2006/86 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek

inzake de klacht van

 

H. Dekkers

 

tegen

 

B. Mos en de hoofdredacteur van De Telegraaf

 

Bij brief van 12 oktober 2006 met één bijlage heeft H. Dekkers te Amstelveen (hierna: klager) een klacht ingediend tegen B. Mos en de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerders). Hierop heeft A. Reekers, lid van de hoofdredactie, geantwoord in een brief van 14 november 2006 met één bijlage.

 

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 november 2006 in aanwezigheid van Dekkers en Mos.

 

Vanwege de plotselinge ontstentenis van één der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

 

DE FEITEN

 

Op 12 oktober 2006 is in De Telegraaf een artikel van de hand van Mos verschenen onder de kop “Van wie is de crematieboom?” met het chapeau “Ex-zakenpartner aan de haal met hetzelfde idee”. De intro van het artikel luidt:

“Een hovenier en een verzekeringsdeskundige die samen ‘crematiebomen’ in ons land wilden gaan planten, slaan elkaar momenteel figuurlijk de hersens in. De eerste beschuldigt de tweede van diefstal van diens idee en bovendien van een greep uit de kas.”

Verder bevat dit artikel onder meer de volgende passage:

“Maar al kort na het opstarten van de samenwerking komt de hovenier er achter dat de verzekeringsdeskundige Henk Dekkers te beroerd is om zijn handen uit de mouwen te steken en bovendien het hele bedrijfsplan achter zijn rug wil wegkapen. Zo deponeert deze stiekem op zijn eigen naam ‘Re In Green’ bij het Europees Merkenbureau. Ook ontpopt Dekkers zich als een kampioenritselaar. Van Ramshorst: ,,Hij liep te pochen dat hij specialist was in het vervalsen van handtekeningen en dat hij zijn vergunning voor zijn verzekeringsbureau voor vijfhonderd euro per maand illegaal regelt bij een terminale patiënt die wél over de benodigde papieren beschikt.

Als de twee hierdoor met ruzie uit elkaar gaan, start de verzekeringsman tot grote schrik van Van Ramshorst onmiddellijk een concurrerend bedrijfje ‘Eternal Tree’, met exact dezelfde crematiebomen en polissen. Ook pint Dekkers op het nippertje nog even 35.000 euro van de bankrekening van zijn voormalige compagnon. Tot overmaat van ramp benadert de ex-partner met zijn nieuwe bedrijfje klanten van Van Ramshorst en torpedeert hij de op handen zijnde samenwerking tussen ‘Re In Green’ en uitvaartverzekeraar Yarden.


DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

 

Klager stelt – kort samengevat – dat het gewraakte artikel ernstige ongefundeerde beschuldigingen aan zijn adres bevat en dat hij daardoor zeer wordt beschadigd. Zo wordt de keiharde uitspraak gedaan dat hij 35.000 euro heeft gepind van de zakelijke rekening net voor het conflict, dat hij valse handtekeningen zou hebben gezet en dat hij een vergunning heeft gekregen voor zijn verzekeringskantoor door illegaal gebruik te maken van een terminale patiënt. Dit is allemaal onwaar. Deze beschuldigingen zijn ook niet in de kort gedingprocedure aan de orde geweest, aldus klager. Ter ondersteuning van zijn standpunt wijst klager op een verklaring van de in het artikel bedoelde patiënte. Zij is niet terminaal en overigens niet benaderd voor een reactie door verweerders. De vordering van 35.000 euro is door de rechter niet toegewezen, aldus klager.

Verder stelt hij dat Mos alleen heeft gesproken met Van Ramshorst en niet met hem. Desgevraagd heeft klager ter zitting verklaard dat hij pas ná de publicatie van het artikel telefonisch door Mos is benaderd.

Klager betoogt dat door de publicatie van de onware informatie zijn goede naam is aangetast en hij zowel financieel als emotioneel zwaar gedupeerd is.

 

Verweerders stellen dat het artikel is geschreven naar aanleiding van het conflict tussen klager en zijn voormalige zakenpartner Van Ramshorst. Mos is aanwezig geweest op de zitting waar het kort geding is behandeld. Daar is ook de in het artikel bedoelde terminale patiënt aan de orde geweest. Mos stelt dat hij na de zitting klager heeft gesproken en toen met klager heeft afgesproken dat deze hem de gegevens zou verstrekken van de terminale patiënt. Klager heeft dat echter niet gedaan. Mos is vervolgens zelf een en ander nagegaan, heeft het telefoonnummer van de patiënte achterhaald en heeft diverse keren tevergeefs geprobeerd haar te bereiken.

Verder stellen verweerders dat zij zich in het artikel niet hoeven te beperken tot wat er tijdens de zitting is gemeld. Na afloop van de zitting heeft Mos bij diverse bronnen navraag gedaan over klager, onder wie voormalige collega’s en oud-klanten van zijn advieskantoor. Deze bronnen onderschreven het door Van Ramshorst in het kort geding geschetste beeld. Voorts heeft Mos zich gewend tot de Autoriteit Financiële Markten.

Overigens zijn klager en zijn raadsman na afloop van het kort geding om commentaar gevraagd. Hun reactie is in het artikel verwerkt. Daarnaast heeft Mos ook diverse malen getracht klager telefonisch te bereiken met andere vragen, aldus verweerders.

Ten slotte wijzen zij erop dat uit het kort gedingvonnis van 26 oktober 2006 valt op te maken dat hetgeen in het artikel is gesteld, volledig door de rechter wordt onderschreven. Uit zowel de dagvaarding als de pleitnota van Van Ramshorst blijkt duidelijk dat klager met argumenten wordt beschuldigd van het onterecht onttrekken van 35.000 euro.

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

 

De Raad stelt voorop dat in het artikel niet slechts sprake is van rechtbankverslaggeving: het rapporteren van dat wat tijdens een openbare rechtszitting naar voren is gebracht. Verweerders hebben immers na afloop van de zitting nader onderzoek verricht en de resultaten daarvan in het artikel verwerkt.

Het uitgangspunt dat in het kader van rechtbankverslaggeving de regel van hoor en wederhoor – behoudens bijzondere omstandigheden – niet aan de orde is, is op de onderhavige kwestie derhalve niet van toepassing.

 

In het artikel wordt klager beschuldigd van frauduleus handelen. Klager zou ten onrechte 35.000 euro hebben opgenomen van de rekening van zijn voormalige zakenpartner, handtekeningen hebben vervalst en illegaal een vergunning voor zijn verzekeringsbureau hebben geregeld.

Deze beschuldigingen zijn voornamelijk afkomstig van de voormalige zakenpartner van klager Van Ramshorst, die ten tijde van de publicatie met klager in dispuut was. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de betrouwbaarheid van een dergelijke bron als brenger van objectieve feiten.

Daarbij komt dat de beschuldiging ten aanzien van het ten onrechte opnemen van 35.000 euro niet voor rekening van Van Ramshorst is gelaten, maar als feitelijk juist is gepresenteerd.

 

Uit de door verweerders overgelegde stukken is niet gebleken dat de aan het adres van klager geuite beschuldigingen worden ondersteund door andere (in voldoende mate representatieve) bronnen. Anders dan verweerders hebben betoogd, volgt uit het kort gedingvonnis – dat overigens dateert van ná de gewraakte publicatie – niet dat de beschuldigingen als hiervoor bedoeld door de rechter worden onderschreven. Ten aanzien van geldvordering heeft de rechter overwogen dat klager weliswaar rekening en verantwoording dient af te leggen, maar dat de verschuldigdheid en de hoogte van de vordering niet zonder nader onderzoek kunnen worden vastgesteld. Het vermeende vervalsen van handtekeningen en illegaal regelen van een vergunning komen in het kort gedingvonnis in het geheel niet aan de orde.

 

Volgens het vaste oordeel van de Raad dient een journalist bij het publiceren van dergelijke ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat wederhoor dient te worden toegepast. Voorts heeft de Raad herhaaldelijk overwogen dat – voor zover wederhoor is geboden – uit een oogpunt van evenwichtige berichtgeving bij voorkeur in een en dezelfde publicatie tot uitdrukking dient te komen dat met betrekking tot hetgeen daarin aan de orde is, wederhoor is toegepast.

 

Verweerders hebben aangevoerd dat Mos na de zitting met klager heeft gesproken en ook nadien heeft geprobeerd hem telefonisch te bereiken. Klager heeft dit echter betwist. De Raad kan niet vaststellen welk standpunt juist is. Echter, gelet op de aard van de beschuldigingen hadden verweerders zich in ieder geval schriftelijk, per fax of per e-mail tot klager of diens raadsman behoren te wenden, ten einde hun de mogelijkheid te bieden schriftelijk op de aan klagers adres geuite beschuldigingen te reageren. Verweerders hebben niet aannemelijk gemaakt dat dat is gebeurd. Aldus is niet gebleken dat verweerders voldoende pogingen hebben ondernomen om van klager zijn visie op de kwestie te vernemen. Van zwaarwichtige redenen van algemeen belang die dat zouden kunnen rechtvaardigen, is de Raad niet gebleken.

 

Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders door zo te handelen en na te laten grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

 

(vgl. onder meer: Kouwenhoven tegen Karskens en Nieuwe Revu, RvdJ 2006/73 en NVM e.a. tegen ‘Kassa’ (VARA), RvdJ 2006/21)

 

BESLISSING

 

De klacht is gegrond.

 

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 december 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter, dr. M.J. Broersma, mw. F.W. Dresselhuys en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L. Bultman-den Haan, plaatsvervangend secretaris.