met zijn beleid dat hij slechts afwijkt van de stilzwijgende afspraak om tot anonimisering van gegevens van verdachten en veroordeelden over te gaan, wanneer het gaat om publieke personen en door justitie bekend gemaakte portretten en personalia.
Daarnaast wijst verweerder op de specifieke status van zijn medium: het internet. Kenmerkend voor het internet is dat gepubliceerde artikelen – ook die van anderen dan verweerder – in beginsel voor onafzienbare tijd voor het publiek toegankelijk blijven. Ook publicaties van vòòr 27 juni 2005 zijn en blijven toegankelijk ongeacht wat er met latere publicaties gebeurt. Het Openbaar Ministerie heeft klagers anonimiteit op goede gronden opgeheven. Dat is eenmalig en onherstelbaar. Verweerder heeft geen taak en, gezien de aard van het internet, geen mogelijkheden dat te herstellen.
Ter ondersteuning van zijn standpunten wijst verweerder allereerst op artikel 6 van de Gedragscode van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, waarin wordt gesteld dat een journalist de privacy van verdachten en veroordeelden ontziet door algemene herkenbaarheid in de berichtgeving te vermijden voor zover het vermijden van herkenbaarheid onder andere niet in strijd is met het belang van een adequate berichtgeving. Aanvullend wordt in dat artikel gesteld dat de journalist geen of minder terughoudendheid hoeft te betrachten onder meer als het nieuwsfeit van dien aard is dat de identiteit van een betrokkene als integrerend onderdeel van de berichtgeving moet worden gezien of als een betrokkene geacht kan worden een publieke of bekende persoonlijkheid te zijn.
Verder wijst verweerder op jurisprudentie van de Raad, waarin de Raad heeft geoordeeld dat onder bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de regel dat de journalist dient te voorkomen dat de verdachte of veroordeelde kan worden geïdentificeerd. De gewraakte publicatie kan niet worden gezien als een schending van de door de Raad geformuleerde norm. Ten tijde van die publicatie waren het portret en de naam van klager zodanig bekend dat van ‘identificatie’ – het actief beëindigen van anonimiteit – in het geheel geen sprake kon zijn. Overigens meent verweerder dat het onderhavige geschil niet geheel los kan worden gezien van de huidige discussie over de publicatie van portret en volledige naam van verdachten en veroordeelden van zeer schokkende delicten die het publieke debat in hun greep houden. De grenzen ten aanzien van wat maatschappelijk betamelijk wordt geacht, niet in het laatst gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, zijn in de huidige tijdsgeest aan het verschuiven, aldus verweerder. In dat kader wijst hij nog op de wijze waarop in het buitenland over vergelijkbare zaken wordt bericht.
Verweerder meent voorts dat oog moet worden gehouden voor de botsing van zijn recht op vrije meningsuiting en klagers recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De vrijheid van meningsuiting is het uitgangspunt, waarbij andere belangen deze vrijheid kunnen begrenzen. Het recht op privacy is niet absoluut en moet worden afgewogen tegen de vrijheid van meningsuiting, aldus verweerder. Of klager een redelijk belang heeft om zich te verzetten tegen de herhaalde openbaarmaking van zijn portret en volledige naam moet gewogen worden naar de omstandigheden die de publicatie omringen. De samenleving was en is ernstig geschokt door de ontsnapping van klager tijdens zijn verlof, de daaropvolgende verdenking van moord en zijn latere bekentenis daarvan. Dit blijkt ook uit de aanzienlijke en voortgaande berichtgeving in de media.
Ten slotte heeft verweerder desgevraagd ter zitting erkend dat het belang van klager op eerbiediging van zijn privacy toeneemt als het nieuws wegebt. Op het moment dat klager terugkeert in de samenleving en daarvan verslag wordt gedaan met vermelding van zijn gegevens, dan zou afhankelijk van de omstandigheden van het geval wellicht gesteld kunnen worden dat zijn recht op privacy ten onrechte is geschonden. Die situatie doet zich hier echter niet voor. De gewraakte publicatie heeft klagers resocialisatie niet belemmerd.
Verweerder concludeert dat hij, door in zijn publicatie van 29 juni 2005 de naam en het portret van klager te herhalen, geen grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.
Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Een journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd. Dat de identiteit van de betrokkene door een reportage bekend wordt, maakt de reportage evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een belangenafweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds.

De foto en persoonsgegevens van klager zijn op 12 juni 2005 door het Openbaar Ministerie aan de landelijke media verstrekt met het verzoek deze te publiceren teneinde de opsporing en aanhouding van klager te bevorderen. Het doel van het publiceren van de foto en de persoonsgegevens van klager was op de datum van de aanhouding van klager bereikt.
Of met de publicatie van die gegevens daarna grenzen zijn overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt enerzijds belang toe aan het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend en anderzijds aan de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene is aangetast.

In dit verband acht de Raad het van belang dat de berichtgeving betrekking had op de beslissingen die ten aanzien van klager waren genomen na zijn ontsnapping uit de TBS-kliniek en zijn kort daarop volgende aanhouding wegens de verdenking van een ernstig strafbaar feit. Het betreft serieuze berichtgeving aan het publiek van maatschappelijk relevant nieuws. De verlenging van klagers voorarrest hing immers samen met klagers ontsnapping uit de TBS-kliniek, waarover uitvoerig was bericht, en waarover het publiek diende te worden geïnformeerd. De herhaalde vermelding van klagers persoonsgegevens was, gelet op het bovenstaande, in het belang van een volledige berichtgeving en kan dus worden beschouwd als essentieel voor de waarde van het bericht.
Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat de naam en de foto van klager nog maar zeer kort tevoren op grote schaal bekend waren geworden en de aantasting van klagers privacy daarom van beperkte aard was.

Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval kan niet worden gezegd dat verweerder zijn journalistieke verantwoordelijkheid heeft miskend door de persoonsgegevens van klagers te noemen c.q. te tonen in de berichtgeving van 29 juni 2005.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting op www.nu.nl te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 februari 2006 door mw. mr. W.M.E. Thomassen, voorzitter, T.G.G. Bouwman, mw. drs. M.G.N. Mathot, drs. P. Sijpersma en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.