2006/83 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
C. Springelkamp en de hoofdredacteur van De Telegraaf
 
Bij brief van 25 september 2006met één bijlage heeft mr. J.W. Spanjer, advocaat te Haarlem, namens X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen C. Springelkamp en de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerders). Hierop heeft A. Reekers, lid van de hoofdredactie, geantwoord in een brief van 20 oktober 2006.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 november 2006. Namens klaagster was daar voornoemde mr. Spanjer aanwezig. Verweerders zijn niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 14 september 2006 is in De Telegraaf een artikel van de hand van Springelkamp verschenen onder de kop “’Miss Banco’ toegang tot het casino geweigerd” met het chapeau “Psychologe-therapeute wil elke dag kunnen gokken”. De intro van het artikel luidt:
“Een vaste klant van Holland Casino in Zandvoort heeft gisteren in kort geding voor de rechtbank in Haarlem geëist dat het casino haar onbeperkt toegang verleent. Ze is nu slechts acht keer per maand welkom. De directie van het staatsgokpaleis is bang dat de vrouw gokverslaafd is.”
Het artikel gaat over een civielrechtelijke procedure die klaagster heeft aangespannen tegen Holland Casino. In het artikel worden klaagsters volledige naam, leeftijd, woonplaats en beroep vermeld.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat zij door de vermelding van haar persoonlijke gegevens ernstig in haar belangen is geschaad. Zo is zij naar aanleiding van de publicatie herhaaldelijk lastig gevallen en heeft zij nadelige consequenties in de familieverhoudingen ervaren. Bovendien heeft de publicatie ertoe geleid dat zij is geschorst op haar werk. Volgens haar werkgeefster zou zij niet meer goed in staat zijn als therapeute op te treden, nu het artikel suggereert dat klaagster verslaafd is aan het kansspel. Overigens is ten onrechte vermeld dat zij verslavingstherapeute zou zijn.
Volgens klaagster was er geen enkel journalistiek belang bij het vermelden van haar persoonlijke gegevens en hadden verweerders die vermelding dan ook achterwege moeten laten. Dit klemt te meer nu mr. Spanjer tijdens de kort gedingzitting met de aanwezige pers heeft afgesproken dat klaagsters naam niet zou worden gepubliceerd en zij niet herkenbaar in beeld zou worden gebracht. Geen van de journalisten, onder wie ook Springelkamp, heeft laten weten daar niet mee in te stemmen. Ter zitting heeft mr. Spanjer hieraan nog toegevoegd dat een verzoek tot behandeling van de zitting achter gesloten deuren waarschijnlijk zou zijn afgewezen.
Klaagster wijst erop dat volgens het vaste oordeel van de Raad bij berichtgeving over een civielrechtelijke procedure persoonlijke gegevens niet behoren te worden vermeld als de betrokkenen daardoor in hun belangen worden geschaad. Volgens klaagster is dat hier het geval, zodat verweerders door het vermelden van haar persoonlijke gegevens grenzen hebben overschreden van hetgeen journalistiek betamelijk is.
Ten slotte maakt klaagster bezwaar tegen de toonzetting van het artikel. De suggestie wordt gewekt dat verweerders met klaagster zelf hebben gesproken, hetgeen pertinent niet juist is.
 
Verweerders stellen, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad, dat in het algemeen geen bezwaar bestaat tegen het vermelden van persoonlijke gegevens in de verslaggeving over een openbare zitting van een civielrechtelijke procedure.
Daarnaast stellen verweerders dat klaagster heeft nagelaten haar privacy te beschermen, door noch te verzoeken de zaak achter gesloten deuren te behandelen noch de rechter een verzoek te doen de aanwezige pers dwingend te vragen geen namen te publiceren.
Verder betwisten verweerders dat afspraken zijn gemaakt over het niet vermelden van klaagsters persoonlijke gegevens. Na afloop van de zitting heeft de raadsman van klaagster desgevraagd zelfs nog een toelichting gegeven op de zaak. Een deel van deze informatie is in het artikel verwerkt, aldus verweerders.
Ten aanzien van de vermelding van klaagsters beroep stellen verweerders dat klaagster zelf op de zitting het verband heeft gelegd tussen haar beroep en haar mogelijke verslaving. Zij heeft daar immers betoogd dat zij als psychologe-therapeute zeer goed in staat is vormen van verslaving te onderkennen.
Voor zover de klacht van klaagster zich richt tegen de toonzetting van het artikel, stellen verweerders dat het gebruik van citaten die tijdens een openbare zitting zijn opgetekend, behoort tot de gebruikelijke stijlfiguren in een verslag als het onderhavige.
Ten slotte delen verweerders mee dat zij bij de berichtgeving over de uitspraak in de kort gedingprocedure de naam van klaagster hebben weggelaten, omdat klaagsters raadsman heeft laten weten dat hij dat zeer op prijs zou stellen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht is allereerst gericht tegen de vermelding van klaagsters persoonlijke gegevens en met name tegen de vermelding van haar volledige naam. Klaagster heeft ter zake aangevoerd dat met onder meer verslaggever Springelkamp was afgesproken, dat haar naam niet zou worden vermeld. Het standpunt van verweerders staat daar lijnrecht tegenover. Er is geen materiaal voorhanden op grond waarvan de Raad kan vaststellen welk standpunt juist is.

De vraag die zich thans voordoet is of verweerders uit eigen beweging tot anonimisering hadden moeten overgaan.
 
Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.
 
Volgens het vaste oordeel van de Raad bestaat in het algemeen geen bezwaar tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen als het gaat om verslaggeving van een openbare terechtzitting in een civielrechtelijke of een bestuursrechtelijke procedure. In sommige gevallen kan het belang van een partij om zoveel mogelijk onherkenbaar te blijven echter zo zwaar wegen dat van het vermelden van de (volledige) naam moet worden afgezien. (vgl. onder meer: X, Y en Z tegen De Gelderlander, RvdJ 2005/7)
 
In de kort gedingprocedure waarvan verslag is gedaan, ging het erom dat klaagster de onbeperkte toegang tot het casino is ontzegd, omdat zij mogelijk verslaafd zou zijn. Daarbij is tevens aan de orde geweest dat klaagster als therapeute bekend is met verslavingsproblematiek. Aangenomen kan worden dat het hebben van een gokverslaving als maatschappelijk ongewenst wordt beschouwd en dat een psycholoog c.q. therapeut in zijn beroepsuitoefening wordt gediskwalificeerd als hij daarmee in verband wordt gebracht.
 
De vermelding van klaagsters beroep acht de Raad in dit geval journalistiek relevant. Echter, verweerders hadden zich behoren te realiseren dat de herkenbaarheid van klaagster – mede gezien haar beroep – voor haar onevenredig veel nadeel met zich zou brengen. Klaagster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij door de publicatie zowel zakelijk als privé ernstige schade heeft geleden.
 
Niet is gebleken dat met de vermelding van klaagsters naam een maatschappelijk belang is gediend, dat bovendien zwaarder weegt dan het individuele belang van klaagster. Het artikel had voor wat betreft de aanduiding van klaagster geanonimiseerd kunnen worden, zonder dat afbreuk zou zijn gedaan aan de inhoud en nieuwswaarde ervan. Kennelijk zijn ook verweerders die mening toegedaan, nu zij in een vervolgartikel over de uitspraak in de kort gedingprocedure de naam van klaagster wel hebben weggelaten.
 
Aldus is sprake van zodanig zwaarwegende belangen aan de zijde van klaagster, dat publicatie van haar volledige naam achterwege had behoren te blijven. Door dit na te laten hebben verweerders de privacy van klaagster disproportioneel geschaad en derhalve de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Voor het overige acht de Raad de publicatie niet grensoverschrijdend. Met verweerders is de Raad van oordeel dat het gebruik van citaten die tijdens een openbare zitting zijn opgetekend behoort tot de gebruikelijke stijlfiguren, terwijl gesteld noch gebleken is dat de berichtgeving relevante feitelijke onjuistheden bevat.
 
BESLISSING
 
Voor zover de klacht is gericht tegen de vermelding van klaagsters volledige naam is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.    
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 1 december 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter, drs. C.M. Buijs, drs. G.T.M. Driehuis, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L.F. Egmond, plaatsvervangend secretaris.