2006/79 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X en Y 
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Het Parool
 
Bij brief van 20 september 2006 met één bijlage heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, namens X en Y (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Het Parool (hierna: verweerder). Hierop heeft A. de Lange, adjunct-hoofdredacteur, in een e-mailbericht van 27 september 2006 meegedeeld dat namens Het Parool geen verweer zal worden gevoerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 oktober 2006, alwaar bovengenoemde Van der Werf namens klagers is verschenen. Verweerder is ter zitting niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 9 augustus 2006 is in het Parool een artikel verschenen onder de kop “Levenslang voor ‘(...)-moorden’. Het artikel gaat over een uitspraak van de rechtbank Utrecht in een zaak waarbij X tot levenslang is veroordeeld voor zijn rol in de moord op twee Braziliaanse drugshandelaren. Y is de echtgenote van X.
In het artikel wordt X aangeduid met zijn voornaam en de initiaal van zijn achternaam. Daarnaast zijn de namen van de ondernemingen van klagers en de adressen daarvan in het artikel genoemd.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGERS
 
Klagers stellen dat de achternaam van X weliswaar uitsluitend wordt aangeduid met de eerste letter van die naam, maar dat aan de zekere mate van anonimiteit die dat oplevert volledig afbreuk wordt gedaan door de vermelding van de namen en adressen van de ondernemingen van klagers. Die vermelding achten klagers onnodig en irrelevant in relatie tot de strekking van het bericht. De vermelding heeft geen toegevoegde nieuwswaarde en de beide ondernemingen staan niet in enig verband tot hetgeen waarvoor X is veroordeeld.
Ter zitting hebben klagers hieraan nog toegevoegd dat zij zakelijk zeer schadelijke gevolgen van de publicatie hebben ondervonden. Eén van de ondernemingen is al gesloten, en de andere loopt niet goed. Zij concluderen dan ook dat verweerder met de publicatie grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.
 
Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Een journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd. Dat de identiteit van de betrokkene door een reportage bekend wordt, maakt de reportage evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds. (vgl. onder meer: X tegen Dagblad van het Noorden, RvdJ 2006/46)
Weliswaar is in de gewraakte publicatie slechts het initiaal van de achternaam van X openbaar gemaakt, maar door vermelding van de namen en adressen van de door klagers gedreven ondernemingen kan hij niettemin eenvoudig worden geïdentificeerd. Bovendien laat de publicatie de lezer weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat de ondernemingen van klagers op enigerlei wijze betrokken waren bij de strafbare feiten.
 
Het is niet zonder meer journalistiek onzorgvuldig indien in een publicatie over een strafzaak de naam en het adres van een onderneming worden vermeld. Indien de desbetreffende onderneming een essentiële rol speelt in de strafzaak kan het van zodanig maatschappelijk belang zijn om de gegevens van die onderneming in de berichtgeving te vermelden, dat het privacybelang van de daardoor eenvoudig te identificeren ondernemer daarvoor moet wijken. (vgl. onder meer: X tegen de Zwolse Courant, RvdJ 2003/33)
 
Klagers hebben echter gemotiveerd en onbetwist aangevoerd dat hun ondernemingen geen enkele rol hebben gespeeld in de strafbare feiten waarvoor X is veroordeeld. Door niettemin de namen en adressen van die ondernemingen te vermelden, heeft verweerder naar het oordeel van de Raad de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl.: X en Y tegen J. van der Graaf en De Telegraaf, RvdJ 2004/54)
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 16 november 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, T.R. Harkema, mw. C.J.E.M. Joosten, en mw. E.H.C. Salomons, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L.F. Egmond, plaatsvervangend secretaris.