2006/88 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
K. van der Linden en de hoofdredacteur van het Haarlems Dagblad
 
Bij brief van 20 oktober 2006 met vier bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen K. van der Linden en de hoofdredacteur van het Haarlems Dagblad (hierna: verweerders). Hierop heeft H.P.M.J. Schneider, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 16 november 2006. Ten slotte heeft mr. J.V.C. Constandse, advocaat te Haarlem, namens klager bij brief van 29 november 2006 nog acht bijlagen overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 1 december 2006. Namens klager is daar mr. Constandse verschenen. Aan de zijde van verweerders waren Van der Linden en Schneider aanwezig. Schneider heeft het standpunt van verweerders toegelicht aan de hand van een notitie met twee bijlagen.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en resterende leden.
 
DE FEITEN
 
Op 9 oktober 2006 vond bij de rechtbank Haarlem een zitting plaats ter beoordeling van de vraag of de maatregel van terbeschikkingstelling die was opgelegd aan klager diende te worden verlengd. Van der Linden is als journalist bij deze zitting aanwezig geweest.
Op 10 oktober 2006 is in het Haarlems Dagblad een artikel van de hand van Van der Linden verschenen onder de kop “Gruwelmoordenaar vraagt rechtbank om tweede kans”, waarin verslag wordt gedaan van de hiervoor bedoelde rechtbankzitting. In het artikel is onder meer vermeld:
“Voor zijn daad werd hij veroordeeld tot tien jaar cel. Ook kreeg hij tbs opgelegd.
Inmiddels hebben de deskundigen van de Pompekliniek in Nijmegen geconcludeerd dat de man niet is te behandelen. Hij zou geen inzicht hebben in het delict en de schuld altijd bij een ander leggen. Daarnaast loopt hij vermoedelijk rond met nieuwe moordplannen. In zijn kamer is onlangs op een geheime plek rattengif gevonden.”
Aan het eind is vermeld dat een uitspraak over twee weken volgt.
 
Vervolgens is op 17 oktober 2006 in het Haarlems Dagblad een artikel verschenen onder de kop “Extra tbs voor moordenaar”. Daarin is onder meer vermeld:
“De tbs die in 1997 werd opgelegd aan de man (47) die in 1997 in Haarlem een vrouw wurgde, is door de Haarlemse rechtbank met twee jaar verlengd.”
 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat de artikelen geen juiste weergave bevatten van het verhandelde ter zitting. Volgens klager heeft Van der Linden ten onrechte een persoonlijke invulling gegeven aan de artikelen en aldus journalistiek onbetamelijk gehandeld. Hij maakt met name bezwaar tegen de aanduiding ‘gruwelmoordenaar’. Volgens klager is dit lasterlijk en onjuist, omdat hij voor doodslag is veroordeeld en niet voor moord. Bovendien is hij niet veroordeeld tot tien maar vijf jaar gevangenisstraf. Een en ander was ook genoegzaam bij verweerders bekend. Immers, reeds in 1998 heeft hij zich bij het Haarlems Dagblad beklaagd over de aanduiding ‘moordenaar’ in berichtgeving over zijn strafzaak. In een artikel van 14 augustus 1998 heeft het Haarlems Dagblad dit toen rechtgezet.
Gelet op het voorgaande kan van ‘nieuwe’ moordplannen dan ook geen sprake zijn, aldus klager. Daarbij komt dat de zinsnede over ‘nieuwe moordplannen’ voorkomt in de alinea over de deskundigen van de Pompekliniek en aldus aan die deskundigen wordt toegeschreven. Door de betrokken deskundige is echter nimmer gesproken over vermoedelijke nieuwe moordplannen. Ter ondersteuning van zijn stelling legt klager een verklaring over van de desbetreffende deskundige. Daarin deelt deze deskundige mee dat ter zitting is gesproken over zaken die in de kamer van klager zijn aangetroffen (zoals rattengif), waarvan het bezit indruist tegen de gevoelens van veiligheid van het personeel. Voorts verklaart de deskundige dat hij ter zitting niet heeft gesproken over het bestaan van vermoedelijke nieuwe moordplannen van klager en dat hij zelf nooit met Van der Linden heeft gesproken.
Daarnaast wijst klager op andere onjuistheden in de berichtgeving. Zo werd niet na twee weken maar al na één week uitspraak gedaan en is een onjuiste locatie vermeld. Voorts meent klager dat de vermelding ‘extra TBS’ in de kop van het artikel van 17 oktober 2006 ten onrechte impliceert dat een tweede TBS-maatregel is opgelegd. Ten slotte maakt hij bezwaar tegen de zinsnede dat ‘dreigt dat hij de rest van zijn dagen binnen vier muren moet slijten’.
Volgens klager geeft het voorgaande blijk van journalistiek onzorgvuldig handelen.
 
Verweerders erkennen dat de artikelen twee onjuistheden bevatten. In het artikel is ten onrechte de standaardtermijn opgenomen voor het doen van uitspraken in strafzaken, te weten twee weken, terwijl dit één week had moeten zijn. Verder is ten onrechte vermeld dat klager is veroordeeld tot tien jaar cel. Gebleken is dat aanvankelijk een celstraf van tien jaar is geëist, maar dat een straf van vijf jaar is opgelegd.
Voor het overige doet de berichtgeving volgens verweerders recht aan hetgeen over klager en zijn strafzaak bekend is. Zij menen dat, gelet op het delict en de wijze waarop dat door klager is gepleegd, klager mag worden aangeduid met de term ‘gruwelmoordenaar’. Formeel-juridisch is juist dat klager niet voor moord, maar voor doodslag is veroordeeld. Van der Linden is ervan uitgegaan dat klager veroordeeld was voor moord. Daarbij heeft hij zich onder meer gebaseerd op de door de rechtbank verstrekte ‘zittinglijst voor de pers’, waarvan een kopie als bewijsstuk is overgelegd. Daarop heeft de rechtbank het aan de orde zijnde feit aangeduid als ‘moord’.
Ter zitting heeft Van der Linden desgevraagd verklaard dat hij het elektronische archief van het Haarlems Dagblad heeft geraadpleegd, maar dat hem is ontgaan dat klager destijds voor doodslag is veroordeeld. Als rechtbankverslaggever kent hij het verschil tussen ‘moord’ en ‘doodslag’, maar hij is van mening dat dit onderscheid vooral van juridische aard is. Hoewel sprake is van rechtbankverslaggeving, dienen de artikelen ter informatie van de lezer, die dat juridische onderscheid zeer waarschijnlijk niet kent. In het algemene spraakgebruik wordt ook voor veroordeelden van doodslag de term ‘moordenaar’ gebruikt. Een andere aanduiding, zoals ‘doder’ of ‘doodslager’, achten verweerders niet voor de hand liggend. Zij wijzen er nog op dat ‘vermoorden’ in de Van Dale wordt gedefinieerd als ‘iemand gewelddadig om het leven brengen’. Hetgeen klager heeft gedaan, is onder deze definitie te scharen, aldus verweerders.
Verder stellen zij dat Van der Linden op basis van de verklaringen van de deskundige – er is rattengif gevonden, het personeel voelt zich onveilig – heeft geconcludeerd dat klager ‘vermoedelijk met nieuwe moordplannen rondloopt’.
Ook voor het overige is geen sprake van onzorgvuldige berichtgeving, aldus verweerders.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht is dat klager ten onrechte is aangeduid als ‘gruwelmoordenaar’ en dat ten onrechte is vermeld dat hij ‘vermoedelijk rondloopt met nieuwe moordplannen’.
 
Wat betreft de aanduiding ‘moordenaar’ in de kop van beide artikelen overweegt de Raad het navolgende. In eerdere zaken heeft de Raad overwogen dat het journalistiek gebruikelijk is dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet. Daarmee worden alleen de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid overschreden als de kop geen enkele grond vindt in het artikel. (vgl. onder meer: Te Meerman tegen De Telegraaf, RvdJ 2006/82)
Het is niet ontoelaatbaar als in de kop van een artikel de aanduiding ‘moordenaar’ wordt gebruikt voor iemand die voor ‘doodslag’ is veroordeeld. Echter, in het kader van rechtbankverslaggeving – waarbij hogere eisen mogen worden gesteld aan de wijze waarop juridische kwalificaties worden gebruikt – dient zulks dan wel in het artikel te worden genuanceerd. Dit is hier ten onrechte niet gebeurd.
Dat de rechtbank Haarlem het feit waarvoor klager is veroordeeld op de ‘zittinglijst voor de pers’ heeft aangeduid als ‘moord’, geeft weliswaar blijk van onzorgvuldigheid aan de zijde van de rechtbank, maar ontslaat verweerders niet van de plicht zelf onderzoek te doen naar de feiten.
Overigens bevatten de archieven van verweerders kennelijk voldoende informatie, waaruit blijkt dat klager voor doodslag en niet voor moord is veroordeeld. Dat dit Van der Linden is ontgaan, dient voor zijn rekening te komen.
 
Aangezien klager niet is veroordeeld voor ‘moord’, kan van ‘nieuwe’ moordplannen voorts geen sprake zijn. Uit de door klager overgelegde verklaring blijkt bovendien dat de desbetreffende deskundige zich ter zitting daarover niet heeft uitgelaten. Verweerders hebben ter zake nog aangevoerd dat de zinsnede niet de constatering van een deskundige, maar de conclusie van Van der Linden behelst. Dit blijkt echter niet uit het artikel, nu de zinsnede is geplaatst in de alinea waarin verslag is gedaan van conclusies en verklaringen van deskundigen. De Raad is van oordeel dat in het artikel van 10 oktober 2006 ten onrechte is gesuggereerd dat klager volgens deskundigen ‘vermoedelijk rondloopt met nieuwe moordplannen’.
 
Verweerders hebben voorts erkend dat zij onjuist hebben bericht over de hoogte van de aan klager opgelegde straf alsmede over de termijn waarop uitspraak zou worden gedaan over de door het OM verzochte TBS-verlenging.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders aldus grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Haarlems Dagblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 18 december 2006 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. drs. J.X. Nabibaks en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.