2006/8 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van het NOS-Journaal

Bij brief van 13 juli 1005 heeft mr. J.A.W. Knoester, advocaat te Den Haag, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het NOS-Journaal (hierna: verweerder). Hierop heeft H. Laroes, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 21 juli 2005.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 november 2005, waar klager is vertegenwoordigd door mr. F.P. Holthuis en verweerder is verschenen. Tijdens de zitting heeft de Raad een video-opname van de gewraakte uitzending bekeken.

DE FEITEN

Klager ondergaat een terbeschikkingstelling (TBS). Op 7 juni 2005 heeft hij zich onttrokken aan zijn begeleid verlof. Naar aanleiding hiervan zijn op last van de Officier van Justitie op 12 juni 2005 de volledige naam en herkenbare foto van klager vrijgegeven voor publicatie in de landelijke media, met het doel om informatie te verkrijgen teneinde klager te kunnen aanhouden. Op 14 juni 2005 is klager aangehouden op verdenking van een nieuw strafbaar feit.

Op 6 juli 2005 is in de uitzending van het NOS-Journaal aandacht besteed aan de beslissing van de Minister van Justitie om de intrekking van alle verloven van TBS-ers op te heffen (hierna: de uitzending). In de uitzending is vermeld dat de afgelopen periode een zevental TBS-ers is ontsnapt tijdens hun verlof. In dat verband is de volledige naam van klager vermeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager maakt bezwaar tegen de vermelding van zijn naam in de uitzending. Hij stelt dat vanaf het moment van zijn aanhouding op 14 juni 2005 zijn status veranderde van voortvluchtige TBS-er in die van verdachte. Op 20 juni 2005 heeft hij per fax aan verscheidene media verzocht niet langer gebruik te maken van zijn volledige personalia en zijn herkenbare foto. In de verschillende faxberichten is aangegeven dat het verder verspreiden van zijn gegevens niet langer gerechtvaardigd werd door enig ander te respecteren belang. Op maandag 27 juni 2005 is dat standpunt nog eens onderstreept via een persbericht van het ANP. Verschillende media hebben daar eveneens aandacht aan besteed. Klagers raadsman heeft het standpunt van klager op 27 juni 2005 ook uiteengezet in een interview op Radio 1 en BNR Nieuwsradio.
Klager meent dat het in ieder geval vanaf 27 juni 2005 voor alle media duidelijk moet zijn geweest dat hij de mening is toegedaan dat het verder verspreiden van zijn persoonsgegevens en foto als onrechtmatig handelen jegens hem moet worden aangemerkt, althans in ieder geval dat dat moet worden beschouwd als een ontoelaatbare inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Tegen deze achtergrond maakt hij bezwaar tegen de vermelding van zijn naam en het tonen van zijn herkenbare foto vanaf 27 juni 2005.
De omstandigheid dat de gegevens eerder op last van het Openbaar Ministerie zijn verspreid met de bedoeling klager aan te houden, maakt volgens klager nog niet dat het verspreiden van die gegevens niet moet worden begrensd. Wanneer er niet langer argumenten zijn, die het voortduren van de desbetreffende inbreuken rechtvaardigen, moet het gebruik van die vrijgegeven gegevens worden beëindigd, aldus klager.
Klager betoogt dat er onvoldoende zwaarwegende argumenten zijn om zijn volledige personalia en herkenbare foto in de gewraakte uitzending te openbaren. Hij heeft er daarentegen wel degelijk een voldoende redelijk belang bij dat de inbreuk op zijn recht op privacy niet langer voortduurt. In dat verband wijst hij er nog op dat herhaling de kracht van de herinnering is. Voortdurende herhaling van zijn gegevens leidt tot een onnodige, onevenredig langdurige inbreuk op zijn rechten, aldus klager.
Volgens klager moeten journalisten telkens opnieuw beoordelen of publicatie van zijn gegevens gerechtvaardigd is. Daarbij moet de vraag worden gesteld of anonimisering afbreuk doet aan de berichtgeving of dat publicatie van de gegevens voor de berichtgeving noodzakelijk is. Aangezien dit naar het oordeel van klager hier niet het geval was, acht hij de uitzending van 6 juli 2005 onrechtmatig, althans ontoelaatbaar en beklagwaardig.

Verweerder benadrukt dat privacybescherming een belangrijk criterium is bij de keuzes die bij het NOS-Journaal worden gemaakt. In NOS-uitzendingen worden zelden foto's of namen gepubliceerd van verdachten of veroordeelden. Slechts in uitzonderlijke gevallen gebeurt dit wel en dan gaat het bijna altijd om zaken die de samenleving schokken en veel en vaak langdurige publicitaire aandacht genereren. Daarbij is veelbetekenend de wijze waarop er in maatschappij en politiek wordt gereageerd. Op welke wijze dergelijke gegevens worden gebruikt, wordt per zaak bekeken en is steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Om de gedachten te bepalen hebben de NOS-redacties in de afgelopen maanden bijvoorbeeld een discussiebijeenkomst gehouden met vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de advocatuur, journalisten en mediarecht-deskundigen over privacy en berichtgeving.
Volgens verweerder kreeg de zaak van klager meer dan gemiddelde aandacht en speelde de zaak een meer dan gemiddelde rol in het maatschappelijke en politieke debat. In dit kader moet de zaak dan ook worden bezien. Verweerders uitgangspunt is dat privacybescherming van grote betekenis is, maar geen absoluut criterium. Van de journalist mag worden verwacht dat hij een afweging maakt die gebaseerd is op een duidelijke inhoudelijke argumentatie. In deze zaak heeft de hoofdredacteur besloten de gegevens van klager te publiceren. Hij heeft de afweging tussen het belang van publicatie en het recht op privacy schriftelijk op 17 juni 2005 aan de redactieleden bekend gemaakt. Daarin heeft verweerder onder meer vermeld dat in het onderhavige geval niet valt vol te houden dat er sprake is van privacy die valt te beschermen. De naam van klager is drie dagen lang veelvuldig vermeld en ook zijn foto is getoond, ter illustratie van een verhaal over een ontsnapping die de samenleving op scherp zette. Ter zitting benadrukt verweerder in dit verband dat het gebruik van de volledige naam en foto niet diende als verlengstuk van justitie, maar onder eigen verantwoordelijkheid en na eigen zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden.
In de verantwoording van zijn beslissing heeft de hoofdredacteur onder meer verwezen naar het standpunt van G. Schuyt – tot voor kort bijzonder hoogleraar mediarecht – dat openbaarmaking van naam en foto redelijk is indien het een zaak van algemeen belang betreft, die de publieke opinie ernstig bezighoudt of indien het een misdaad betreft met een politieke achtergrond. Volgens verweerder is het eerste criterium hier aan de orde. Daarbij verwijst hij ook naar jurisprudentie in de zaak van de ontvoerder Ferdi E., waaruit volgens hem kan worden opgemaakt dat privacybescherming geen absoluut geldend principe is, maar dat steeds een zorgvuldige belangenafweging dient plaats te vinden tussen privacybescherming aan de ene kant en de belangen van persvrijheid en openbaarmaking van relevante informatie aan de andere kant.
Volgens verweerder heeft die belangenafweging in dit geval in redelijkheid tot het standpunt kunnen leiden dat de volledige naam en foto van klager gebruikt mochten worden, ook nadat klager verdachte was geworden. Overigens meent verweerder dat terughoudendheid wel geboden is: de foto en naam van klager hoeven niet dag in dag uit bij iedere gelegenheid gepubliceerd te worden.
Verweerder is het in algemene zin eens met klager, dat er een moment kan zijn waarop herhaald gebruik van zijn foto en naam een niet te verdedigen automatisme is geworden. Gesteld dat het een jaar lang niet over klager en de verdenkingen jegens hem zou gaan, dan kan de relevantie ontbreken om zijn naam en foto opnieuw te gebruiken. De belangenafweging zal steeds opnieuw moeten plaatsvinden en de context waarbinnen wordt besloten kan zich wijzigen. In dat verband wijst verweerder erop dat een aantal maanden na de gewraakte uitzending door de NOS wederom aandacht is besteed aan de ontsnapping van klager en het daaruit voortvloeiende politieke debat. Gezien het tijdsverloop dat op het moment van die uitzending had plaatsgevonden, is er toen voor gekozen niet de volledige naam van klager te gebruiken.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.
Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Een journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd. Dat de identiteit van de betrokkene door een reportage bekend wordt, maakt de reportage evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een belangenafweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds.

De foto en persoonsgegevens van klager zijn op 12 juni 2005 door het Openbaar Ministerie aan de landelijke media verstrekt met het verzoek deze te publiceren teneinde de opsporing en aanhouding van klager te bevorderen. Het doel van het publiceren van de foto en de persoonsgegevens van klager was op de datum van de aanhouding van klager bereikt.
Of met de publicatie van die gegevens daarna grenzen zijn overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt enerzijds belang toe aan het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend en anderzijds aan de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene is aangetast.

In dit verband acht de Raad het van belang dat de berichtgeving betrekking had op het opheffen van de intrekking van de TBS-verloven, welke maatregel zijn oorsprong vond in de ontsnapping van klager uit een TBS-kliniek.
De beslissing van verweerder dat in deze omstandigheden de vermelding van de persoonsgegevens van klager een relevant onderdeel van de berichtgeving vormde, is genomen na serieuze afweging van het belang van de privacy van betrokkene aan de ene kant en het belang van een verantwoorde en volledige berichtgeving aan de andere kant. Daarbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat de naam en de foto van klager nog maar zeer kort tevoren op grote schaal bekend waren geworden en de aantasting van klagers privacy daarom van beperkte aard was.

De Raad neemt verder in aanmerking dat de uitzending de bekendmaking diende van de beslissingen die na de aanhouding van klager genomen waren met betrekking tot de TBS-verloven. Daarmee leverde de uitzending een bijdrage aan het voortgaande debat over de TBS, dat met de ontsnapping van klager actueel was geworden en waarin hij in zekere zin een sleutelrol vervulde.

Gelet op het bovenstaande is de Raad van oordeel dat verweerder het belang van een volledige berichtgeving op een verantwoorde wijze heeft gediend.

Gezien de bijzondere omstandigheden van het geval kan niet worden gezegd dat verweerder zijn journalistieke verantwoordelijkheid heeft miskend door de persoonsgegevens van klager te noemen c.q. te tonen in de uitzending van 6 juli 2005.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder bijvoorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het NOS-Journaal en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 februari 2006 door mw. mr. W.M.E. Thomassen, voorzitter, T.G.G. Bouwman, mw. drs. M.G.N. Mathot, drs. P. Sijpersma en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.